Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8847

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-04-2013
Datum publicatie
01-05-2013
Zaaknummer
11-5463 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op een WIA-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/5463 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 augustus 2011, 11/585 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. Wolter, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2013. Voor appellant is verschenen mr. Wolter. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sluijs.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is werkzaam geweest als inpakker bloemen voor 20 uur per week. Op 31 maart 2006 is hij uitgevallen met klachten aan de linkerschouder, migraine en een hernia. Het Uwv heeft appellant na afloop van de wachttijd van 104 weken per 27 maart 2008 minder dan 35% arbeidsongeschikt geacht. Voor appellant is derhalve geen recht ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

1.2. Met ingang van 15 september 2008 heeft appellant zich vanuit de situatie dat hij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving, toegenomen arbeidsongeschikt gemeld, nu hij met psychische klachten kampt naast de nog steeds bestaande lichamelijke klachten. Bij besluit van 14 mei 2009 heeft het Uwv appellant geweigerd met ingang van 15 september 2008 in aanmerking te brengen voor een WIA-uitkering, aangezien er geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid uit dezelfde ziekteoorzaak. Met betrekking tot de psychische klachten is op 15 september 2008 een nieuwe wachttijd van 104 weken aangevangen. Appellant heeft dit besluit niet aangevochten.

1.3. Bij besluit van 7 september 2010 heeft het Uwv bepaald dat er voor appellant per 13 september 2010 geen recht op een WIA-uitkering is ontstaan omdat appellant op die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Bij besluit van 22 december 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 7 september 2010 ingestelde bezwaar ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank - kort samengevat - overwogen dat zowel de medische als de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit deugdelijk is.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij, gelet op de combinatie van zijn lichamelijke en geestelijke gezondheidsproblemen en de daaruit voortvloeiende beperkingen op en na de datum in geding, 13 september 2010, na afloop van de wachttijd waarin hij volledig arbeidsongeschikt werd geacht, nog onvoldoende hersteld was en derhalve nog niet in staat was tot het duurzaam verrichten van arbeid, als vereist in de geselecteerde fulltime voorbeeldfuncties. Hij stelt zich op het standpunt dat er aanleiding bestaat voor het toepassen van een urenbeperking. Met betrekking tot de arbeidskundige kant van de beoordeling heeft appellant gesteld dat zijn gebrekkige kennis van de Nederlandse taal in de weg staat aan het vervullen van de functies Medewerker operations A, Productiemedewerker industrie en Inpakster koekjes.

4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2. De rechtbank heeft de door appellant ingediende beroepsgronden, die nagenoeg overeenkomen met de gronden zoals in hoger beroep aangevoerd, op juiste wijze in de aangevallen uitspraak weergegeven. De rechtbank heeft deze gronden beoordeeld en gemotiveerd waarom deze gronden niet slagen. Die overwegingen zijn juist.

4.3. Aan het enkele feit dat appellant in vijf jaar tijd tweemaal de wachttijd van 104 weken heeft doorlopen, komt niet die betekenis toe die appellant daaraan kennelijk gehecht wil zien. Aan deze perioden ligt namelijk een verschillende ziekteoorzaak ten grondslag. Voorts dient te worden opgemerkt dat tijdens de wachttijd de geschiktheid voor het eigen werk wordt beoordeeld, terwijl het in het kader van een Wet WIA-beoordeling gaat om de geschiktheid voor het verrichten van gangbare arbeid.

4.4. De beroepsgrond dat de beheersing van de Nederlandse taal van appellant niet toereikend is om te voldoen aan de in 3 genoemde functies gestelde eisen aan communiceren in de Nederlandse taal, slaagt niet. Zoals door de Raad reeds vele malen eerder is uitgesproken, onder meer in de uitspraak van 13 juli 2012, BX1509, kan ook iemand met een beperkte

lees- en taalvaardigheid in de Nederlandse taal doorgaans in staat worden geacht eenvoudige productiematige functies, zoals hier aan de orde, te vervullen. Daarbij mag niet uit het oog worden verloren dat appellant al vanaf 1988 in Nederland woont en vele jaren op de Nederlandse arbeidsmarkt werkzaam is geweest.

4.5. Uit hetgeen is overwogen in 4.2 tot en met 4.4. volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van D. Heeremans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 april 2013.

(getekend) T. Hoogenboom

(getekend) D. Heeremans

JL