Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8854

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-04-2013
Datum publicatie
01-05-2013
Zaaknummer
11-1938 Wajong
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Anticumulatie. Verlaging van de Wajong-uitkering in de maanden oktober 2009, december 2009 en voor de periode vanaf 1 januari 2010. Terugvordering Wajong-uitkering. Geen dringende redenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/1938 Wajong

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 10 maart 2011, 10/2721 + 10/2722 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G.B.A. Bol hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 februari 2013. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Voor het Uwv is verschenen M.M.J.E. Budel.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante heeft sinds 1993 een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) en is sinds 1996 werkzaam als klasse-assistente voor twintig uur per maand. Per 1 augustus 2001 is het arbeidsongeschiktheidspercentage vastgesteld in de klasse 35-45%. Omdat ze in 2006 een tijdelijke uitbreiding van haar functie heeft gekregen, wordt haar bij besluit van 18 augustus 2009 verzocht salarisstroken vanaf augustus 2006 toe te zenden, hetwelk appellante doet.

1.2. Bij besluit van 15 februari 2010 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat de uitbetaling van haar uitkering op grond van de Wajong, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35-45%, vanwege inkomsten uit arbeid wordt gewijzigd. Over de maanden december 2006, december 2007 en december 2008 wordt de betaling op nihil gesteld en over de maanden oktober 2006, april 2008 en oktober 2008 wordt de uitkering uitbetaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35%.

1.3. Bij drie afzonderlijke besluiten van 22 februari 2010 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat de uitbetaling van haar Wajong-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35-45% over de maanden oktober 2009, december 2009 en vanaf januari 2010 vanwege inkomsten uit arbeid wordt gewijzigd. Over de maand oktober 2009 wordt de uitbetaling gewijzigd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35%. Over de maand december 2009 wordt de betaling op nihil gesteld en vanaf januari 2010 wordt de uitkering uitbetaald naar een klasse van 25-35%.

1.4. Bij besluit van eveneens 22 februari 2010 is aan appellante meegedeeld dat zij over de periode van 1 oktober 2006 tot en met 28 februari 2010 teveel uitkering heeft ontvangen en dat een bedrag van bruto € 2.184,14 wordt teruggevorderd.

1.5. Bij besluit van 23 juni 2010 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 15 februari 2010 niet-ontvankelijk verklaard wegens niet verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn en de bezwaren tegen de vier besluiten van 22 februari 2010 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - voor zover relevant - het beroep tegen het besluit van 23 juni 2010 ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat het bezwaar tegen het besluit van 15 februari 2010 terecht niet-ontvankelijk is verklaard. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat de bezwaren tegen de vier besluiten van 22 juni 2010 terecht ongegrond zijn verklaard en heeft hiertoe overwogen dat het appellante redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat haar teveel uitkering werd verstrekt. De rechtbank heeft verwezen naar artikel 3:48 van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong).

3.1. Appellante betwist in hoger beroep de ongegrondverklaring van haar beroep tegen het besluit van 23 juni 2010, voor zover daarmee haar bezwaren tegen de besluiten van

22 februari 2010 ongegrond zijn verklaard. Hiermee beperkt de omvang van het geding zich tot de verlaagde uitbetaling van de Wajonguitkering in de maanden oktober 2009, december 2009 en voor de periode vanaf 1 januari 2010 en tot het besluit van het Uwv tot terugvordering van een bedrag van € 2.184,14 over te gaan.

3.2. Tussen partijen is niet in geschil dat appellante in de periode in geding inkomsten heeft genoten in de omvang zoals door het Uwv is vastgesteld. Evenmin is in geschil dat, uitgaande van deze inkomsten, de mate van arbeidsongeschiktheid door het Uwv juist is berekend. Appellante stelt dat het Uwv niet met terugwerkende kracht toepassing had mogen geven aan de anticumulatiebepaling, neergelegd in artikel 50, eerste lid, van de Wajong omdat haar, zoals het Uwv ook erkent, geen verwijt valt te maken dat ze teveel uitkering heeft gekregen.

