Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8491

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-04-2013
Datum publicatie
25-04-2013
Zaaknummer
11-4077 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging bijstand gedurende een periode van twee maanden met 100%. Appellant heeft algemeen geaccepteerde arbeid geweigerd door het aangeboden dienstverband niet te aanvaarden. Het college mocht bij zijn besluitvorming afgaan op een e-mailbericht over het niet accepteren van het werkaanbod. Niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan het college was gehouden om het percentage van de verlaging lager vast te stellen, dan wel de duur daarvan te bekorten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/4077 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 1 juni 2011, 10/1671 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn (college)

Datum uitspraak 23 april 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.C. Cornelisse, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2013. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door S.J.M. van Zuidam.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontvangt sinds 2 juli 2007 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. [bedrijfsnaam] Schoonmaaktdiensten ([bedrijfsnaam]) heeft op 2 april 2010 schoonmaakwerkzaamheden aan appellant aangeboden. Hij zou op 12 april 2010 beginnen met zijn werkzaamheden.

1.3. [bedrijfsnaam] heeft een medewerker van de Dienst Samenleving Apeldoorn het volgende

e-mailbericht (e-mailbericht) gestuurd:

“[F.] ook gebeld op 2 april; Wou wel langskomen dezelfde dag. Gesproken op kantoor en hem het werk uitgelegd. Ik had een goede indruk van hem en khad zijn I.D. gekopieerd en we hadden afgesproken dat (…) hij vrijdag 9 april langs kon komen voor de gegevens en evt. contract ondertekenen. En maandag 12 april om 19.00 uur beginnen met werken. (…)

Maandag belde ik hem of hij vrijdag 9 april al kon beginnen met werken, hij vertelde dat hij erover had nagedacht en vond het brutoloon te laag en wou avond en nachttoeslag. Uiteindelijk is dat ook niks geworden.”

1.4. Het e-mailbericht van [bedrijfsnaam] was voor het college aanleiding om bij besluit van 6 mei 2010 de bijstand van appellant met toepassing van de Maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2004 (Maatregelenverordening) met ingang van 1 mei 2010 gedurende een periode van twee maanden met 100% te verlagen.

1.5. Het college heeft het bezwaar tegen het besluit van 6 mei 2010 bij besluit van 7 september 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat appellant heeft geweigerd het door [bedrijfsnaam] aangeboden dienstverband te aanvaarden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Appellant voert aan dat de rechtbank ten onrechte als vaststaand heeft aangenomen dat hij algemeen geaccepteerde arbeid heeft geweigerd. Hij heeft veelvuldig gesolliciteerd en had geen belang bij het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid. Het college mocht niet alleen afgaan op de verklaring van [bedrijfsnaam]. Appellant voert aan dat hij in verband met negatieve ervaringen in het verleden een schriftelijke arbeidsovereenkomst wilde hebben en dat [bedrijfsnaam] die niet wilde verstrekken. Het is appellant bekend dat [bedrijfsnaam] vaker heeft verzuimd tijdig arbeidsovereenkomsten te verstrekken. Subsidiair voert appellant aan dat de maatregel in geen verhouding staat tot de hem verweten gedraging.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Niet in geschil is dat de door [bedrijfsnaam] aangeboden werkzaamheden algemeen geaccepteerde arbeid betreft. Evenmin in geschil is dat appellant nooit met de werkzaamheden is gestart.

4.2. Het geschil ziet in de kern op de vraag of het college bij zijn besluitvorming mocht afgaan op het e-mailbericht. Appellant heeft onvoldoende aangevoerd om die vraag ontkennend te beantwoorden. [bedrijfsnaam] heeft bovendien in een brief van 29 november 2010 de inhoud van het e-mailbericht bevestigd. In die brief benadrukt [bedrijfsnaam] dat appellant op 9 april 2010 zou langskomen om het contract te ondertekenen. Appellant voert aan dat werkgevers er belang bij kunnen hebben geen schriftelijke arbeidsovereenkomst te verstrekken en dat hem bekend is dat [bedrijfsnaam] wel vaker niet tijdig een schriftelijke arbeidsovereenkomst heeft verstrekt, maar hij heeft dit op geen enkele wijze onderbouwd. Het college kon daarom afgaan op het e-mailbericht.

4.3. De maatregel die het college heeft opgelegd is in overeenstemming met de Maatregelenverordening. De Maatregelenverordening bevat geen bepaling op grond waarvan het college, afhankelijk van de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele of persoonlijke omstandigheden van de betrokkene, kan afwijken van de standaard toe te passen verlaging. Gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 18 van de WWB, waarin de nadruk is gelegd op onder meer het zogeheten individualiseringsbeginsel in die wet (Kamerstukken II, 2002–2003, 28 870, nr. 3, blz. 5 onder 3.1.1. en blz. 47 en 48), komt de Raad tot het oordeel dat in artikel 18, eerste lid, van de WWB, gelezen in samenhang met het tweede lid van dit artikel, ligt besloten dat bij het vaststellen van de verlaging rekening moet worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene, de mate van verwijtbaarheid en de ernst van de gedraging. De Raad is in het geval van appellant niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan het college was gehouden om met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de WWB het percentage van de verlaging lager vast te stellen, dan wel de duur daarvan te bekorten.

4.4. Gelet op 4.2 en 4.3 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en E.J.M. Heijs en P.W. van Straalen als leden, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 april 2013.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) J.T.P. Pot

HD