Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8489

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-04-2013
Datum publicatie
25-04-2013
Zaaknummer
11/6058 WWB + 13/133 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening bijstand. Gezamenlijke huishouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/6058 WWB, 13/133 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 30 augustus 2011, 11/3843 en 11/3844 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak 23 april 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Adansar, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend en een nader besluit van 19 september 2011 aan de Raad gezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Adansar. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.M. Diderich.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontvangt sinds 1 maart 1996 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Naar aanleiding van een melding van 28 januari 2010 van [R.] ([R.]) dat appellante gedurende de gehele periode dat hij bij haar inwoonde schoonmaak- en kantinewerkzaamheden heeft verricht, heeft de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft appellante op 25 maart 2011 ten overstaan van twee handhavingsspecialisten een verklaring afgelegd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 5 april 2011. De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 7 april 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 12 juli 2011 (bestreden besluit), de bijstand met ingang van 1 januari 2006 in te trekken. Voor wat betreft de periode vanaf 1 januari 2011 heeft het college aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellante, zonder daarvan bij het college melding te maken, met [R.] een gezamenlijke huishouding voert.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd voor zover het betreft de intrekking van de bijstand over de periode van 1 januari 2006 tot 1 januari 2011, en het college opgedragen in zoverre een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover de voorzieningenrechter het bestreden besluit in stand heeft gelaten.

4. Het college heeft bij besluit van 19 september 2011 ter uitvoering van de aangevallen uitspraak het bezwaar tegen het besluit van 7 april 2011 gegrond verklaard voor zover het ziet op de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2010, de bijstand over die periode herzien en alsnog rekening gehouden met de inkomsten uit arbeid van appellante ter hoogte van € 346,66 per maand. Het besluit van 19 september 2011 wordt, gelet op het bepaalde in de artikelen 6:18, 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mede in de beoordeling betrokken.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

de aangevallen uitspraak

5.1. Tussen partijen is in geschil of appellante gedurende de hier te beoordelen periode, die loopt van 1 januari 2011 tot en met 7 april 2011, een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [R.].

5.2. In artikel 3, derde lid, van de WWB is bepaald dat van een gezamenlijke huishouding sprake is indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

5.3. Appellante woont op het adres [adres 1] te [woonplaats]. [R.] is bij de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens ingeschreven op het adres [adres 2] te [woonplaats]. Het aanhouden van afzonderlijke adressen hoeft niet aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg te staan. In dat geval zal aannemelijk moeten zijn dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts een van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op een andere wijze zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken.

5.4. Het oordeel van de voorzieningenrechter dat voldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van het college dat appellante en [R.] gedurende de hier te beoordelen periode hun hoofdverblijf hadden op het adres van appellante is juist. Terecht heeft de voorzieningenrechter doorslaggevende betekenis toegekend aan de inhoud van de verklaringen die appellante op 25 maart 2011 en tijdens de hoorzitting op 16 juni 2011 heeft afgelegd. De Raad onderschrijft overweging 3.7 van de aangevallen uitspraak en verwijst daarnaar.

5.5. Appellante heeft aangevoerd dat zij niet aan haar verklaring van 25 maart 2011 mag worden gehouden omdat die verklaring onder grote stress en onaanvaardbare druk is afgelegd. Zij was tijdens het verhoor in verwarring en heeft meerdere malen te kennen gegeven dat zij wilde stoppen omdat ze er niet meer tegen kon. Zij heeft weliswaar verklaard dat [R.] sinds december 2010 gemiddeld vier dagen per week bij haar verblijft. Zij heeft dat vooral verklaard omdat ze wist dat ze dan weg mocht gaan. Appellante heeft er in dit verband op gewezen dat [R.] heeft verklaard dat hij geen gezamenlijke huishouding met appellante voert en dat partijen inmiddels een huurovereenkomst hebben opgesteld op grond waarvan [R.] met ingang van 1 januari 2011 tegen betaling voor twee dagen per week gebruik mag maken van de logeerruimte in de woning van appellante. Voorts heeft appellante erop gewezen dat van haar verhoor op 25 maart 2011 beeldopnames met geluid zijn gemaakt en dat die opnames na enkele dagen zijn vernietigd. Door de vernietiging van die opnames is het appellante onmogelijk gemaakt haar stelling te onderbouwen dat tijdens het verhoor op appellante onaanvaardbare druk is uitgeoefend.

