Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9107

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-05-2013
Datum publicatie
02-05-2013
Zaaknummer
11-4247 WW-T
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Op grond van de thans beschikbare gegevens kan niet worden geoordeeld dat aan de werkloosheid van betrokkene een dringende reden ten grondslag ligt. (Het Uwv) heeft dus ten onrechte de uitkering op grond van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW geweigerd. Ter zitting is vastgesteld dat, anders dan waar het bestreden besluit vanuit gaat, de eerste werkloosheidsdag 20 oktober 2009 dient te zijn. De stukken bieden de Raad onvoldoende aanknopingspunten om de hoogte en duur van de WW-uitkering vast te stellen. Opdracht tot het nemen van een nieuw besluit op bezwaar.

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet
Werkloosheidswet 24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Opleidingen Legal 2013/12
USZ 2013/168
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/4247 WW-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 1 juni 2011, 10/2505 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)

[A. te B.] (betrokkene)

Datum uitspraak: 1 mei 2013

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. G. van Leeuwen een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2013. Namens appellant is A.M.M. Schalkwijk verschenen. Betrokkene is verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene was sinds 1 september 1995 in dienst van (de rechtsvoorganger van) [B.V. 1], laatstelijk als boekhouder. De activiteiten van dat bedrijf zijn per 1 april 2008 overgenomen door [B.V. 2] (per 5 februari 2009 [B.V. 3] genaamd). Betrokkene is vanaf 1 april 2008 ook in dienst van [B.V. 2] Ter wille van de duidelijkheid worden in deze uitspraak de oude en de nieuwe werkgeefster aangeduid bij de namen van de eigenaren van die bedrijven. Voor [B.V. 1]/[B.V. 3] was dat [S.] (hierna [S.]). Voor [B.V. 2] was dat [W.] (hierna [W.] ).

1.2. Betrokkene is op 20 oktober 2009 door [W.] op staande voet ontslagen. In de brief waarin dat ontslag is gegeven is als reden onder andere verduistering genoemd. Verder is gesteld dat het vertrouwen in betrokkene volledig is verstoord, onder meer doordat betrokkene informatie aan [S.] had verstrekt. Daarbij is verwezen naar een bijlage bij die brief waarin de verwijten op een aantal punten nader zijn uitgewerkt en toegelicht.

1.3. Betrokkene heeft in kort geding [W.] gedagvaard en onder meer loondoorbetaling en toelating tot zijn werk gevorderd. Op 10 november 2009 heeft [W.] de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst met betrokkene - voor zover deze niet is geëindigd - met onmiddellijke ingang te ontbinden wegens een dringende reden.

1.4. Bij vonnis van 29 december 2009 heeft de kantonrechter de vorderingen van betrokkene afgewezen. Ter onderbouwing daarvan heeft de kantonrechter verwezen naar de overwegingen in de door hem op dezelfde dag gegeven ontbindingsbeschikking. In die ontbindingsbeschikking heeft de kantonrechter onder meer overwogen dat het betrokkene slechts gedurende een periode van drie maanden na de bedrijfsovername was toegestaan om werkzaamheden voor de oude werkgever te blijven verrichten, hetgeen uiteindelijk is doorgelopen tot september 2008 en dat betrokkene vanaf september 2008 daarmee is doorgegaan ondanks een nadrukkelijk verbod om werkzaamheden voor [S.] te blijven doen. Het had betrokkene naar het oordeel van de kantonrechter duidelijk moeten zijn dat hij geen medewerking mocht verlenen aan de verzoeken van [S.] om bedrijfsinformatie te verstrekken. Met het werken voor [S.] op de computer(s) en in werktijd voor [W.] stond volgens de kantonrechter vast dat hij [W.] schade heeft berokkend. Verder heeft de kantonrechter geoordeeld dat [W.] ook verduistering als een dringende reden aan het verzoek ten grondslag heeft kunnen leggen. Voor het geval dat zal komen vast te staan dat de arbeidsovereenkomst nog bestaat heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst daarom ontbonden met ingang van 30 december 2009.

