Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8498

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-04-2013
Datum publicatie
25-04-2013
Zaaknummer
12-3972 NIOAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking IOAZ-uitkering en bijzondere bijstand. Schending van de inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2013/86
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/3972 NIOAZ, 12/3973 NIOAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 27 juni 2012, 09/671 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] en [Appellante] te [woonplaats] (appellanten)

het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente (college)

Datum uitspraak 23 april 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. G.J.A. van Dijk hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend

Appellanten hebben nog nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2013. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. N.J. Brouwer, opvolgend gemachtigde van mr. Van Dijk. Het college heeft zich, zoals tevoren bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft in 1999 het bedrijf [bedrijf 1] opgericht. [bedrijf 1] had een minderheidsaandeel in [bedrijf 2]. In juni 2005 is een conflict ontstaan met zakenpartners en derden. Als gevolg van dit conflict heeft appellant geen bedrijfsactiviteiten meer kunnen uitoefenen. Het conflict heeft geleid tot een aantal juridische procedures en appellant heeft aangifte gedaan van verduistering van bedrijfsgoederen. Appellanten hebben op 6 februari 2006 aanvragen ingediend om bijstand in de kosten van levensonderhoud op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz) en om uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ). De afdeling Sociale Dienstverlening van de gemeente Hof van Twente heeft vervolgens het Instituut voor Midden- en Kleinbedrijf (IMK) verzocht over deze aanvragen te adviseren. Op grond van de resultaten van het onderzoek, neergelegd in een rapport van 22 februari 2006, heeft het IMK geadviseerd de aanvraag om bijstand op grond van het Bbz af te wijzen, omdat het bedrijf naar verwachting niet levensvatbaar zal zijn. Het IMK heeft voorts geconcludeerd dat appellanten in aanmerking kunnen komen voor een IOAZ-uitkering indien appellant niet aan de voorwaarde van bedrijfsliquidatie hoeft te voldoen.

1.2. Bij besluit van 24 februari 2006 heeft het college de aanvraag om bijstand op grond van het Bbz afgewezen.

1.3. Bij afzonderlijk besluit van 24 februari 2006 heeft het college appellanten met ingang van 1 februari 2006 een IOAZ-uitkering toegekend op de grondslag voor een gewezen zelfstandige en zijn echtgenoot. Om de lopende juridische procedure waarin appellanten waren verwikkeld niet te schaden, heeft het college bepaald dat zij niet hoeven te voldoen aan de in artikel 6, eerste lid, van de IOAZ gestelde voorwaarde van bedrijfsbeëindiging. Aan deze bepaling heeft het college de voorwaarde verbonden dat appellanten het college strikt informeren wanneer zich mogelijk nieuwe opdrachten of projecten voordoen. Ook zijn appellanten nadrukkelijk gewezen op de algemene inlichtingenverplichting, genoemd in artikel 13, eerste lid, van de IOAZ, die inhoudt dat zij de afdeling Sociale Dienstverlening van de gemeente Hof van Twente onmiddellijk op de hoogte stellen van feiten en omstandigheden die van invloed kunnen zijn op het recht, de hoogte of de duur van de uitkering, of op het bedrag van de uitkering dat aan hen wordt uitbetaald. Omdat appellant heeft meegedeeld dat hij niet tot zijn 65-jarige leeftijd afhankelijk wil zijn van een uitkering en opnieuw werkzaamheden (in loondienst of op free-lance basis) wil oppakken, heeft het college hem de arbeidverplichting opgelegd, zoals genoemd in artikel 37 van de IOAZ.

1.4. Bij besluit van eveneens 24 februari 2006 heeft het college ambtshalve met ingang van 1 februari 2006 periodieke bijzondere bijstand toegekend in de vorm van een woonkostentoeslag tot een bedrag van € 511,62 per maand voor de duur van één jaar.

1.5. Appellanten hebben op 28 februari 2006 een afzonderlijke schriftelijke verklaring ondertekend. Deze verklaring houdt in dat zij kennis hebben genomen van de aan het toekenningsbesluit van 24 februari 2006 verbonden voorwaarden, en dat zij de afdeling Sociale Dienstverlening van de gemeente Hof van Twente direct in kennisstellen van (het voornemen tot) het uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten en/of verrichten van werkzaamheden. Verder zullen zij de gemeente Hof van Twente direct informeren over alle feiten en omstandigheden die van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, de hoogte of de duur van de uitkering of op het bedrag van de uitkering dat aan hen wordt uitbetaald.

1.6. Bij besluit van 25 januari 2008 is de IOAZ-uitkering met ingang van 1 november 2007 beëindigd omdat de inkomsten van appellanten uit freelance werkzaamheden hoger waren dan de voor appellanten geldende grondslag.

