Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8527

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-04-2013
Datum publicatie
25-04-2013
Zaaknummer
11-1821 Wajong
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering Wajong-uitkering toe te kennen. Appellant voldoet niet aan de voorwaarde van artikel 89 van de AAW dat hij op zeventienjarige leeftijd reeds arbeidsongeschikt was. De Raad komt dan ook niet toe aan de beoordeling van de vraag of appellant aan de overige in dit artikel gestelde voorwaarden voldoet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/1821 Wajong

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 10 februari 2011, 10-4185 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 19 april 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B. Wernik, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 maart 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Wernik. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Koning.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, geboren op 7 september 1956, heeft op 6 oktober 2009 een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) vanwege arbeidsongeschiktheid die vóór zijn zeventiende verjaardag is ontstaan ten gevolge van chronische onderhuidse ontstekingen.

1.2. Bij besluit van 1 maart 2010 heeft het Uwv geweigerd om appellant in aanmerking te brengen voor een Wajong-uitkering omdat hij niet als jonggehandicapte wordt beschouwd.

1.3. Bij beslissing op bezwaar van 9 juli 2010 (bestreden besluit) is het door appellant gemaakte bezwaar tegen het besluit van 1 maart 2010 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hierbij heeft zij overwogen dat er geen medische informatie beschikbaar is gekomen die ziet op de periode omstreeks de zeventiende verjaardag van appellant, 7 september 1973. De medische informatie die appellant heeft ingediend gaat niet verder terug dan tot eind november 1976. Evenmin op grond van de door appellant ingezonden brief van prof. dr. P.C.M. van de Kerkhof, hoofd afdeling dermatologie in het UMC St. Radboud, gedateerd 29 juni 2010, kan naar het oordeel van de rechtbank de medische situatie van appellant op 7 september 1973 met zekerheid worden vastgesteld. Onder verwijzing naar de vaste rechtspraak van de Raad op dit punt (LJN BO9240, 24 december 2010) heeft de rechtbank overwogen dat nu appellant de aanvraag pas 36 jaar na het bereiken van de 17-jarige leeftijd heeft ingediend, het nadeel dat de medische situatie op het zeventiende levensjaar niet meer met zekerheid is vast te stellen voor rekening en risico van appellant komt.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij al sinds zijn twaalfde jaar lijdt aan de aandoening hydradenitis suppurativa, een chronische huidziekte. Door deze aandoening heeft hij nooit langer dan enkele weken kunnen werken. Hij heeft getracht om medische stukken boven water te krijgen daterend uit 1973 maar dat is hem niet gelukt. Wel heeft hij medische stukken ingediend waaruit blijkt dat hij in november 1976 is behandeld voor deze huidaandoening. Hij is van mening dat uit de ter beschikking staande stukken valt op te maken dat hij ook al op zeventienjarige leeftijd leed aan deze ziekte en hiervan toentertijd zoveel last had dat hij als arbeidsongeschikt dient te worden aangemerkt. Ter onderbouwing van zijn standpunt wijst hij op de brieven van dermatoloog Van de Kerkhof van 29 juni 2010, van zijn huisarts R. te Slaa van 18 februari 2011 en van dr. E.M.G.J. de Jong van UMC St Radboud, gedateerd 4 mei 2011 en 29 december 2011.

4.1. De Raad overweegt het volgende.

4.2. Appellant heeft in 2009 een arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de Wajong aangevraagd waarbij hij te kennen gaf dat hij al voor zijn zeventiende jaar arbeidsongeschikt was. Op 7 september 1973 is appellant zeventien jaar geworden. De Wajong is in werking getreden met ingang van 1 januari 1998. Over een periode vóór 1 januari 1998 wordt op grond van het overgangsrecht, gegeven bij de invoering van de Wajong, geoordeeld met toepassing van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), die per 1 oktober 1976 in werking is getreden. De arbeidsongeschikte verzekerde die op of na 1 oktober 1976 de leeftijd van zeventien jaar bereikte kan aanspraak maken op een AAW-uitkering. Op grond van het in artikel 89 van de AAW vervatte overgangsrecht kan echter ook de arbeidsongeschikte verzekerde die vóór 1 oktober 1976 de leeftijd van zeventien jaar had bereikt in aanmerking komen voor een AAW-uitkering. In artikel 89 van de AAW is hiertoe bepaald dat de verzekerde, die vóór 1 oktober 1976 de leeftijd van zeventien jaar heeft bereikt en op die dag arbeidsongeschikt was, recht heeft op toekenning van een uitkering indien hij op 30 september 1976 onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt was of zodra hij onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt is geweest indien hij na afloop van deze periode nog arbeidsongeschikt was.

