Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8510

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-04-2013
Datum publicatie
25-04-2013
Zaaknummer
11-1445 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Overschrijding vermogensgrens. Geen sprake van een reële schuld of van een schuld waaraan een daadwerkelijke aflossingsverplichting is. Geen grond voor het oordeel dat de berekening van de vermogensoverschrijding onjuistheden bevat. Als gevolg van de bijstelling van het bedrag van de vermogensoverschrijding door de rechtbank doet zich de situatie voor dat dit bedrag is komen te liggen onder het bedrag van de netto-terugvordering, zijnde het totaalbedrag van de aan appellant over de hier aan de orde zijnde periode uitbetaalde bijstand. De intrekking berust niet op het standpunt dat over de gehele periode sprake is van overschrijding van de vermogensgrens, maar, zo begrijpt de Raad, op een toerekening van het bedrag van de overschrijding aan deze periode in die zin dat appellant met het beschikbare bedrag aan oververmogen gedurende deze periode kon voorzien in zijn bestaanskosten. Het college heeft bij zijn besluitvorming mede in aanmerking genomen dat het berekende bedrag aan oververmogen hoger is dan het bedrag van de netto-terugvordering. Als gevolg van de uitspraak van de rechtbank, gaat dat echter niet langer op. De Raad stelt het netto-terugvorderingsbedrag vast. Het nettobedrag dient door het college te worden gebruteerd overeenkomstig het bepaalde in artikel 58, vierde lid, van de WWB. Het aldus vastgestelde brutobedrag kan van appellant worden teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/1445 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 januari 2011, 10/3876 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak 23 april 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.A. van Hoof, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken aan de Raad gezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2013. Voor appellant is mr. Van Hoof verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. A.A. Brouwer.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving over de periode van 1 januari 2004 tot en met 12 februari 2009 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Naar aanleiding van een bij de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI) gerezen vermoeden van door appellant verzwegen werkzaamheden en verzwegen vermogen, heeft een sociaal-rechercheur van de DWI een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek verricht, is gebruik gemaakt van een op 6 maart 2009 opgesteld frauderapport betreffende appellant, zijn inlichtingen ingewonnen bij de Belastingdienst en is appellant op 25 november 2009 verhoord. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat appellant heeft verzwegen dat hij een erfenis heeft ontvangen na het overlijden van zijn moeder op 13 november 2007 en dat hij op 10 oktober 2008 een bedrag van € 4.996,19 heeft ontvangen, zijnde het hem toekomende erfdeel van zijn halfzus [naam halfzus] (halfzus). Verder is gebleken van diverse aanzienlijke stortingen op zijn bankrekeningen en van meerdere geldopnamen in 2008. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een proces-verbaal Uitkeringsfraude van 30 november 2009.

1.3. Het resultaat van het onderzoek is voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 21 april 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 20 juli 2010 (bestreden besluit), de bijstand van appellant over de periode van 13 november 2007 tot en met 12 februari 2009 in te trekken en de over die periode ten onrechte gemaakte kosten van bijstand van appellant terug te vorderen tot een nettobedrag van € 12.969,37 (bruto € 16.345,17). Aan de besluitvorming ligt het volgende ten grondslag. Appellant beschikte op 13 november 2007, de datum van overlijden van zijn moeder (peildatum), over een vermogen van € 20.139,74. Daarbij heeft het college in aanmerking genomen dat het vermogen van appellant op

3 november 2003 is vastgesteld op € 7.935,93 negatief en dat op de peildatum nog slechts sprake was van een schuld van € 70,--. Van andere schulden op de peildatum is niet gebleken. Het bedrag van de toename van het vermogen als gevolg van de ontvangst van de erfenis van de moeder van appellant is, bij gebreke van andere stukken daaromtrent, bepaald aan de hand van diverse stortingen in 2007 en 2008 op de bankrekeningen van appellant op een bedrag van € 22.614,03. Deze stortingen zijn beschouwd als gelden die op de peildatum geacht werden ter beschikking van appellant te staan. Daarop zijn in mindering gebracht de kosten die appellant heeft gemaakt in verband met het overlijden van zijn moeder. Het college heeft het erfdeel van de halfzus buiten beschouwing gelaten omdat appellant dit vermogen heeft ontvangen na de peildatum. Gelet op de op de peildatum geldende grens van het vrij te laten vermogen van € 5.245,--, was sprake van een vermogensoverschrijding van € 14.894,74. Het college heeft verder in aanmerking genomen dat het nettobedrag dat over de in geding zijnde periode ten onrechte aan appellant is uitbetaald en wordt teruggevorderd, niet hoger is dan het bedrag van de vermogensoverschrijding.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat het door het college vastgestelde bedrag van € 20.139,74 moet worden teruggebracht tot € 17.389,74 omdat posten van € 1.250,-- en € 1.500,-- ten onrechte zijn meegenomen. De vermogensoverschrijding bedraagt dan € 12.144,74, wat naar het oordeel van de rechtbank nog immer een forse overschrijding van de grens van het vrij te laten vermogen oplevert, zodat het bestreden besluit in stand kan worden gelaten.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Het college heeft de intrekking en de terugvordering van de bijstand gebaseerd op de stand van het vermogen van appellant op de peildatum. Ook na de bijstelling door de rechtbank van het bedrag van de vermogensoverschrijding op de peildatum, verschillen partijen nog van mening over de hoogte van dat bedrag en over de consequenties die aan hun standpunten moeten worden verbonden voor de terugvordering van de bijstand.

