Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8857

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-04-2013
Datum publicatie
01-05-2013
Zaaknummer
12-2718 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag Wajong-uitkering, omdat appellante geen duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had.

Raad: De Rb. heeft terecht geoordeeld dat appellante op haar zeventiende geen duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had. Appellante heeft een groot aantal jaren in Ghana gewoond en zij woonde daar ook toen ze zeventien werd. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij altijd de wil heeft gehad om naar Nederland terug te keren. Hierbij is van belang dat appellante haar sociale leven in Ghana had. Zij woonde bij haar tante, heeft daar een opleiding genoten en haar zoon verbleef daar. Weliswaar woonden in Nederland haar halfzus die de voogdij over appellante had en andere halfbroers en halfzussen, maar daarmee was zij, zoals zij heeft aangegeven, gebrouilleerd. Appellante heeft niet kunnen aantonen dat zij in de tijd dat zij in Ghana verbleef contact heeft gehouden met haar familie in Nederland of met instanties in Nederland. Evenmin heeft zij aangetoond dat zij inspanningen heeft verricht om naar Nederland te komen, dat zij vanuit Nederland financieel werd onderhouden of dat zij verzekerd was voor ziektekosten. Hieraan wordt toegevoegd dat appellante, nadat zij achttien jaar werd, nog twee jaar in Ghana heeft verbleven. Hieruit blijkt ook niet de sterke wil om naar Nederland te komen. Dit alles in onderlinge samenhang overziende leidt tot het oordeel dat appellante op haar zeventiende geen duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/2718 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 april 2012, 11/1003 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. T.A. Vetter, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 september 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Vetter. Voor het Uwv is verschenen A. Anandbahadoer.

Het onderzoek ter zitting is geschorst.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 1 februari 2013. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Vetter. Voor het Uwv is verschenen mr. J. Koning.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 26 januari 2010 heeft het Uwv na een eerdere procedure de aanvraag voor een Wajong-uitkering (opnieuw) afgewezen.

1.2. Bij besluit van 7 maart 2011 (bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Hiertoe is - kort samengevat - overwogen dat appellante [in] 1999 (de dag dat zij zeventien jaar werd) geen duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had. Ze voldoet derhalve niet aan de in artikel 5 van de Wajong neergelegde eis dat voor toegang tot de Wajong er sprake dient te zijn van ingezetenschap op het zeventiende jaar zodat aan de toepassing van artikel 10 van de Wajong en de daarmee samenhangende beleidsregels niet wordt toegekomen.

3. In hoger beroep heeft appellante naar voren gebracht dat zij op haar zeventiende een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had.

4.1. De Raad gaat uit van de volgende - niet weersproken - gegevens.

4.2. Appellante is [in] 1982 geboren in Ghana. Zij heeft de Nederlandse nationaliteit. [in]r 1999 werd ze zeventien jaar. Zij is in 1987 met haar moeder naar Nederland gekomen. In 1988 is haar moeder overleden en een halfzus van appellante heeft de voogdij over haar gekregen. Appellante is bij haar halfzus in Nederland gaan wonen. Van januari 1994 tot januari 1998 heeft ze in Ghana gewoond bij haar oma en tante. Van januari 1998 tot december 1998 heeft ze in Nederland gewoond en vervolgens is ze tot januari 2003 in Ghana geweest. Zij heeft in 2001 in Ghana een zoon gekregen. In januari 2003 is zij zonder haar zoon naar Nederland gekomen. In 2007 is ook haar zoon naar Nederland gekomen. Zij heeft altijd ingeschreven gestaan in de Gemeentelijke Basisadministratie.

4.3. De Raad overweegt dat rechtbank terecht heeft geoordeeld dat appellante op haar zeventiende geen duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had. Appellante heeft een groot aantal jaren in Ghana gewoond en zij woonde daar ook toen ze zeventien werd. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij altijd de wil heeft gehad om naar Nederland terug te keren. Hierbij is van belang dat appellante haar sociale leven in Ghana had. Zij woonde bij haar tante, heeft daar een opleiding genoten en haar zoon verbleef daar. Weliswaar woonden in Nederland haar halfzus die de voogdij over appellante had en andere halfbroers en halfzussen, maar daarmee was zij, zoals zij heeft aangegeven, gebrouilleerd. Appellante heeft niet kunnen aantonen dat zij in de tijd dat zij in Ghana verbleef contact heeft gehouden met haar familie in Nederland of met instanties in Nederland. Evenmin heeft zij aangetoond dat zij inspanningen heeft verricht om naar Nederland te komen, dat zij vanuit Nederland financieel werd onderhouden of dat zij verzekerd was voor ziektekosten. Hieraan wordt toegevoegd dat appellante, nadat zij achttien jaar werd, nog twee jaar in Ghana heeft verbleven. Hieruit blijkt ook niet de sterke wil om naar Nederland te komen. Dit alles in onderlinge samenhang overziende leidt tot het oordeel dat appellante op haar zeventiende geen duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had.

5. Uit hetgeen is overwogen in 4.2 en 4.3 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen als voorzitter en K. Wentholt en D.J. van der Vos als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 april 2013.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) I.J. Penning

JL