1.5. Betrokkene heeft op 7 januari 2010 bij appellant een aanvraag om een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) gedaan. Bij besluit van 21 januari 2010 heeft het Uwv de WW-uitkering per 30 december 2009 blijvend geheel geweigerd onder de overweging dat appellant had kunnen weten dat zijn gedrag een dringende reden was voor ontslag. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dat besluit.

2. Bij besluit van 24 juni 2010 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 21 januari 2010 ongegrond verklaard. Appellant heeft onder meer overwogen dat [W.] tijdens de ontbindingsprocedure bij de kantonrechter voldoende aannemelijk heeft kunnen maken dat sprake is van een dringende reden. De dringende reden is onder andere gebleken uit het feit dat betrokkene naast de werkzaamheden voor zijn werkgeefster ook werkzaamheden heeft verricht voor zijn oude werkgeefster. Ook is gebleken dat betrokkene de bedrijfsadministratie van zijn werkgeefster heeft doorgegeven aan [S.]. Daarbij heeft appellant opgemerkt dat er geen aanleiding is te twijfelen aan het onderzoek door en de bevindingen en de uitspraak van de kantonrechter.

3. Betrokkene heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat het Openbaar Ministerie heeft besloten betrokkene niet te vervolgen voor verduistering. Naar het oordeel van de rechtbank is uit het procesdossier naar voren gekomen dat appellant de dupe was geworden van een conflict tussen zijn voormalige werkgeefsters. Verder heeft appellant naar het oordeel van de rechtbank niet kunnen volstaan met te verwijzen naar de beschikking van de kantonrechter van 29 december 2009 waarbij de arbeidsovereenkomst van betrokkene met ingang van 30 december 2009 werd ontbonden, maar had appellant eigen onderzoek moeten doen, temeer nu door de kantonrechter geen afweging was gemaakt tussen de aard en ernst van de dringende reden, de aard van de dienstbetrekking, de duur daarvan, de wijze waarop de dienstbetrekking was vervuld en de persoonlijke omstandigheden van betrokkene. Om die reden heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant de opdracht gegeven om met inachtneming van haar uitspraak een nieuwe beslissing op het bezwaar van betrokkene te nemen.

4.1. De stellingen van appellant in hoger beroep komen erop neer dat de door de kantonrechter vastgestelde feiten blijken uit de producties bij het ontbindingsverzoek die zich in het dossier bevinden en dat deze een ontslag wegens een dringende reden rechtvaardigen. Betrokkene heeft volgens appellant geen twijfel kunnen wekken aan de juistheid en de volledigheid van de vaststelling van de feiten door de kantonrechter. Daarbij heeft appellant erop gewezen dat betrokkene zich beroept op afspraken die niet nader onderbouwd of geconcretiseerd zijn. Appellant is dan ook van mening dat van eigen onderzoek kon worden afgezien, omdat voor de vaststelling van de feiten voldoende steun kon worden gevonden in de stukken bij de ontbindingsprocedure. Appellant heeft erkend dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat een beoordeling van de persoonlijke omstandigheden heeft plaatsgevonden, maar uit het gestelde ter zitting van de rechtbank blijkt dat daar wel een toelichting bij die afweging is gegeven.

4.2. In verweer heeft betrokkene er onder meer op gewezen dat appellant niet over alle stukken uit de procesdossiers bij de kantonrechter beschikte. Verder is er op gewezen dat er door de relatie tussen de oude en de nieuwe werkgeefster van betrokkene sprake was van een complexe situatie en dat appellant daarom niet kon en mocht volstaan met het voetstoots overnemen van het oordeel van de kantonrechter.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Voor de toepasselijke artikelen en het toetsingskader kader wordt verwezen naar de onderdelen 2.10 tot en met 2.13 van de aangevallen uitspraak.