4.3. Gelet op overweging 4.2 dient allereerst te worden beoordeeld of appellant op 7 september 1973 arbeidsongeschikt was.

4.4. De bezwaarverzekeringsarts heeft bij rapportages van 6 juli 2010 en van 22 september 2010 uiteengezet waarom niet met zekerheid kan worden aanvaard dat de aandoening ook al manifest was in de puberteit, of in elk geval op zeventienjarige leeftijd, louter op grond van de in november 1976 gestelde diagnose die destijds tot een operatieve ingreep heeft geleid.

4.5. Terecht heeft de rechtbank overwogen dat, nu het hier gaat om een (zeer) laattijdige aanvraag, het voor rekening en risico van appellant dient te worden gelaten dat, bij gebreke aan medische gegevens die zien op de datum of periode in geding, de medische situatie ten tijde van de periode in geding niet met zekerheid is vast te stellen. Het argument van appellant, dat hem de laattijdige aanvraag niet verweten kan worden wegens onbekendheid met de regelgeving, terwijl van hem destijds ook niet verwacht kon worden op de hoogte te zijn van deze regelgeving gelet op zijn sociale omstandigheden en jonge leeftijd, doet hieraan niet af. Onbekendheid met het bestaan van de mogelijkheid van het doen van een aanvraag om uitkering kan naar vaste jurisprudentie immers geen rechtvaardiging opleveren voor een laattijdige aanvraag.

4.6. De beschikbare medische informatie bevat geen objectief medische gegevens ten aanzien van de huidaandoening en de daaruit voor appellant voortvloeiende beperkingen ten tijde van zijn zeventiende verjaardag. Terecht heeft de rechtbank overwogen dat de brief van dermatoloog Van de Kerkhof hiertoe geen objectief medische aanwijzingen bevat. Dit geldt evenzeer voor de in hoger beroep overgelegde brief van de huisarts van 18 februari 2011. De medische kaart van appellant gaat volgens de huisarts niet verder terug dan tot november 1976. De verklaring van de huisarts, dat appellant vanaf twaalfjarige leeftijd bekend is met de huidziekte, is verder niet gebaseerd op objectief medische gegevens maar enkel op de eigen verklaring van appellant. De door appellant in hoger beroep ingebrachte brieven van UMC St Radboud van 4 mei 2011 en 29 december 2011 zien op de behandeling van appellant sinds 2005 en bevatten geen informatie over de in geding zijnde periode. Verder acht de Raad van betekenis dat appellant niet eenduidig is geweest ten aanzien van de periode waarin hij voor het eerst last kreeg van de huidziekte. Ter zitting van de Raad heeft hij te kennen gegeven dat hij al vanaf zijn twaalfde jaar last heeft van fistels/hydradenitis suppurativa. Blijkens de dossierstukken heeft hij echter bij zijn behandelend dermatoloog E.M.G.J. de Jong in oktober 2005 gesproken van klachten die sinds 25 jaar spelen, hetgeen zou inhouden dat hij sinds 1980 klachten heeft, terwijl hij bij een arbeidsongeschiktheidsonderzoek in opdracht van de gemeente bij de arts J. Oliveiro in april 2009 heeft vermeld sinds 15 jaar aan de huidaandoening te lijden, dus vanaf 1994. De stelling van appellant dat het feit dat hij zijn hele leven lang door de sociale dienst is vrijgesteld van solliciteren een indicatie is van zijn arbeidsongeschiktheid is niet met bewijsstukken gestaafd en doet reeds hierom niet af aan de voorgaande overwegingen.

4.7. Gelet op de overwegingen onder 4.6 voldoet appellant niet aan de voorwaarde van artikel 89 van de AAW dat hij op zeventienjarige leeftijd reeds arbeidsongeschikt was.

De Raad komt dan ook niet toe aan de beoordeling van de vraag of appellant aan de overige in dit artikel gestelde voorwaarden voldoet. Nu niet is gebleken dat appellant op zeventienjarige leeftijd arbeidsongeschikt was heeft het Uwv terecht geweigerd om hem een Wajong-uitkering toe te kennen.

4.8. Gelet op het voorgaande slaagt het hoger beroep niet.

4.9. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 april 2013.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) I.J. Penning

QH