Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8547

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-04-2013
Datum publicatie
25-04-2013
Zaaknummer
11-6808 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Periode 1: Geen sprake van een gezamenlijke huishouding. Periode 2: Intrekking en herziening bijstand. Gezamenlijke huishouding. Schending inlichtingenverplichting. Appellant zal een nieuwe berekening van het van betrokkene terug te vorderen bedrag over de periode van 16 augustus 2010 tot en met 31 december 2010 moeten maken. Aangezien de opgelegde maatregel afhangt van de hoogte van het terug te vorderen bedrag, zal appellant zich ook daarover opnieuw moeten beraden. Nieuw besluit op bezwaar.

Wetsverwijzingen
Participatiewet 3
Participatiewet 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2013/177
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/6808 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 2 november 2011, 11/1087 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het dagelijks bestuur van het Intergemeentelijk Samenwerkingsverband Werk en Inkomen (appellant)

[A. te B.] (betrokkene)

Datum uitspraak 23 april 2013.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en, op verzoek van de Raad, een nader stuk ingezonden.

Namens betrokkene heeft mr. F.E. van Nisselrooij, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2013. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door J.B.L. Wissink en A.A. Dimmendaal. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Van Nisselrooij.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene en [O.] (O) zijn met elkaar gehuwd geweest. Uit dit huwelijk zijn vier kinderen geboren. Na in januari 1999 kenbaar te hebben gemaakt te willen scheiden van O, ontving betrokkene vanaf 21 februari 1999 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). De rechtbank Zutphen heeft op 8 juli 1999 de echtscheiding tussen betrokkene en O uitgesproken. Op 20 maart 2003 is het vijfde kind van betrokkene en O geboren. Betrokkene staat ten tijde hier van belang in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente [woonplaats] (GBA) al geruime tijd ingeschreven op het adres [uitkeringsadres] te [woonplaats] (uitkeringsadres). O staat vanaf 7 februari 2006 bij zijn moeder ingeschreven in de GBA op het adres [adres 2] te [woonplaats]. O heeft van 15 maart 2010 tot en met 15 augustus 2010 ingevolge de WWB bijstand ontvangen naar de norm voor een alleenstaande en is met ingang van 16 augustus 2010 werkzaam bij het Leerwerkcentrum te Ulft (LWC).

1.2. Naar aanleiding van een bij appellant gerezen vermoeden dat O nog, of weer, verblijft bij betrokkene, heeft een medewerker van Bureau Handhaving van het Intergemeentelijk Samenwerkingsverband Werk en Inkomen (handhavingsmedewerker) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan betrokkene en O verleende bijstand. In dat kader hebben de handhavingsmedewerker, andere medewerkers van Bureau Handhaving en de sociale recherche Twente waarnemingen gedaan bij de woning op het uitkeringsadres. Voorts heeft de handhavingsmedewerker bewoners uit de omgeving van het uitkeringsadres als getuigen gehoord, op 10 december 2010 onderscheidenlijk 18 januari 2011 huisbezoeken afgelegd aan de woningen van betrokkene en O op het uitkeringsadres onderscheidenlijk het adres [adres 2] en betrokkene en O gehoord. De bevindingen en conclusies van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport dat niet is gedateerd (rapport Handhaving).

1.3. De onderzoeksbevindingen zijn voor appellant aanleiding geweest om bij besluit van

24 februari 2011, voor zover van belang:

- de bijstand van betrokkene met ingang van 23 maart 2010 te herzien (lees: in te trekken);

- aan betrokkene en O met ingang van 23 maart 2010 bijstand naar de norm voor gehuwden te verlenen;

- de kosten van de aan betrokkene over de periode van 23 maart 2010 tot en met 31 december 2010 verleende bijstand van haar terug te vorderen en de kosten van de aan O over de periode van 23 maart 2010 tot en met 15 augustus 2010 verleende bijstand mede van haar terug te vorderen tot een bedrag van in totaal € 7.916,26;

- de bijstand van betrokkene en O bij wijze van maatregel met ingang van 1 maart 2011 gedurende één maand met 100% te verlagen. Aan dit besluit heeft appellant ten grondslag gelegd dat betrokkene en O, zonder daarvan melding te maken aan appellant, vanaf 23 maart 2010 met elkaar een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd.