5.2. De arbeidsovereenkomst tussen betrokkene en Westhoff is met het ontslag op staande voet geëindigd. Tegen het vonnis in kort geding van de kantonrechter over de loonvordering heeft betrokkene geen hoger beroep ingesteld. Op verzoek van appellant heeft de toenmalige gemachtigde van betrokkene processtukken ingezonden. Daarmee is nog niet gezegd dat geen verder onderzoek behoeft te worden gedaan. Dat zal in elk geval niet achterwege kunnen blijven, indien voor de vaststelling van de feiten onvoldoende steun wordt gevonden in die stukken dan wel indien de aanvrager door hetgeen hij feitelijk of juridisch tegenover appellant heeft aangevoerd tegen de beslissing van de kantonrechter, redelijkerwijs twijfel wekt aan de juistheid en volledigheid van diens vaststelling van de feiten (zie ook CRvB 21 oktober 2009, LJN BK2128). Zeker in gevallen waarin appellant zich baseert op stukken uit een ontbindingsprocedure is er aanleiding om terughoudendheid te betrachten bij de aanname dat de feiten volledig zijn, nu uit de aard van de ontbindingsprocedure volgt dat de daarin opgenomen gegevens niet uitputtend behoeven te zijn. Die procedure is immers gericht op snelheid, een beperkte wisseling van stukken en - in beginsel - geen verhoor van getuigen. Die terughoudendheid is te meer geboden in een geval als het onderhavige waarin appellant niet over alle stukken uit de procesdossiers van de kantonrechter beschikte. Zo is er, behalve pleitnotities van de gemachtigde van betrokkene, overigens geen informatie over het verhandelde ter zitting van de kantonrechter.

5.3. Betrokkene heeft in zijn bezwaarschrift al melding gemaakt van de financiële problemen tussen [S.] en [W.]. Daarnaast heeft betrokkene erop gewezen dat hij de boekhouding van beide B.V.’s verzorgde en nooit klachten of een waarschuwing van [W.] heeft gekregen. Voorts heeft hij van meet af aan ook de gestelde verduistering betwist. Een en ander rechtvaardigde nader onderzoek naar de achtergronden van het ontslag op staande voet, nu betrokkene zowel voor [W.] als voor [S.] werkzaam was en niet kon worden uitgesloten dat de verslechterde verstandhouding tussen hen bij het gegeven ontslag op staande voet een rol heeft gespeeld. Het oordeel van de rechtbank dat appellant nader onderzoek had moeten doen, wordt dan ook onderschreven.

5.4. In beroep heeft betrokkene onder meer verklaringen ingebracht van [S.] en van [P.] ([P.]), de fiscaal-juridisch adviseur die betrokken is geweest bij de overdracht van de bedrijfsactiviteiten van [S.] aan [W.]. Die verklaringen werpen een ander licht op de gebeurtenissen die hebben geleid tot het ontslag op staande voet en op de verhouding die bestond tussen betrokkene en [S.] en [W.]. Verder is ook in beroep gebleken dat het Openbaar Ministerie heeft besloten om af te zien van vervolging van betrokkene, omdat er onvoldoende of niet overtuigend bewijs is. Appellant heeft na kennisneming van deze stukken ter zitting van de rechtbank staande gehouden over voldoende informatie te beschikken en er van uit te gaan dat nader onderzoek geen nieuwe feiten zal opleveren. Ook ter zitting van de Raad heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat de al ingebrachte stukken voldoende grondslag bieden voor het oordeel dat aan het ontslag van appellant een dringende reden ten grondslag ligt en dat een nader onderzoek niet nodig is. Desgevraagd heeft appellant nog gepreciseerd dat verduistering niet langer als grondslag wordt gehandhaafd voor de gestelde dringende reden en dat de dringende reden is gelegen in het blijven verrichten van werkzaamheden voor [S.] na december 2008 en in het verstrekken van bedrijfsinformatie aan [S.] door betrokkene. Gelet hierop zal de beoordeling of laatstgenoemde gedragingen een dringende reden opleveren daarom thans plaatsvinden aan de hand van alle bij de Raad ingebrachte stukken. In dit verband is het volgende van belang.

