Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8808

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-04-2013
Datum publicatie
26-04-2013
Zaaknummer
11-1424 INBURG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het college heeft bepaald dat appellante het inburgeringsexamen moet behalen. Appellante heeft meegedeeld dat zij ziek is. De arts van de GGD is van mening dat appellante op medische gronden in staat wordt geacht binnen een termijn van vijf jaar het inburgeringsexamen te behalen.

Raad: Evenals de Rb. is de Raad van oordeel dat de medische situatie van appellante onvoldoende grondslag vormt voor het verkrijgen van een ontheffing van de inburgeringsverplichting. Uit de door appellante overgelegde medische gegevens blijkt niet dat appellante door psychische of lichamelijke belemmering of een verstandelijke handicap niet in staat zou zijn om zich voor te bereiden op het inburgeringsexamen, dan wel dat zij niet in staat zou zijn om dat examen te behalen binnen een termijn van vijf jaar. De omstandigheid dat appellante zich heeft ingespannen om het inburgeringsonderwijs te volgen zonder dat dit tot nu toe heeft geleid tot het slagen voor het examen, vormt geen grond voor het verlenen van een ontheffing als bedoeld in art. 6, lid 1 van de Wi, zoals dit artikel luidde tot 1 januari 2013.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/1424 INBURG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 19 januari 2011, 10/6947 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer (college)

Datum uitspraak 17 april 2013.

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2013. Appellante is verschenen, vergezeld door haar echtgenoot [naam echtgenoot]. Het college heeft zich, na bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.2. Appellante heeft de Irakese nationaliteit. Zij is ongeveer zeven jaar geleden vanuit Irak naar Nederland gekomen. Bij besluit van 11 augustus 2009 heeft het college bepaald dat appellante voor 11 augustus 2014 het inburgeringsexamen moet behalen.

1.3. Bij brief van 7 mei 2010 heeft appellante aan het college meegedeeld dat zij ziek is. Naar aanleiding hiervan heeft de arts E. Th. Kuyken, werkzaam bij de GGD Zuid-Holland West, het college bij rapport van 15 juni 2010 als zijn opvatting te kennen gegeven dat appellante op medische gronden wel in staat wordt geacht binnen een termijn van vijf jaar het inburgeringsexamen te behalen.

1.4. Bij besluit van 28 juli 2010 heeft het college geweigerd appellante te ontheffen van de inburgeringsplicht.

1.5. Naar aanleiding van het bezwaar van appellante dat zij een maagaandoening, dikke darmontsteking, een polsbreuk en astma heeft, heeft Kuyken het college op 26 augustus 2010 nader geadviseerd.

1.6. Bij besluit van 30 september 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 28 juli 2010 ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellante, ondanks haar medische klachten, op basis van de advisering van de GGD in staat moet worden geacht binnen vijf jaar het inburgeringsexamen te behalen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij, samengevat, geoordeeld dat het college het advies van de GGD heeft kunnen volgen en heeft kunnen concluderen dat appellante in staat moet worden geacht binnen vijf jaar het inburgeringsexamen te behalen.

3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij ziek is en heeft daartoe medische gegevens overgelegd. Ter zitting van de Raad heeft appellante nader toegelicht dat zij het inburgeringsonderwijs wel heeft gevolgd, maar dat zij niet is geslaagd voor de door haar in oktober 2011 en juni 2012 afgelegde praktijkexamens inburgering.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet op de inburgering (Wi), zoals dit artikel luidde tot 1 januari 2013, ontheft het college de inburgeringsplichtige van de inburgeringsplicht, indien die inburgeringsplichtige heeft aangetoond door een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap, blijvend niet in staat te zijn het inburgeringsexamen te behalen.

4.2. Op grond van artikel 2.8, vierde lid, van het Besluit inburgering kan de ontheffing worden verleend indien redelijkerwijs verwacht mag worden dat de aard en de ernst van de psychische of lichamelijke belemmering dan wel verstandelijke handicap zodanig zijn dat het inburgeringsexamen niet binnen vijf jaar na de aanvraag van de ontheffing kan worden behaald.

4.3. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de medische situatie van appellante onvoldoende grondslag vormt voor het verkrijgen van een ontheffing van de inburgeringsverplichting. Uit de in hoger beroep door appellante overgelegde medische gegevens blijkt niet dat appellante door psychische of lichamelijke belemmering of een verstandelijke handicap niet in staat zou zijn om zich voor te bereiden op het inburgeringsexamen, dan wel dat zij niet in staat zou zijn om dat examen te behalen binnen een termijn van vijf jaar. De omstandigheid dat appellante zich heeft ingespannen om het inburgeringsonderwijs te volgen zonder dat dit tot nu toe heeft geleid tot het slagen voor het examen, vormt geen grond voor het verlenen van een ontheffing als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wi, zoals dit artikel luidde tot 1 januari 2013.

4.4. Uit 4.3 volgt dat het college appellante terecht niet heeft ontheven van de inburgeringsplicht. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.T. Berkel-Kikkert als voorzitter en J. Brand en M.F. Wagner als leden, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 april 2013.

(getekend) G.M.T. Berkel-Kikkert

(getekend) P.J.M. Crombach

TM