1.4. De commissie voor bezwaarschriften van het Intergemeentelijk Samenwerkingsverband Werk en Inkomen (commissie) heeft appellant geadviseerd het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 24 februari 2011 gegrond te verklaren, omdat volgens de commissie het onderzoek onvoldoende basis biedt voor de in dat besluit getrokken conclusie. In afwijking van dit advies heeft appellant bij besluit van 23 juni 2011 (bestreden besluit) het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 24 februari 2011 ongegrond verklaard. Appellant heeft daartoe overwogen dat de tijdens de perioden van onderzoek gedane waarnemingen, in samenhang bezien met de overige onderzoeksbevindingen, de aanname rechtvaardigen dat in ieder geval vanaf 23 maart 2010 sprake is van een gezamenlijke huishouding.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het besluit van 24 februari 2011 herroepen. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, het volgende overwogen. De bevindingen tijdens het huisbezoek aan de woning van betrokkene zijn onvoldoende om te concluderen dat O ten tijde van belang zijn hoofdverblijf had in die woning. Betrokkene heeft over die bevindingen ook verklaringen afgelegd die niet zonder meer onaannemelijk zijn. Tijdens de observaties is niet expliciet waargenomen dat wanneer O aan het eind van zijn werkdag de woning van betrokkene is binnengegaan, hij daar de nacht heeft doorgebracht en vervolgens ’s morgens weer is vertrokken. Er kan dan ook niet met voldoende zekerheid worden gesteld dat O deze nachten heeft doorgebracht in de woning van betrokkene. Daarbij speelt ook een rol dat de observaties zich over betrekkelijk korte periodes hebben uitgestrekt. Uit het buurtonderzoek kan evenmin worden afgeleid dat O en betrokkene ten tijde in geding hun hoofdverblijf hadden in de woning van betrokkene.

3. Appellant heeft in hoger beroep, samengevat, het volgende aangevoerd. Alle feitelijke constateringen hoeven op zichzelf niet te leiden tot de conclusie dat sprake is van een gezamenlijke huishouding, maar rechtvaardigen in onderlinge samenhang bezien die conclusie wel. De onderzoekers hebben niet geconstateerd dat O ’s morgens de woning van betrokkene binnenging, maar wel dat O ’s morgens die woning uitkwam. De verklaring dat O al ruim vóór 7.00 uur naar de woning van betrokkene kwam, is ongeloofwaardig.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In dit geding ligt de vraag voor of er voldoende feitelijke grondslag bestaat voor de conclusie dat betrokkene en O in de hier te beoordelen periode, die loopt van 23 maart 2010 tot en met 24 februari 2011, een gezamenlijke huishouding met elkaar hebben gevoerd.

4.2. Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB, voor zover hier van belang, wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert. Ingevolge artikel 3, vierde lid, van de WWB wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren.

4.3. Aangezien vaststaat dat uit de relatie van betrokkene en O kinderen zijn geboren, is voor de beantwoording van de vraag of gedurende de hier te beoordelen periode sprake was van een gezamenlijke huishouding bepalend of betrokkene en O hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden.

4.4. De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Het aanhouden van afzonderlijke adressen hoeft niet aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg te staan, indien aannemelijk is dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat de betrokkenen slechts een van beide ter beschikking staande woningen gebruiken of op een andere wijze zodanig gebruik maken van de woningen dat zij in feite samenwonen.

4.5. In de periode van 23 maart 2010 tot en met 15 augustus 2010 (periode 1) hebben slechts twee waarnemingen bij de woning van betrokkene plaatsgevonden, te weten op 23 maart 2010 en op 21 juni 2010. Beide keren is waargenomen dat O rond 10.30 uur met de auto van zijn dochter vertrok vanaf de woning van betrokkene voor een afspraak op het kantoor van het Intergemeentelijk Samenwerkingsverband Werk en Inkomen. Dit is op zichzelf noch in samenhang met de overige onderzoeksbevindingen voldoende voor de conclusie dat O in periode 1 zijn hoofdverblijf had in de woning van betrokkene. Van belang hierbij is dat pas in december 2010 een huisbezoek aan de woning van betrokkene is afgelegd en dat de verklaringen van de buurtbewoners hooguit ondersteunend bewijs kunnen vormen, maar op zichzelf geen toereikende feitelijke grondslag bieden voor die conclusie. Weliswaar verklaren de buurtbewoners dat O woont op het uitkeringsadres, maar uit hun verklaringen blijkt onvoldoende of dit berust op concrete, feitelijke waarnemingen of slechts de indruk van de buurtbewoners is. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat de buurtbewoners volgens de door hen afgelegde verklaringen niet of nauwelijks contact hebben met de bewoners van de woning op het uitkeringsadres en niet of nauwelijks weten wie daar precies wonen.

4.6. O was vanaf 16 augustus 2010 tot en met 24 februari 2011 (periode 2) gedurende vier dagen per week werkzaam bij het LWC. Tijdens de observaties die hebben plaatsgevonden van 16 tot en met 25 augustus 2010 en van 25 oktober 2010 tot en met 8 december 2010 is waargenomen dat O op werkdagen telkens ’s morgens vroeg vanuit de woning van betrokkene naar zijn werk vertrok en na zijn werk weer naar diezelfde woning terugkeerde. Uit de waarnemingen van vrijdag 22 tot en met zondag 24 oktober 2010 blijkt dat O tijdens dat weekend vrijwel continu in de woning van betrokkene aanwezig was. O heeft op 18 januari 2011 tegenover de handhavingsmedewerker verklaard dat, als hij op het uitkeringsadres is, hij achter de computer zit om te internetten of televisie kijkt en dat hij daar voor zijn kinderen is. Betrokkene heeft op 19 januari 2011 verklaard dat O vaak in haar woning is en dat zij hem vaak nodig heeft in verband met de problemen met hun tweede zoon. Uit de verklaringen van de buurtbewoners blijkt dat O een actief lid is van de buurtvereniging van de wijk van betrokkene en dat hij in de zomer van 2011 ook aanwezig was bij een buurtbarbecue.