5.5. Uit een tussen [S.] en [W.] op 1 april 2008 gesloten overeenkomst blijkt dat gedurende drie maanden na de overdracht de administratie van [S.] nog op het adres van [W.] zal worden gedaan. Het ging daarbij om boekhoudwerkzaamheden die werden verricht door betrokkene. Die werkzaamheden zijn ook na afloop van die drie maanden voortgezet. Schriftelijke afspraken hierover ontbreken. Betrokkene heeft ter zitting verklaard dat die voortzetting stilzwijgend heeft plaatsgevonden. Betrokkene heeft uitdrukkelijk ontkend dat [W.] hem in september 2008 heeft opgedragen dat hij zijn werkzaamheden voor [S.] moest staken. Dat betrokkene later er op is aangesproken dat hij zijn werkzaamheden voor [S.] moest beëindigen, volgt niet uit een e-mail van [W.] van 6 mei 2009 aan [P.] (gedingstuk B3.1) en ook niet uit de overige gedingstukken.

5.6. Op grond van de gedingstukken kan evenmin worden geconcludeerd dat het betrokkene duidelijk had moeten zijn dat hij bedrijfsinformatie van [W.] niet aan [S.] mocht verstrekken. Uit een bij de rechtbank ingebrachte verklaring van [S.] volgt dat deze een achtergestelde lening van € 300.000,- had verstrekt aan [W.] en dat [S.] in verband daarmee op de hoogte zou blijven van de volledige financiële situatie van het bedrijf van [W.]. Daarnaast zou [S.] nog een aantal lopende werkzaamheden van zijn oude bedrijf afronden en zou met [W.] daarover een verrekening worden afgesproken. Verder blijkt uit de overeenkomst van 1 april 2008 tussen [S.] en [W.] dat [S.] gedurende 28 uur per week als adviseur aan het bedrijf van [W.] verbonden zou zijn. Uit de verklaring en de daarbij gevoegde stukken van [P.] blijkt dat sprake was van onduidelijke financiële vervlechtingen tussen de activiteiten van [W.] en [S.] en dat betrokkene is ingeschakeld, onder meer om helderheid over die vervlechtingen en verrekeningen te verkrijgen. De verklaring van betrokkene over zijn activiteiten voor [S.] en de geoorloofdheid daarvan zijn, gelet daarop, niet ongeloofwaardig. Daarmee is tevens gegeven dat daarin geen dringende reden was gelegen om het dienstverband met betrokkene te beëindigen. Dat betrokkene in de werktijd van [W.] mede werkzaamheden voor [S.] verrichtte is in dat verband evenmin een dringende reden. Ter zitting heeft betrokkene verklaard dat hij voor beide B.V.’s 50 tot 60 uur per week werkzaamheden heeft verricht zonder overuren te schrijven.

5.7. Uit 5.4 tot en met 5.6 volgt dat op grond van de thans beschikbare gegevens niet kan worden geoordeeld dat aan de werkloosheid van betrokkene een dringende reden ten grondslag ligt. Appellant heeft dus ten onrechte de uitkering op grond van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW geweigerd.

5.8. Ter zitting is vastgesteld dat, anders dan waar het bestreden besluit vanuit gaat, de eerste werkloosheidsdag 20 oktober 2009 dient te zijn. Op die datum heeft appellant immers zijn arbeidsuren en het recht op loondoorbetaling over die uren verloren, terwijl hij per die datum beschikbaar was om arbeid te aanvaarden. Ook in zoverre is het bestreden besluit onjuist.

5.9. De stukken bieden de Raad onvoldoende aanknopingspunten om de hoogte en duur van de WW-uitkering vast te stellen. Er is aanleiding om met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet appellant op te dragen een nieuw besluit op het bezwaar tegen het besluit van 21 januari 2010 te nemen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt appellant op binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken in het besluit van 24 juni 2010 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2013.

(getekend) G.A.J. van den Hurk

(getekend) H.J. Dekker