Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8538

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-04-2013
Datum publicatie
25-04-2013
Zaaknummer
11-5026 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2011:3933, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering bijstand. Appellant heeft, door geen juiste en volledige opgave te doen van zijn feitelijke verblijfsadres, de op hem rustende inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB geschonden. Als gevolg daarvan heeft het college het recht op bijstand van appellant ten tijde in geding niet kunnen vaststellen, zodat de aanvraag om bijstand terecht is afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/5026 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 juli 2011, 10/4623 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

Datum uitspraak 23 april 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.H. van Zundert, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2013. Voor appellant is verschenen mr. Van Zundert. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. Çevik.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft op 28 april 2010 een aanvraag om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend. Bij besluit van 3 juni 2010 heeft het college de aanvraag afgewezen. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat appellant niet heeft voldaan aan de op hem rustende inlichtingenverplichting. Door niet te melden dat het door hem opgegeven verblijfsadres een postadres betreft heeft appellant niet de juiste informatie verschaft die nodig is voor het bepalen van zijn woonsituatie. Bij besluit van 5 oktober 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 3 juni 2010 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De te beoordelen periode bestrijkt in het geval van een aanvraag om algemene bijstand de periode vanaf de datum van de melding/aanvraag tot en met de datum van het primaire besluit. Dit betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 28 april 2010 tot en met 3 juni 2010.

4.2. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de WWB heeft iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege.

4.3. Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB, voor zover van belang, doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten of omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

4.4. Voor de beoordeling van het recht op bijstand vormt de woon- en leefsituatie van de aanvrager een essentieel gegeven. Het is dan ook van belang dat de aanvrager juiste en volledige informatie verschaft over zijn woonadres. De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. In het geval het gaat om een aanvraag om bijstand ligt het op de weg van de aanvrager hierover de nodige duidelijkheid te verschaffen. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren en te verifiëren. Indien de belanghebbende niet de nodige duidelijkheid verschaft, is dat een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.5. Appellant heeft geen duidelijke en eenduidige informatie verstrekt over zijn feitelijke woon- en/of verblijfplaats in de te beoordelen periode. Op het aanvraagformulier heeft appellant als zijn verblijfsadres [adres 1] ingevuld. Voorts heeft appellant op het formulier ingevuld dat hij hier als huurder woont. Tijdens het telefonische contact op

3 juni 2010, naar aanleiding van een onaangekondigd huisbezoek waarbij niemand op het adres [adres 1] werd aangetroffen, heeft appellant aan het college doorgegeven dat hij op dat moment niet thuis was maar om 18:00 uur wel thuis kon zijn. Op het moment dat de medewerkers van het college bij de woning weg wilden gaan, werden ze aangesproken door de hoofdbewoner van de [adres 1]. Deze man vertelde dat appellant zijn adres als postadres gebruikte en niet feitelijk op dit adres woonachtig is. Op het aanvraagformulier noch tijdens het telefoongesprek heeft appellant het college meegedeeld dat [adres 1] zijn postadres is. Voor de stelling van appellant dat hij steeds heeft vermeld dat hij bij vrienden en kennissen sliep en ten tijde van de aanvraag bij [J.] verbleef, bieden de gedingstukken geen aanknopingspunten.

4.6. De stelling van appellant dat het college ervan op de hoogte was dat [adres 1] zijn postadres was, omdat hij dit bij eerdere aanvragen aan het college had meegedeeld, houdt geen stand. Appellant dient op het aanvraagformulier zijn actuele woonsituatie te vermelden en daarbij is niet van belang wat appellant op voorgaande aanvraagformulieren heeft ingevuld reeds omdat zijn woonsituatie intussen kan zijn gewijzigd. Ook wat zich heeft afgespeeld in de periode voorafgaand aan deze aanvraag is niet van belang omdat de actuele situatie met betrekking tot de aanvraag van 28 april 2010 beoordeeld dient te worden.

4.7. De beroepsgrond dat deze aanvraag is gericht op voortzetting van de bijstand die in 2009 was opgeschort zodat in wezen sprake is van voortzetting van de behandeling van de eerdere aanvraag, kan, wat hier ook van zij, niet slagen, omdat het een nieuwe aanvraag betreft nadat de bijstand van appellant per 1 september 2009 was ingetrokken en per 1 oktober 2009 was beëindigd.

4.8. Het voorgaande betekent dat appellant, door geen juiste en volledige opgave te doen van zijn feitelijke verblijfsadres, de op hem rustende inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB heeft geschonden. Als gevolg daarvan heeft het college het recht op bijstand van appellant ten tijde in geding niet kunnen vaststellen, zodat de aanvraag om bijstand terecht is afgewezen. Het enkele feit dat aan appellant bij besluit van 31 mei 2010 eenmalig een voorschot van € 666,41 is toegekend, werpt geen ander licht op de zaak. De verstrekking van dat voorschot hield immers slechts verband met het feit dat het college niet binnen vier weken na de aanvraag kon vaststellen of appellant recht op bijstand had.

4.9. Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en M. Hillen en A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 april 2013.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) J. de Jong

HD