Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8792

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-04-2013
Datum publicatie
26-04-2013
Zaaknummer
11/962 WIA + 11/963 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitspraak 1: Afwijzing aanvraag om een uitkering ingevolge de Wet WIA. Voldoende medische grondslag. Niet is gebleken van onjuistheden in de berekening van het Uwv van de mate van arbeidsongeschiktheid en is deze terecht bepaald op 27,3%. Uitspraak 2: Geen recht op uitkering op grond van de Wet WIA Er is geen sprake van toegenomen beperkingen.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 43a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2013/192
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/962 WIA, 11/963 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van

28 december 2010, 10/244 (aangevallen uitspraak 1) en 10/3991 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[A. te B.] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 12 april 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. Nijssen, advocaat, tegen beide uitspraken hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft in beide gedingen een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd plaatsgevonden op 7 december 2012, waar partijen - met bericht van verhindering - niet zijn verschenen.

OVERWEGINGEN

1. Appellante, voorheen werkzaam geweest als schoonmaakster, heeft zich vanuit een situatie dat zij uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) ontving met ingang van 1 oktober 2007 ziek gemeld met lage rugklachten, linker schouderklachten, hoofd- en aangezichtpijn. In verband met een aanvraag om uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft op 2 juli 2009 een medisch onderzoek plaatsgevonden waarbij de beperkingen van appellante zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Op basis hiervan heeft de arbeidsdeskundige appellante geschikt bevonden voor een aantal passende functies. De mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 27%. Bij besluit van 7 september 2009 heeft het Uwv de aanvraag om een uitkering ingevolge de Wet WIA afgewezen, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid per

28 september 2009 is vastgesteld op minder dan 35%.

2. In het tegen het besluit van 7 september 2009 ingediende bezwaar heeft appellante aangevoerd dat zij meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen. Ter onderbouwing van dat standpunt heeft appellante onder meer verklaringen van de huisarts van 28 juni 2006 en van de behandelende neuroloog, P. Verlooy, van 4 september 2009 overgelegd en inzage verleend met betrekking tot de MRI-foto’s die in het rapport van de neuroloog zijn beschreven. Nadat de bezwaarverzekeringsarts de FML op 16 november 2009 heeft aangepast, waarbij enkele beperkingen zijn vervallen en een nieuwe beperking is toegevoegd, heeft de bezwaararbeidsdeskundige de gevolgen daarvan beoordeeld en de mate van arbeidsongeschiktheid bepaald op 34,5%. Bij besluit van 9 december 2009 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.

3. In beroep tegen bestreden besluit 1 heeft appellante aangevoerd dat onvoldoende acht is geslagen op de bevindingen uit het MRI-onderzoek en dat er een tumor is gevonden waarvoor een operatie moet plaatsvinden. Verder heeft appellante een brief van maag-, darm- en leverarts N.A.M. van Ooteghem van 26 januari 2010 overgelegd. Ten aanzien van de voorgehouden functies heeft appellante de medische geschiktheid ervan bestreden en voorts aangevoerd dat zij niet beschikt over het voor een van de voorgehouden functies vereiste opleidingsniveau (mbo). De bezwaararbeidsdeskundige heeft op 29 maart 2010 hierop gereageerd.

4. Op 29 januari 2010 heeft appellante zich toegenomen arbeidsongeschikt gemeld, in verband met toegenomen klachten. Appellante heeft in dat verband onder meer een brief ingezonden van radioloog C. de Vries van 16 maart 2010. Na een medisch onderzoek op 19 maart 2010 heeft de verzekeringsarts overwogen dat geen sprake is van objectiveerbaar toegenomen beperkingen en de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 16 november 2009, welke ten grondslag heeft gelegen aan bestreden besluit 1, afgezien van een actualisering, ongewijzigd van toepassing geacht. Na een arbeidskundige beoordeling heeft het Uwv bij besluit van 7 april 2010 vastgesteld dat voor appellante per

28 september 2009 en 16 november 2009 (datum van het medisch onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts) geen recht op uitkering ingevolge de Wet WIA is ontstaan.

5. In bezwaar heeft appellante de juistheid van de medische en arbeidskundige grondslag van het besluit van 7 april 2010 bestreden. Appellante heeft aangevoerd dat de beoordeling door het Uwv in strijd is met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Voorts heeft appellante de berekening van het maatmanloon onjuist geacht. De bezwaarverzekeringsarts heeft de beoordeling door de verzekeringsarts na kennisneming van informatie van de maag-, darm- en leverarts M. Kara van 14 juni 2010 bevestigd. Nadat ook de bezwaararbeidsdeskundige de primaire beoordeling heeft onderschreven is het bezwaar bij besluit van 16 juli 2010 (bestreden besluit 2) ongegrond verklaard met de aanvulling dat het in deze beoordeling gaat om de datum 16 november 2009.

6. In beroep tegen bestreden besluit 2 heeft appellante onder meer aangevoerd dat het Uwv onvoldoende is ingegaan op de arbeidskundige grond met betrekking tot de berekening van het maatmanloon. Verder heeft appellante in beide gedingen een uitslag van een radiologisch onderzoek van 28 juni 2010 overgelegd, waarin de bezwaarverzekeringsarts blijkens zijn rapport van 25 november 2010 geen aanleiding heeft gezien het ingenomen standpunt te herzien.

7. Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts de bevindingen uit de MRI-scan heeft meegewogen bij zijn beoordeling en heeft vastgesteld dat de uitslagen een bevestiging inhouden van de reeds bekende afwijkingen. Wat betreft de mogelijke tumor heeft de rechtbank geoordeeld, dat het Uwv rekening heeft gehouden met de gedurende langere tijd bestaande buikklachten, door een beperking aan de nemen voor drukverhogende activiteiten. De rechtbank ziet geen reden om aan de juistheid van de medische grondslag van bestreden besluit 1 te twijfelen. Ook de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank onderschreven. In dat verband heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv afdoende heeft toegelicht op grond waarvan appellante in staat is geacht tot het vervullen van de haar voorgehouden functies. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat appellante gezien haar vooropleiding voldoet aan het voor één van de voorgehouden functies vereiste opleidingsniveau van vmbo.

8. Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft de medische beoordeling door het Uwv onderschreven en ziet in hetgeen door appellante is aangevoerd geen reden om de beoordeling door het Uwv voor onjuist te houden.

9. In hoger beroep tegen de aangevallen uitspraken 1 en 2 heeft appellante de gronden van het bezwaar en beroep in essentie herhaald. Op 26 november 2012 heeft appellante nadere gronden ingediend met betrekking tot de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid.

10.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

10.2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak 1 met juistheid de beoordeling door het Uwv per 28 september 2009 onderschreven. Zo heeft de rechtbank op goede gronden de vastgestelde beperkingen per datum einde wachttijd onderschreven en heeft de rechtbank in de door appellante ingebrachte informatie van de behandelende sector terecht geen aanleiding gezien de vastgestelde beperkingen van appellante niet juist te achten. De Raad kan zich met de gebruikte overweging volledig verenigen en maakt deze tot de zijne. In hoger beroep heeft appellante geen nadere informatie in geding gebracht die aanleiding geeft hierover anders te oordelen. Verder is niet gebleken van onjuistheden in de berekening van het Uwv van de mate van arbeidsongeschiktheid en is deze terecht bepaald op 27,3%.

10.3. Ten aanzien van de aangevallen uitspraak 2 is tussen partijen in het bijzonder in geschil of het Uwv terecht heeft vastgesteld dat voor appellante geen recht op uitkering op grond van de Wet WIA is ontstaan, omdat geen sprake is van toegenomen beperkingen. Appellante heeft geen stukken in geding gebracht waaruit blijkt dat de medische situatie per 16 november 2009 is gewijzigd ten opzichte van die per 28 september 2009. Er is dan ook geen sprake van toegenomen beperkingen bij appellante per 16 november 2009. De rechtbank heeft dan ook op goede gronden de medische grondslag van het bestreden besluit onderschreven.

10.4. Wat betreft de arbeidskundige grondslag van bestreden besluit 2 wordt overwogen, dat de beoordeling van de gestelde toename van de arbeidsongeschiktheid is gebaseerd op artikel 55, eerste lid, onder b, van de Wet WIA. In zijn rechtspraak met betrekking tot het daarmee overeenkomstige artikel 43a, eerste lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) heeft de Raad geoordeeld dat die bepaling geen regeling inhoudt van een toename van arbeidsongeschiktheid in algemene zin, doch naar bewoordingen en bedoeling uitsluitend ziet op die situaties waarin sprake is van een toename van de medische beperkingen die ten grondslag hebben gelegen aan de eerdere beoordeling van de aanspraak op uitkering. Indien van een zodanige toename niet kan worden gesproken, wordt aan de beoordeling van de arbeidskundige aspecten niet meer toegekomen. Slechts indien zich zulk een toename wel heeft voorgedaan, dient ter beoordeling of, en zo ja in welke omvang, die toename van beperkingen ook leidt tot een toename van arbeidsongeschiktheid, de arbeidskundige component in ogenschouw te worden genomen.

10.5. Overeenkomstig hetgeen de Raad in zijn uitspraak van 15 maart 2013, LJN BY6237, inzake artikel 57 van de wet WIA heeft overwogen, bestaat er geen aanleiding om ten aanzien van artikel 55, eerste lid, onder b, van de Wet WIA in andere zin te oordelen, waarbij wordt aangetekend dat blijkens de parlementaire geschiedenis van die bepalingen de wetgever heeft beoogd de in de WAO neergelegde zogeheten Amberregeling voort te zetten in de Wet WIA. Daarbij wordt tevens in aanmerking genomen dat de tekst van artikel 55, eerste lid, onder b, van de Wet WIA, geen aanknopingspunten biedt om de op dit punt met betrekking tot artikel 43a van de WAO gevormde rechtspraak niet langer van toepassing te achten.

10.6. Gelet op het overwogene onder 10.4 en 10.5 wordt niet toegekomen aan een beoordeling van de arbeidskundige grondslag van bestreden besluit 2. In het licht van het oordeel over de aard en strekking van artikel 55, eerste lid, onder b, van de Wet WIA, als weergegeven onder 10.4 en 10.5 komt aan de door het Uwv uitgevoerde arbeidskundige beoordeling geen betekenis toe bij de beantwoording van de voorliggende vraag of bestreden besluit 2 in rechte stand kan houden.

10.7. Uit overweging 10.2 tot en met 10.6 vloeit voort dat de aangevallen uitspraken 1 en 2 dienen te worden bevestigd.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken 1 en 2.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en E.E.V. Lenos en F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 april 2013.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) K.E. Haan

TM