5.6. De onder 5.5 weergegeven beroepsgrond slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak (CRvB 26 januari 2012, LJN BV2512) mag een betrokkene, ook indien hij later van een afgelegde verklaring terugkomt, in het algemeen aan de aanvankelijk tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde en vervolgens zonder voorbehoud ondertekende verklaring worden gehouden. Er bestaat geen aanleiding hiervan in dit geval af te wijken. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij haar verklaring onder ontoelaatbare druk heeft afgelegd of dat die verklaring om een andere reden buiten beschouwing moet blijven. Dat de van het verhoor van appellante op 25 maart 2011 gemaakte opnames zijn vernietigd, betekent niet dat de toen door haar afgelegde verklaring niet mag worden gebruikt. Het college heeft ter zitting meegedeeld dat van gesprekken als die zijn gevoerd op 25 maart 2011 om veiligheidsredenen opnames worden gemaakt en dat die standaard na enkele dagen worden vernietigd. Er bestaat geen reden aan de juistheid van die mededeling te twijfelen. Uit de verklaring van appellante van 25 maart 2011 komt naar voren dat zij geen belemmeringen zag om een gesprek met de handhavingsspecialisten te voeren. Verder blijkt uit die verklaring dat appellante zeer verrast was toen haar werd meegedeeld dat de melding van [R.] van 28 januari 2010 de aanleiding was geweest voor het onderzoek, dat zij niet naar huis durfde te gaan en niet wist hoe ze de situatie moest aanpakken. Dat betekent echter niet dat wat appellante toen heeft verklaard over het verblijf van [R.] in haar woning onjuist is. Van belang is dat haar verklaring, wat het verblijf van [R.] in haar woning betreft, overeenstemt met haar verklaring tijdens de hoorzitting op 16 juni 2011. Toen heeft zij verklaard dat de situatie er vanaf januari 2011 zo uitziet dat [R.] op vrijdag naar zijn woning in Duitsland gaat en op zondagavond in [woonplaats] terugkomt, hij doordeweeks alleen bij appellante blijft slapen en hij soms als antikraakwacht elders slaapt. De door appellante overgelegde verklaring van [R.] van 21 juni 2011 is niet van betekenis, reeds omdat daaruit op geen enkele wijze naar voren komt dat deze op de hier te beoordelen periode ziet. Dat inmiddels een huurovereenkomst is opgesteld, zoals appellante heeft gesteld, is evenmin van belang. Die huurovereenkomst is immers achteraf opgesteld en met terugwerkende kracht ingegaan. Daaruit kan niet worden afgeleid hoe de feitelijke situatie gedurende de hier te beoordelen periode was.

5.7. Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan is dat van wederzijdse zorg. Deze kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in zeer geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkene gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium is voldaan. Voor het aannemen van wederzijdse zorg is niet noodzakelijk dat de door ieder van beiden geboden zorg jegens elkaar dezelfde omvang en intensiteit heeft.

5.8. Anders dan appellante heeft aangevoerd, heeft de voorzieningenrechter terecht geoordeeld dat voldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van het college dat ten tijde hier van belang sprake was van wederzijdse zorg tussen appellante en [R.]. Van doorslaggevende betekenis is de verklaring van appellante van 25 maart 2011. Daarin komt naar voren dat appellante aan [R.] woonruimte ter beschikking stelt en [R.] geen huur betaalt, appellante het huis schoonmaakt, [R.] mag mee eten als zij kookt en appellante zijn kleding wast, maar niet zijn werkkleding. Voorts blijkt uit de verklaring van appellante dat [R.] kleine klusjes in de woning doet en dat appellante met zijn auto mee mag naar Duitsland. De stelling van appellante dat het bij deze klusjes gaat om een eenmalige klus die jaren geleden is uitgevoerd wordt niet gevolgd. Appellante maakt in haar verklaring van 25 maart 2011 immers zowel melding van schilderwerk dat [R.] in het verleden in haar woning heeft verricht als van de kleine klusjes die [R.] in haar woning doet.

5.9. Het hoger beroep treft geen doel. De aangevallen uitspraak voor zover aangevochten, komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.

het besluit van 19 september 2011

5.10. Appellante heeft ter zitting van de Raad desgevraagd verklaard dat het college een juiste uitvoering heeft gegeven aan de aangevallen uitspraak. Het beroep tegen het besluit van 19 september 2011 dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 19 september 2011 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en W.F. Claessens en R. van der Spoel als leden, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 april 2013.

(getekend) J.J.A. Kooijman

(getekend) M. Sahin

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

HD