Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9158

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-05-2013
Datum publicatie
02-05-2013
Zaaknummer
12-5772 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Datum daadwerkelijke terpostbezorging betwist. Geen twijfel over door Uwv gestelde verzenddatum. Geen verschoonbare termijnoverschrijding.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2013/1316
ABkort 2013/168
JB 2013/137
USZ 2013/191
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/5772 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 8 oktober 2012, 12/1575 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)

[A. te B.] (betrokkene)

Datum uitspraak: 1 mei 2013

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. M. Zee, advocaat, een verweerschrift ingediend, waarop appellant heeft gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2013, waar voor appellant E.C. van der Meer en voor betrokkene mr. G. Martin, advocaat, zijn verschenen.

OVERWEGINGEN

1. Betrokkene heeft beroep ingesteld tegen het besluit van appellant van 10 februari 2012 ter uitvoering van de Werkloosheidswet (bestreden besluit). Bij dat besluit heeft appellant het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard dat was gemaakt tegen zijn besluit van 10 november 2011, waarbij de uitkering is vastgesteld waarop betrokkene recht had wegens betalingsonmacht van zijn voormalige werkgeefster [naam werkgeefster] Volgens appellant is het bezwaar te laat ingediend en is geen sprake van verschoonbare termijnoverschrijding.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Volgens de rechtbank kan op basis van wat het Uwv heeft aangevoerd over de procedure bij verzending van brieven/beslissingen niet worden vastgesteld wanneer het besluit is verzonden en de bezwaartermijn is aangevangen en moet het er voor worden gehouden dat het op 27 december 2011 aan PostNL aangeboden bezwaarschrift tijdig is ingediend. Daarbij is verwezen naar de uitspraak van de Raad van 11 juli 2012, LJN BX1193.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 26 april 2011, LJN BQ2833, betoogd dat er geen reden is te twijfelen aan de datum waarop het besluit van 10 november 2011 door hem is verzonden. Betrokkene had een adequate voorziening behoren te treffen teneinde te bewerkstelligen dat het besluit, gezonden aan het enige bij appellant bekende adres, hem per omgaande zou bereiken.

3.2. Betrokkene heeft betoogd dat de ontvankelijkheidsvraag door de rechtbank op juiste wijze is beantwoord en heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad overweegt ambtshalve het volgende.

4.1. De rechtbank heeft het beroep op 28 augustus 2012 ter zitting behandeld en het onderzoek met toepassing van artikel 8:64, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geschorst. Bij brief van 29 augustus 2012 heeft appellant nadere informatie verstrekt en toestemming gegeven om de behandeling van de zaak verder zonder zitting af te doen. De gemachtigde van betrokkene heeft bij brief van 12 september 2012 hiervoor toestemming verleend. Hierbij heeft de gemachtigde van betrokkene evenwel nog nadere stellingen naar voren gebracht. Vervolgens heeft de rechtbank uitspraak gedaan, zonder dat appellant, na in kennis te zijn gesteld van de genoemde brief van 12 september 2012, opnieuw is gevraagd om toestemming te verlenen voor afdoening van de zaak zonder een nadere zitting. De aangevallen uitspraak is aldus in strijd met artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb, tot stand gekomen. Om die reden komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking. Omdat de zaak geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft, zal de zaak zonder terugwijzing worden afgedaan.

5. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

5.1. Vast staat dat het besluit van 10 november 2011 naar het bij de aanvraag door betrokkene opgegeven adres te Purmerend is verzonden, daar is ontvangen en vervolgens op 23 december 2011 ter hand is gesteld aan de gemachtigde van betrokkene. De gemachtigde heeft met een brief van 23 december 2011, ter post aangeboden op 27 december 2011, bezwaar gemaakt en daarin gesteld dat een geringe termijnoverschrijding verschoonbaar is omdat het besluit betrokkene in verband met vestiging in het buitenland met grote vertraging heeft bereikt. Appellant heeft daarna onderzocht of betrokkene, die bij de intake had gemeld naar Curaçao te zullen vertrekken, een adres aldaar had achtergelaten of een afspraak had gemaakt waar zijn post heen moest. Dat bleek niet het geval te zijn geweest. Door toezending van het besluit van 10 november 2011 naar het laatst bij appellant bekende adres van betrokkene heeft appellant aan zijn bekendmakingsverplichting als bedoeld in artikel 3:41 van de Awb voldaan.

5.2. Ter zitting van de rechtbank heeft betrokkene gesteld dat het niet ondenkbaar is dat de postkamer van appellant het besluit van 10 november 2011 één of twee dagen later heeft verzonden. Deze stelling van betrokkene komt er in essentie op neer dat niet van de op dat besluit vermelde datum mag worden uitgegaan als dag waarop dat besluit ter post is bezorgd.

5.3. Hetgeen betrokkene heeft gesteld geeft geen aanleiding eraan te twijfelen dat het besluit van 10 november 2011 daadwerkelijk op die dag aan PostNL is aangeboden. Die twijfel kan met name niet worden gevonden in de omstandigheid dat het besluit van 10 november 2011 betrokkene met grote vertraging heeft bereikt, omdat dit het gevolg is van het feit dat betrokkene niet meer op het aan appellant opgegeven adres verbleef. Aan de door de rechtbank en betrokkene genoemde uitspraak van de Raad van 11 juli 2012, LJN BX1193, kan niet die betekenis worden toegekend die betrokkene daaraan toegekend wenst te zien, omdat in die zaak het tijdsverloop tussen datering en ontvangst van het betreffende besluit groter was dan de in deze zaak eerst ter zitting van de rechtbank door betrokkene geopperde mogelijkheid van een vertraging in de verzending van één of twee dagen, en hier bovendien onbekend is op welke dag het besluit van 10 november 2011 op het laatst bekende adres te Purmerend is bezorgd.

5.4. Uit 5.1 tot en met 5.3 volgt dat de termijn voor het maken van bezwaar in dit geval is aangevangen op 11 november 2011 en is geëindigd op 22 december 2011 en dat het bezwaarschrift dus niet tijdig is ingediend.

5.5.Voor het antwoord op de vraag of de termijnoverschrijding met toepassing van artikel 6:11 van de Awb verschoonbaar is, kunnen slechts beslissend zijn niet aan betrokkene toe te rekenen feiten en omstandigheden, ten gevolge waarvan hij niet binnen de termijn van zes weken bezwaar heeft gemaakt. Van zodanige feiten en omstandigheden is niet gebleken. De termijnoverschrijding is veroorzaakt doordat betrokkene heeft verzuimd zijn (post)adres te Curaçao aan appellant te doen toekomen en het treffen van maatregelen voor tijdige en adequate doorzending van aan hem gerichte, aan het oude adres verzonden post, heeft nagelaten. Betrokkene mocht er niet op vertrouwen dat het op de aanvraag vermelde

e-mailadres het adres zou zijn waarnaar het Uwv zijn besluit op de aanvraag digitaal bekend zou maken, omdat betrokkene geen afspraken heeft gemaakt dat hij op die wijze zou worden geïnformeerd over de beslissing op zijn aanvraag. Er is dan ook sprake van een aan betrokkene toe te rekenen omstandigheid waardoor het bezwaar te laat is gemaakt.

5.6. Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd en het beroep tegen het besluit van 10 februari 2012 zal ongegrond worden verklaard.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2013.

(getekend) G.A.J. van den Hurk

(getekend) H.J. Dekker