Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8612

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-04-2013
Datum publicatie
25-04-2013
Zaaknummer
11-4735 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad heeft in situaties waarin geen sprake was van een afgerond (adequaat) traject in het tweede spoor geoordeeld dat het Uwv terecht had geweigerd de loonsanctie te bekorten. Nu het traject van werknemer in het tweede spoor op het moment van het verzoek om bekorting van de loonsanctie nog niet was afgerond, meent appellant terecht besloten te hebben de loonsanctie niet te bekorten. Appellant heeft de door de Raad in zijn rechtspraak uitgezette lijnen op juiste wijze weergegeven en toegepast op deze zaak. Vernietiging uitspraak. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/4735 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 22 juni 2011, 10/3467 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)

[Betrokkene] te [vestigingsplaats] (betrokkene)

Datum uitspraak 24 april 2013.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. A.C. Cornelisse, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2013. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Roele. Namens betrokkene is mr. Cornelisse verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1. Waar in deze uitspraak wordt gesproken over betrokkene wordt daaronder tevens verstaan haar rechtsvoorgangster [naam B.V.].

1.2. Bij besluit van 4 mei 2009 heeft appellant het tijdvak waarin [naam werknemer] (werknemer) jegens betrokkene als werkgeefster recht heeft op loon tijdens ziekte, verlengd met 52 weken. Die verlenging - ook wel kortweg loonsanctie genoemd - is opgelegd in aansluiting op de afloop van de normale wachttijd van 104 weken en op de grond dat de

re-integratie-inspanningen van betrokkene onvoldoende zijn geweest. Daarbij heeft appellant toepassing gegeven aan artikel 25, negende lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), in verbinding met artikel 65, van de Wet WIA. Appellant heeft aan dit besluit een rapportage van een arbeidsdeskundige van 16 april 2009 ten grondslag gelegd. Bij besluit van 25 september 2009 heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 4 mei 2009 ongegrond verklaard. Appellant heeft aan dit besluit een rapportage van een bezwaararbeidsdeskundige van 21 september 2009 ten grondslag gelegd. Bij uitspraak van 4 oktober 2010 heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het besluit van 25 september 2009 ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft betrokkene geen rechtsmiddelen aangewend.

1.3. Bij besluit van 3 februari 2010 heeft appellant beslist dat de opgelegde loonsanctie niet wordt verkort, op de grond dat de tekortkoming in de re-integratie-inspanningen door betrokkene niet is hersteld. Appellant heeft aan dit besluit een rapportage van een arbeidsdeskundige van 2 februari 2010 ten grondslag gelegd. Bij besluit van 12 juli 2010 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 3 februari 2010 ongegrond verklaard. Appellant heeft aan dit besluit een rapportage van een bezwaararbeidsdeskundige van 9 juli 2010 ten grondslag gelegd.

1.4. In de beroepsfase heeft de bezwaararbeidsdeskundige op 26 oktober 2010 een nadere toelichting gegeven.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het besluit van 3 februari 2010 herroepen, bepaald dat de loonsanctie eindigt op 17 maart 2010 en bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit. De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen.

2.2. Niet in geschil is dat geen van de resultaten is bereikt, zoals genoemd in de rapportage van de arbeidsdeskundige van 16 april 2009. Ook is niet in geschil dat betrokkene voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, nu de arbeidsdeskundige dit in zijn rapportage van 2 februari 2010 expliciet te kennen heeft gegeven. Derhalve hoeft uitsluitend de vraag te worden beantwoord of het enkele feit dat geen van de te verwachten resultaten is bereikt voldoende grondslag biedt om de loonsanctie niet te bekorten. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. De rechtbank verwijst daartoe naar de Beleidsregels beoordelingskader poortwachter (Beleidsregels). In de Beleidsregels is bepaald dat als geen bevredigend resultaat is bereikt, beoordeeld moet worden of de re-integratie-inspanningen van de werkgever voldoende zijn. Zijn deze inspanningen voldoende, dan wordt geen loonsanctie opgelegd. De rechtbank volgt appellant niet in zijn stelling dat de tekortkoming van de werkgever pas hersteld is als een van de te verwachten resultaten is bereikt, nu in de Beleidsregels niet als voorwaarde wordt genoemd dat een resultaat moet zijn bereikt.