3.3. Het Uwv stelt dat hij ingevolge de Wet Wajong verplicht is ook met terugwerkende kracht tot anticumulatie over te gaan. Appellante had redelijkerwijs kunnen weten dat ze door haar extra inkomsten, zoals een eindejaarsuitkering, teveel Wajonguitkering kreeg.

4. De Raad overweegt het volgende.

5.1. Blijkens het bestreden besluit van 23 juni 2010 heeft het Uwv de inkomsten van appellante verrekend met toepassing van artikel 50, eerste lid, van de Wajong en gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid tot terugvordering ingevolge artikel 55 van de Wajong. Omdat appellante reeds voor 1 januari 2010 een Wajong-uitkering genoot, is dit de juiste wettelijke grondslag. De rechtbank heeft ten onrechte artikel 3:48 van de Wet Wajong, zoals deze luidt na 1 januari 2010, van toepassing geacht. Nu deze anticumulatiebepaling inhoudelijk niet is gewijzigd en daarmee evenmin het toetsingskader voor de beoordeling, leidt dit niet tot vernietiging van de uitspraak.

5.2. Indien een jonggehandicapte inkomsten uit arbeid geniet, dient het Uwv, ingevolge artikel 50, eerste lid, van de Wajong, deze inkomsten te betrekken bij de betaling van de uitkering. Gedurende een termijn van vijf jaar wordt niet tot herziening overgegaan maar is het Uwv gehouden om de uitkering niet te betalen voor zover de inkomsten uit arbeid zodanig zijn dat, indien hiermee bij de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage rekening zou worden gehouden, dit tot een lagere arbeidsongeschiktheidsklasse zou leiden. Deze anticumulatiebepaling kan met terugwerkende kracht worden toegepast, tenzij dit in strijd komt met het rechtszekerheidsbeginsel of een ander algemeen rechtsbeginsel. Algemene gedragslijn van het Uwv is om van toepassing van deze wetsbepaling af te zien in gevallen waarin het de verzekerde niet redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat te veel aan uitkering wordt ontvangen. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 9 september 2011, LJN BS1117) moet deze door het Uwv bestendig gehanteerde gedragslijn op één lijn worden gesteld met een buitenwettelijke begunstigend beleid, dat naar vaste rechtspraak door de bestuursrechter terughoudend dient te worden getoetst. Dit houdt in dat de aanwezigheid en de toepassing van dat beleid als een gegeven wordt beschouwd met dien verstande dat wordt getoetst of een zodanig beleid op consistente wijze is toegepast.

5.3. Appellante stelt dat ze in januari 2006 door haar direct leidinggevende gevraagd werd om extra te werken. Volgens appellante heeft ze overleg gehad met het Uwv en is door het Uwv gezegd dat deze werktijduitbreiding geen consequenties zou hebben voor haar uitkering. Wat van deze stelling zij - appellante weet niet meer met wie ze heeft gesproken -, uit het enkele feit dat appellante het Uwv heeft gevraagd naar de consequenties voor haar uitkering blijkt reeds dat appellante wist dat extra inkomsten kunnen leiden tot een lagere (betaling van de) uitkering. Blijkens de gegevens van Suwinet ontving appellante in oktober 2009 een ‘extra periode salaris’ van € 124,10 en in december 2009 van € 1.218,62. Ook in 2010 ontving appellante een dertiende maand; vanaf 2010 spreidt het Uwv deze verdiensten over het gehele jaar omdat de dertiende maand inmiddels een vast bestanddeel van de salariëring van appellante is en dan verdeeld dient te worden over alle maanden van het jaar. Dit acht de Raad een juiste handelwijze. Dat het ontvangen van extra salaris ertoe heeft geleid dat haar uitkering tot een te hoog bedrag is uitbetaald, had appellante redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn. Het Uwv heeft in overeenstemming met zijn bestendige gedragslijn aan de toepassing van artikel 50, eerste lid, van de Wajong, dan ook terugwerkende kracht kunnen verlenen.

5.4. Niet is gebleken van een dringende reden in verband waarmee het Uwv van terugvordering had dienen af te zien.

6. Uit hetgeen onder 5.1 tot en met 5.4 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen als voorzitter en D.J. van der Vos en K. Wentholt als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 april 2013.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) I.J. Penning

ew