Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8544

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-04-2013
Datum publicatie
25-04-2013
Zaaknummer
11-5033 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag met terugwerkende kracht. Buiten staat om eerder bijstand aan te vragen. Detentie in buitenland. Territorialiteitsbeginsel. Zeer dringende redenen.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2013/95
USZ 2013/175
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/5033 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 14 juli 2011, 10/2331 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Heerenveen (college)

Datum uitspraak 23 april 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.A. van Wieren, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2013. Voor appellant is verschenen mr. Van Wieren. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.J. Olthof.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving sinds 8 maart 2009 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Het college heeft hem bij brief van 11 maart 2010 toestemming verleend om in de periode van 11 april 2010 tot en met 9 mei 2010 in het buitenland (Syrië) te verblijven. Het college heeft appellant tevens opgeroepen voor een gesprek op 10 mei 2010. Op 10 mei 2010 heeft een kennis van appellant de klantmanager telefonisch laten weten dat appellant Syrië niet kan verlaten.

1.2. Bij besluit van 2 juni 2010 heeft het college de bijstand van appellant ingetrokken met ingang van 10 mei 2010. Aan dit besluit is ten grondslag gelegd dat appellant langer in het buitenland heeft verbleven dan was toegestaan.

1.3. Op 11 juni 2010 heeft appellant zich gemeld om bijstand aan te vragen met als beoogde ingangsdatum 10 mei 2010. Bij zijn aanvraag heeft appellant een brief van de Nederlandse ambassade gevoegd waaruit blijkt dat appellant om bij de ambassade bekende redenen met recht verlaat is afgereisd naar Nederland. Appellant, die zowel de Syrische als de Nederlandse nationaliteit heeft, is opgepakt door de Syrische geheime dienst en kon daardoor niet (eerder) terugkeren naar Nederland. Bij besluit van 30 juni 2010 heeft het college aan appellant bijstand toegekend met ingang van 11 juni 2010, de datum waarop hij zich heeft gemeld.

1.4. Bij besluit van 19 oktober 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant dat gericht was tegen de ingangsdatum van de bijstand ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat verlenen van bijstand met terugwerkende kracht in beginsel niet mogelijk is. Omdat appellant langer dan de toegestane periode in het buitenland is geweest, is de reden alleen van belang als sprake is van een acute noodsituatie en van bijstandbehoevende omstandigheden die op geen enkele andere wijze te verhelpen zijn, maar hiervan is volgens het college geen sprake.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij is geoordeeld dat hij geen recht op bijstand heeft over de periode van 10 mei 2010 tot en met 10 juni 2010.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Appellant heeft ter zitting betoogd dat de rechtbank haar oordeel over het bestreden besluit niet heeft gebaseerd op een door het college aan dat besluit ten grondslag gelegde grond, maar op een zelfstandig aan artikel 44 van de WWB ontleende grond. Daarmee is volgens appellant de rechtbank in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht buiten de omvang van het geding getreden en wel door de grondslag van het besluit op bezwaar uit te breiden. Dit betoog slaagt niet. Uit het bestreden besluit, waarvan het advies van de commissie bezwaarschriften deel uitmaakt, blijkt immers duidelijk dat het college (ook) artikel 44 van de WWB bij de beoordeling heeft betrokken.

4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant langer dan de toegestane duur in het buitenland heeft verbleven en dat dit langere verblijf te wijten is aan overmacht.

4.3. Anders dan appellant meent, hoefde het college zijn aanvraag niet tevens als een bezwaarschrift tegen het besluit van 2 juni 2010 aan te merken. Het door appellant gebruikte aanvraagformulier ziet specifiek op de verkorte aanvraagprocedure voor een bijstandsuitkering. De beoordeling van een aanvraag om bijstand vindt plaats in een ander kader en vergt een andere beoordeling dan een bezwaarschrift tegen een besluit. Het komt voor rekening en risico van appellant dat hij (alleen) een aanvraag om bijstand heeft gedaan, terwijl hij kennelijk (tevens) beoogde bezwaar te maken tegen het intrekkingsbesluit. Voor zover daarover onduidelijkheid bestond, lag het op zijn weg om zich nader te laten informeren. Bovendien heeft het college in het besluit van 2 juni 2010 appellant uitdrukkelijk gewezen op de mogelijkheid om, als hij het met de inhoud van dat besluit niet eens is, binnen zes weken een bezwaarschrift in te dienen.

4.4. Appellant heeft aangevoerd dat sprake is van bijzondere omstandigheden die bijstandsverlening per 10 mei 2010 rechtvaardigen, omdat hij buiten zijn schuld een maand langer in Syrië heeft moeten blijven.

4.5. Volgens vaste rechtspraak (CRvB 23 maart 2010, LJN BM0861), bestaat in zaken als deze aanleiding onderscheid te maken in verschillende periodes vanwege het verschil in toetsingskader.

periode van 10 mei 2010 tot en met 2 juni 2010

4.6. Over deze periode heeft reeds besluitvorming plaatsgevonden. Het ligt dan op de weg van de aanvrager, zoals appellant, om nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan te dragen op grond waarvan er voor het bestuursorgaan aanleiding moet zijn van zijn eerdere besluitvorming terug te komen. Dit geldt ook met betrekking tot besluiten die, ten tijde van een verzoek om herziening of een aanvraag, nog niet in rechte onaantastbaar zijn geworden (CRvB 21 december 1999, LJN AA5103).

4.7. De stelling dat appellant buiten zijn schuld niet tijdig, te weten op 9 mei 2010, uit het buitenland is teruggekeerd, kan niet als zodanig feit of omstandigheid worden aangemerkt, omdat dit ten tijde van het besluit van 2 juni 2010 bij het college al bekend was.

periode van 3 juni 2010 tot en met 10 juni 2010

4.8. Over deze periode heeft nog geen besluitvorming plaatsgevonden. Volgens vaste rechtspraak inzake de toepassing van de artikelen 43 en 44 van de WWB (CRvB 21 maart 2006, LJN AV8690) wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen of een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.

4.9. Niet in geschil is dat appellant buiten staat was zich eerder dan op 11 juni 2010 weer te melden voor het aanvragen van bijstand. In zoverre was in dit geval sprake van bijzondere omstandigheden die aanleiding gaven te beoordelen of appellant recht op bijstand had over de periode van 3 tot en met 10 juni 2010. Voor appellant bestond echter tijdens zijn verblijf in Syrië, gelet op artikel 13, eerste lid, aanhef en onder d (oud), van de WWB, slechts recht op bijstand indien sprake was van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB. De voorhanden zijnde gegevens bieden echter, mede gelet op de relatief korte periode hier in geding, geen aanknopingspunten voor het bestaan van een acute noodsituatie en/of levensbedreigende omstandigheden. Door de gemachtigde is ter zitting toegelicht dat appellant ten tijde hier van belang deels gevangen heeft gezeten en dat voor het overige vrienden en familie feitelijk in de noodzakelijke bestaanskosten van appellant hebben voorzien. Dat van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB sprake zou zijn is dan ook niet aannemelijk gemaakt.

4.10. Gelet op het voorgaande slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak dient daarom te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en M. Hillen en A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 april 2013.

(getekend) R.H.M. Roelofs

De griffier is buiten staat te ondertekenen

HD