4.2. In de eerste plaats vindt appellant dat het bedrag tot stand is gekomen op basis van een onjuiste lezing van de stand van de bankrekeningen op de peildatum. Appellant wijst op het tekort op de Postbankrekening per 14 november 2007 van € 304,70 en op het tekort op de Fortisrekening van € 15,10, in totaal € 319,80, aan welk bedrag het college en de rechtbank ten onrechte voorbij zijn gegaan. Deze beroepsgrond slaagt. Anders dan het college ter zitting naar voren heeft gebracht, kunnen deze bedragen worden afgelezen uit de desbetreffende bankafschriften en bestaat op dit punt geen onduidelijkheid.

4.3. Verder heeft appellant aangevoerd dat het college en de rechtbank ten onrechte een schuld bij ABN AMRO niet als negatief vermogensbestanddeel in aanmerking hebben genomen. Appellant had twee schulden bij deze bank, beide daterend uit 1989. Op de schuld met dossiernummer [nummer] loste appellant af. Op de peildatum stond nog een bedrag van € 70,-- open. Het college heeft dat bedrag als negatief vermogensbestanddeel bij de berekening van de vermogensoverschrijding meegenomen. Op de schuld met dossiernummer [nummer] (later: [nummer]) heeft appellant niet afgelost, zo staat in het hoger beroepschrift en zo heeft appellant tijdens de hoorzitting in de bezwaarfase ook verklaard. Bij brief van 19 maart 2002 heeft het betrokken deurwaarderskantoor appellant bericht dat in dit dossier, gelet op de inkomsten van appellant en de hoogte van de vordering met dossiernummer [nummer], betaling zal worden uitgesteld tot het moment dat het saldo in laatstgenoemd dossier is voldaan. Dat saldo was in december 2007 geheel voldaan. Uit de onderzoeksgegevens is niet gebleken dat appellant vervolgens door de bank of het deurwaarderskantoor is benaderd terzake van de aflossing van de tweede schuld. Evenmin is van enige feitelijke aflossing van deze schuld gebleken. Onder deze omstandigheden heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat niet is komen vast te staan dat sprake is van een reële schuld of van een schuld waaraan een daadwerkelijke aflossingsverplichting is verbonden. Het lag op de weg van appellant om met objectieve gegevens aannemelijk te maken dat dit anders lag. Daarin is hij niet geslaagd, zodat deze beroepsgrond geen doel treft.

4.4. Ter zitting van de Raad is van de zijde van de appellant naar voren gebracht dat in die berekening het geldbedrag van de erfenis van de halfzus ten onrechte (toch) is meegenomen. Dat standpunt mist feitelijke grondslag. Uit de bladzijden 2, onderaan, en 3, bovenaan, van het bestreden besluit blijkt dat van de stortingen op de Postbankrekening van appellant een bedrag van € 7.290,33 in aanmerkingen is genomen. Als het bedrag van het erfdeel van de halfzus was meegenomen, zou dat bedrag € 12.286,52 zijn geweest.

4.5. Voor het overige ziet de Raad in wat appellant heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de berekening van de vermogensoverschrijding onjuistheden bevat.

4.6. Daarnaast stelt appellant dat de bijstand over de maand februari 2009 als gevolg van blokkering niet is uitbetaald, zodat over die maand ten onrechte een bedrag van € 365,90 van hem is teruggevorderd. Hij heeft daartoe gewezen op de uitkeringsspecificatie over de maand februari 2009, waaruit blijkt dat het daarop voorkomende maandbedrag is geblokkeerd. De gedingstukken geven geen uitsluitsel op dit punt. Er is geen nadere uitkeringsspecificatie of een bankafschrift voorhanden aan de hand waarvan deze beroepsgrond kan worden beoordeeld. De Raad verwijst op dit punt verder naar 4.11.