1.7. In het kader van het project “Bijstand en Bedrijf” is gebleken van een aantal registraties van appellant bij de Kamer van Koophandel die niet bekend waren bij de afdeling Sociale Dienstverlening. Omdat het vermoeden bestond dat appellant toch nog als zelfstandige werkzaam zou kunnen zijn en daaruit inkomsten zou kunnen ontvangen, is de sociale recherche opgedragen een onderzoek in te stellen. In dat kader heeft dossieronderzoek plaatsgevonden en is informatie opgevraagd bij verschillende instanties waaronder de Kamer van Koophandel, de Belastingdienst, de Dienst wegverkeer en de Nationale autopas. Tevens zijn met toestemming van de officier van justitie bankafschriften opgevraagd van de rekeningen van appellanten bij verschillende banken. Appellanten zijn op 4 april 2008 door de sociale recherche verhoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een proces-verbaal dat is afgesloten op 18 april 2008.

1.8. De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 6 oktober 2008, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 16 juni 2009 (bestreden besluit), de IOAZ-uitkering in te trekken over de periode van 1 februari 2006 tot 1 november 2007 en de bijzondere bijstand over de periode van 1 februari 2006 tot 1 februari 2007 alsmede de over die periode gemaakte kosten van appellanten terug te vorderen tot een bedrag van € 29.084,06 aan te veel betaalde IOAZ-uitkering en een bedrag van € 6.139,44 aan te veel betaalde bijzondere bijstand. De besluitvorming berust op de overweging dat appellanten, door geen melding te maken van de registraties bij de Kamer van Koophandel en van de ten behoeve van die bedrijven verrichte activiteiten, de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden met als gevolg dat het recht op IOAZ-uitkering en bijzondere bijstand niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Kort samengevat betwisten zij dat zij de inlichtingenverplichting hebben geschonden en dat appellant op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1. Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de IOAZ, voor zover van belang, doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling en het recht op uitkering, de hoogte of de duur van de uitkering of op het bedrag van de uitkering dat aan hem wordt betaald.

4.1.2. Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB), voor zover van belang, doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

4.2. Vaststaat dat ten tijde in geding van appellant, naast zijn inschrijving vanaf 29 januari 1999 als enig aandeelhouder van [bedrijf 1] en per 15 december 2007 als vereffenaar, sprake was van meer actuele registraties bij de Kamer van Koophandel dan hij heeft opgegeven aan het college, onder meer een inschrijving als bestuurder en later vereffenaar van de Stichting Kwaliteitscentrum Gelderland (KCG). Appellant heeft dit tijdens het verhoor op 4 april 2008 tegenover de sociale recherche ook erkend. Volgens vaste rechtspraak (CRvB 24 augustus 2010, LJN BN6344) moet uit een inschrijving bij de Kamer van Koophandel worden afgeleid dat de betrokkene het oogmerk heeft zich als zelfstandige te vestigen, als zodanig werkzaam te zijn en daarmee inkomsten te verwerven. Dat het college op de hoogte is geweest van alle registraties, omdat appellanten daarvan melding hebben gemaakt tijdens gesprekken met medewerkers van de Afdeling Sociale Dienstverlening is uit de stukken niet gebleken en hebben zij ook anderszins niet aannemelijk gemaakt. De stelling dat alle registraties bij het IMK zijn gemeld houdt ook geen stand. Daargelaten dat het IMK niet op één lijn gesteld kan worden met de afdeling Sociale Dienstverlening van de gemeente, zag de adviesaanvraag van het college uitsluitend op de exploitatievooruitzichten van de het bedrijf [bedrijf 1] en de mogelijkheden tot bedrijfsbeëindiging in het kader van de IOAZ. De omstandigheid dat in de maandelijkse inkomstenformulieren niet uitdrukkelijk naar andere inschrijvingen wordt gevraagd maakt dit niet anders. Inschrijvingen bij de Kamer van Koophandel zijn, gelet op het voorgaande, van belang voor het recht op uitkering, zodat een betrokkene deze uit eigen beweging dient te melden.

4.3.1. Uit het onderzoek van de sociale recherche is gebleken dat appellant in de periode in geding werkzaamheden heeft verricht, die appellanten niet op de voorgeschreven wijze aan het college hebben gemeld. Appellant heeft onbetwist ten behoeve van KCG vereffeningswerkzaamheden verricht. Appellanten stellen dat zij deze werkzaamheden niet hebben hoeven opgeven omdat het een organisatie met ideële doelstelling betreft waarin geen economische activiteiten meer werden verricht en appellant voor deze werkzaamheden geen inkomsten heeft ontvangen. Dit betoog faalt reeds omdat dit onverlet laat dat ook voor een dergelijke organisatie betaalde dan wel op geld waardeerbare werkzaamheden kunnen worden verricht. Daarbij is tevens van belang dat [bedrijf 1] een van de schuldeisers van KCG was en gelden uit de vereffening heeft ontvangen.