2.3. De rechtbank stelt het moment waarop om bekorting van de loonsanctie is verzocht op 29 januari 2010, een datum waarop partijen telefonisch contact hebben gehad. Uitgaande van die datum heeft appellant met het besluit van 3 februari 2010 tijdig op het verzoek beslist, zodat de loonsanctie ingevolge het bepaalde in artikel 25, veertiende lid, van de Wet WIA moet eindigen op 17 maart 2010.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep uiteengezet dat het gelet op het bepaalde in artikel 25, twaalfde lid, van de Wet WIA op de weg van de betrokkene als werkgeefster ligt aan te tonen dat zij haar tekortkomingen heeft hersteld. Dit is het geval wanneer zich één van de situaties voordoet, die de arbeidsdeskundige heeft genoemd in de rapportage van 16 april 2009. Onderscheiden zijn daarbij drie verschillende situaties waarin de werknemer werkt en een vierde situatie waarin een adequaat re-integratietraject naar ander werk bij een andere werkgever is afgerond. Doel van de loonsanctie is de werkgever zoveel mogelijk te stimuleren de werknemer voor het einde van de wachttijd te re-integreren. Bij onvoldoende inspanningen kan een loonsanctie worden opgelegd. Ook dan blijft het zo dat wordt toegewerkt naar een doel, namelijk een bevredigend re-integratieresultaat. Als dit doel niet of niet volledig wordt bereikt, wil dat niet zeggen dat de werkgever daar op wordt afgerekend. Als de werkgever voldoende inspanningen heeft verricht, maar er is geen bevredigend resultaat bereikt door factoren buiten zijn invloedssfeer, dan zal in het algemeen geen loonsanctie worden opgelegd en een eerder opgelegde loonsanctie worden beëindigd. Aldus is, in overeenstemming met hetgeen in artikel 65 van de Wet WIA is bepaald, veeleer sprake van een inspanningsverplichting, dan van een resultaatsverplichting. Het is niet teveel gevraagd dat een werkgever in een voorkomend geval een re-integratietraject in het tweede spoor niet alleen in gang zet, maar dat het ook afrondt. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 18 november 2009 (LJN BK3717) maakt dit nog niet dat sprake is van een resultaatsverplichting. In die uitspraak heeft de Raad overwogen dat de stelling in de rapportage van de arbeidsdeskundige dat geen sprake is van een afgerond traject in het tweede spoor niet inhoudt dat het gaat om een resultaatsverplichting. In uitspraken van 25 mei 2010 (LJN BQ6153) en 17 augustus 2011 (LJN BR5210) heeft de Raad in situaties waarin geen sprake was van een afgerond (adequaat) traject in het tweede spoor geoordeeld dat het Uwv terecht had geweigerd de loonsanctie te bekorten. Nu het traject van werknemer in het tweede spoor op het moment van het verzoek om bekorting van de loonsanctie nog niet was afgerond, meent appellant terecht besloten te hebben de loonsanctie niet te bekorten. Appellant heeft de Raad dan ook verzocht de aangevallen uitspraak te vernietigen.

3.2. Betrokkene heeft te kennen gegeven zich geheel te kunnen vinden in de uitspraak van de rechtbank.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad onderschrijft de uiteenzetting van appellant als weergegeven onder 3.1. Appellant heeft de door de Raad in zijn rechtspraak uitgezette lijnen op juiste wijze weergegeven en toegepast op deze zaak.

4.2. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en het beroep dient alsnog ongegrond te worden verklaard.

5. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 april 2013.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) Z. Karekezi

QH