4.7. Appellant heeft verder naar voren gebracht dat zich als gevolg van de bijstelling van het bedrag van de vermogensoverschrijding door de rechtbank nu de situatie voordoet dat dit bedrag is komen te liggen onder het bedrag van de netto-terugvordering, zijnde het totaalbedrag van de aan appellant over de hier aan de orde zijnde periode uitbetaalde bijstand, en dat de rechtbank daarin aanleiding had behoren te zien om het college op te dragen een nieuwe berekening te maken ten aanzien van het terug te vorderen bedrag. Het college heeft zich in het verweerschrift in hoger beroep en ter zitting van de Raad op het standpunt gesteld dat hierin, gelet op de onduidelijkheden in de financiële omstandigheden ten tijde van de peildatum, geen aanleiding kan worden gevonden om de terugvordering te matigen.

4.8. Het college heeft, zoals gezegd, zijn standpunt dat aan appellant over de hier aan de orde zijnde periode ten onrechte bijstand is verleend gebaseerd op de omvang van de vastgestelde overschrijding van de vermogensgrens op de peildatum. De intrekking berust immers niet op het standpunt dat over de gehele periode sprake is van overschrijding van de vermogensgrens, maar, zo begrijpt de Raad, op een toerekening van het bedrag van de overschrijding aan deze periode in die zin dat appellant met het beschikbare bedrag aan oververmogen gedurende deze periode kon voorzien in zijn bestaanskosten. Het college heeft bij zijn besluitvorming mede in aanmerking genomen dat het berekende bedrag aan oververmogen hoger is dan het bedrag van de netto-terugvordering. Als gevolg van de uitspraak van de rechtbank, gaat dat echter niet langer op. De beroepsgrond van appellant dat de rechtbank hieraan ten onrechte voorbij is gegaan, treft dan ook doel. Dit raakt immers, zoals appellant terecht heeft aangevoerd, aan de onderbouwing van het terugvorderingsbesluit.

4.9. Dit brengt met zich dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor zover het betreft de terugvordering.

4.10. De Raad ziet aanleiding, mede met het oog op finale beslechting van het geschil, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien.

4.11. Uitgaande van de door het college gehanteerde en in beroep en hoger beroep niet bestreden systematiek, waarbij het bedrag van de vermogensoverschrijding op de peildatum bepalend is geweest, dient op het oorspronkelijk berekende bedrag, naast de in de aangevallen uitspraak genoemde bedragen van € 1.500,-- en € 1.250,--, een bedrag van € 319,80 in mindering te worden gebracht (zie 4.2). Daarmee komt het bedrag van de vermogensoverschrijding op de peildatum uit op € 11.824,94. Uit de hoogte van het vastgestelde nettobedrag volgt dat het in 4.6 genoemde bedrag van € 365,90 hierop verder niet van invloed is. Het nettobedrag dient door het college te worden gebruteerd overeenkomstig het bepaalde in artikel 58, vierde lid, van de WWB. Het aldus vastgestelde brutobedrag kan van appellant worden teruggevorderd. De Raad tekent hierbij aan dat appellant hiermee zeker niet tekort is gedaan, in het bijzonder in aanmerking genomen dat over de hoogte van de erfenis van de moeder van appellant helemaal niets bekend is geworden, dat van diverse transacties op de bankrekeningen van appellant in 2007 en 2008 de herkomst niet duidelijk is geworden en dat het erfdeel van zijn halfzus buiten beschouwing is gebleven.

5. De Raad ziet aanleiding het college te veroordelen in de kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 944,-- in bezwaar, € 944,-- in beroep en € 944,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 20 juli 2010 voor zover het ziet op de terugvordering;

- herroept het besluit van 21 april 2010 voor zover het betreft de terugvordering, stelt het

nettobedrag van de terugvordering vast op € 11.824,94, welk bedrag dient te worden

gebruteerd op de wijze als in 4.11 vermeld, waarna het brutobedrag door het college van

appellant kan worden teruggevorderd;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van

20 juli 2010;

- veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.832,--;

- bepaalt dat het college het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 153,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en E.C.R. Schut als leden, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 april 2013.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) V.C. Hartkamp

HD