4.3.2. Gebleken is verder dat [bedrijf 1] over de periode van januari 2007 tot en met juni 2007 een teruggaaf van omzetbelasting heeft ontvangen, terwijl voor de BV geen bedrijfsactiviteiten meer zouden worden verricht en de inschrijving bij de Kamer van Koophandel alleen zou zijn gehandhaafd vanwege de afwikkeling van juridische procedures. Ook hieruit kan worden afgeleid dat op geld waardeerbare activiteiten zijn verricht. De door appellant gedane aangifte van verduistering op 26 januari 2007 heeft geresulteerd in een sepot. Dit hebben appelanten het college ten onrechte niet meteen gemeld. Pas in januari 2008 is het college in kennis gesteld van de afloop van de juridische procedures en de vereffening van [bedrijf 2].

4.3.3. Daarnaast heeft appellant activiteiten ontplooid om opnieuw als freelancer aan de slag te komen. In dat verband heeft hij potentiële klanten bezocht en gesprekken met hen gevoerd. Ook is sprake geweest van het maken van begrotingen, omschrijvingen en projecten. Anders dan appellanten stellen betreft dit niet slechts het verrichten van sollicitaties, maar moeten deze activiteiten worden beschouwd als acquisitie en behoren zij tot de normale (voorbereidings)activiteiten van een zelfstandige. Dergelijke acquisitiewerkzaamheden worden in het maatschappelijk verkeer aangemerkt als op geld waardeerbare activiteiten.

Aan de stelling dat uit de door appellanten achteraf opgemaakte kilometerregistratie blijkt dat het hoge aantal kilometers dat met de auto van appellant is gereden mede wordt verklaard door de hiervoor genoemde sollicitaties komt geen betekenis toe, omdat de kosten hiervoor zijn doorberekend in [bedrijfsnaam 1] management, en ook hiervoor werd omzetbelasting terug ontvangen van de Belastingdienst.

4.4. Appellanten hebben nog betoogd dat het college hen onvoldoende heeft geïnformeerd over de reikwijdte van hun informatieplicht, aangezien het college nooit naar de in 4.2 genoemde registraties en de in 4.3 genoemde werkzaamheden heeft gevraagd. Appellanten zouden in de veronderstelling hebben verkeerd dat zij alleen de bedrijfsactiviteiten dienden op te geven die verband hielden met [bedrijf 1]. Ook dit betoog treft geen doel. Het college is appellanten tegemoet gekomen door hen te ontheffen van de verplichting [bedrijf 1] te beëindigen. Aan die ontheffing heeft het college uitdrukkelijk de voorwaarde verbonden dat appellanten het college meteen in kennis dienden te stellen van alle bedrijfsmatige activiteiten, inclusief het voornemen om dergelijke activiteiten te ontplooien. Appellanten hebben daartoe de in 1.5 genoemde verklaring ondertekend. Voorts is appellant op eigen verzoek niet ontheven van zijn arbeidsverplichting. Onder deze omstandigheden moet het appellanten redelijkerwijs duidelijk zijn geweest dat de verplichting om informatie te verschaffen zich niet uitsluitend beperkte tot het reilen en zeilen van [bedrijf 1], maar zich tevens uitstrekte tot alle actuele registraties alsmede alle voorgenomen en uitgevoerde activiteiten en werkzaamheden, omdat deze gegevens van invloed kunnen zijn op het recht op IOAZ-uitkering en bijzondere bijstand. Appellanten hadden deze uit eigen beweging moeten melden. Nu zij dat niet hebben gedaan betekent dit dat zij de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden.

4.5. Schending van inlichtingenverplichting levert een zelfstandige rechtsgrond op voor intrekking van de uitkering, indien als gevolg daarvan het recht op IOAZ-uitkering en het recht op bijzondere bijstand niet kan worden vastgesteld. Het is dan aan betrokkene aannemelijk te maken dat in het geval wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan over de betreffende periode recht op aanvullende uitkering en bijzondere bijstand bestond.

Appellanten zijn daarin niet geslaagd. Zoals uit 4.2 tot en met en 4.3.3 blijkt zijn er in de periode in geding op geld waardeerbare activiteiten verricht. Appellanten hebben niet aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens opheldering kunnen verschaffen over de precieze omvang van de werkzaamheden en van het daarmee verdiende inkomen.

4.6. Hieruit volgt dat het college met toepassing van artikel 17, derde lid, aanhef en onder a, van de IOAZ gehouden was de IOAZ-uitkering in te trekken en tevens bevoegd was om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a van de WWB de ten onrechte verstrekte bijzondere bijstand in te trekken. Appellanten hebben de wijze van uitoefening van die bevoegdheid niet bestreden. Tegen de terugvordering hebben appellanten geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd, zodat het door de rechtbank gegeven oordeel over de terugvordering geen afzonderlijke bespreking behoeft.

4.7. Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en M. Hillen en A.N.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 april 2013.

(getekend) R.H.M. Roelofs

De griffier is buiten staat te ondertekenen

HD