4.7. Op basis van de in 4.6 opgenomen bevindingen moet worden aangenomen dat het centrum van het dagelijks leven van O zich - in ieder geval in periode 2 - bevond in en rond de woning van betrokkene. In dat licht komt geen doorslaggevende betekenis toe aan de omstandigheid dat in die periode niet is waargenomen dat O de nachten heeft doorgebracht in de woning van betrokkene. Wel van betekenis is dat tijdens een waarneming op 8 december 2010 is gezien dat O de deur van deze woning opende met een sleutel en dat tijdens het huisbezoek aan de woning van betrokkene op het uitkeringsadres enkele kledingstukken en enkele aan O gerichte poststukken zijn gevonden, terwijl tijdens het huisbezoek aan de woning van O op het adres [adres 2] in de kamer van O nauwelijks persoonlijke bezittingen van O zijn aangetroffen en deze kamer op de handhavingsmedewerker overkwam als een kamer die, zo staat in het rapport Handhaving, “gebruikt wordt als strijk- en opslagruimte in combinatie met het tijdelijk gebruik als slaapplek voor logees”.

4.8. Gelet op 4.6 en 4.7 vormen de waarnemingen vanaf 16 augustus 2010, in samenhang bezien met de overige onderzoeksbevindingen, een toereikende grondslag voor de conclusie dat O in periode 2 zijn hoofdverblijf had in de woning van betrokkene op het uitkeringsadres.

4.9. Uit 4.5 tot en met 4.8 volgt dat in periode 1 geen sprake was van een gezamenlijke huishouding tussen betrokkene en O, maar in periode 2 wel. Nu betrokkene in strijd met de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting niet aan appellant heeft gemeld dat zij in periode 2 met O een gezamenlijke huishouding voerde, was appellant bevoegd de bijstand van betrokkene met ingang van 16 augustus 2010 in te trekken en betrokkene en O met ingang van die datum bijstand te verlenen naar de norm voor gehuwden. Dit betekent dat het bestreden besluit uitsluitend voor zover het betrekking heeft op periode 1 niet op een deugdelijke feitelijke grondslag berust. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij het bestreden besluit in zijn geheel is vernietigd en voor zover daarbij het besluit van 24 februari 2011 in zijn geheel is herroepen, dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigen voor zover dit betreft de intrekking van de bijstand van betrokkene over de periode van 23 maart 2010 tot en met 15 augustus 2010 en de verlening over die periode van bijstand naar de norm voor gehuwden aan betrokkene en O en voor zover dit de terugvordering, de medeterugvordering en de opgelegde maatregel betreft. De Raad ziet voorts aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Awb het besluit van 24 februari 2011 te herroepen voor zover appellant daarbij de bijstand van betrokkene heeft ingetrokken over de periode van 23 maart 2010 tot en met 15 augustus 2010, betrokkene en O over die periode bijstand naar de norm voor gehuwden heeft verleend en de kosten van de aan O verleende bijstand mede van betrokkene wordt teruggevorderd. Dit besluit berust immers in zoverre op dezelfde onjuist gebleken feitelijke grondslag als het bestreden besluit en, mede gezien het tijdsverloop, is niet aannemelijk dat dit gebrek nog kan worden hersteld.

4.10. Appellant zal een nieuwe berekening van het van betrokkene terug te vorderen bedrag over de periode van 16 augustus 2010 tot en met 31 december 2010 moeten maken. Aangezien de opgelegde maatregel afhangt van de hoogte van het terug te vorderen bedrag, zal appellant zich ook daarover opnieuw moeten beraden.

4.11. In dit geval bestaat geen ruimte voor het doen van een tussenuitspraak. Een opdracht aan appellant op grond van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet verdraagt zich niet met het rechtsmiddel van beroep in cassatie dat openstaat tegen de toepassing door de Raad van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding. Appellant zal worden opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van betrokkene, met inachtneming van deze uitspraak.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

-vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij het besluit van 23 juni 2011 in zijn geheel is vernietigd en voor zover daarbij het besluit van 24 februari 2011 in zijn geheel is herroepen;

-beperkt de vernietiging van het besluit van 23 juni 2011 tot de intrekking van de bijstand van betrokkene over de periode van 23 maart 2010 tot en met 15 augustus 2010, de verlening van bijstand naar de gehuwdennorm aan betrokkene en O over die periode en tot de terugvordering, de medeterugvordering en de opgelegde maatregel;

-bepaalt dat de herroeping van het besluit van 24 februari 2011 wordt beperkt tot de intrekking van de bijstand van betrokkene over de periode van 23 maart 2010 tot en met 15 augustus 2010, de verlening van bijstand naar de gehuwdennorm aan betrokkene en O over die periode en de medeterugvordering;

-bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 23 juni 2011;

-draagt appellant op met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen over de terugvordering en de opgelegde maatregel.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en W.F. Claessens en R. van der Spoel als leden, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 april 2013.

(getekend) J.J.A. Kooijman

(getekend) M. Sahin

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

HD