Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8481

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-04-2013
Datum publicatie
25-04-2013
Zaaknummer
11/5991 WWB + 11/5992 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering bijstand. Schending van de inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/5991 WWB, 11/5992 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van

31 augustus 2011, 10/1391 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant 1] en [Appellant 2] te [woonplaats] (appellanten)

het college van burgemeester en wethouders van 's-Gravenhage (college)

Datum uitspraak 23 april 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. J. Biemond, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 12 maart 2013. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten ontvangen vanaf 6 mei 1994 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.

1.2. Naar aanleiding van een IB-signaal vermogen waaruit bleek dat appellanten een niet bij het college bekende bankrekening op hun naam hadden staan, heeft de Afdeling Bijzonder Onderzoek van de Dienst SZW van gemeente ’s-Gravenhage een onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader heeft de Afdeling Bijzonder Onderzoek bij appellanten afschriften van deze bankrekening opgevraagd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 5 november 2009.

1.3. In de onderzoeksbevindingen heeft het college aanleiding gezien om bij besluit van 16 november 2009 de bijstand van appellanten over de periode van 1 januari 2003 tot en met 30 september 2008 te herzien en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 15.532,20 van appellanten terug te vorderen. Bij besluit van 24 november 2009 heeft het college het bedrag van de terugvordering gewijzigd in € 15.259,85. Het college heeft het tegen deze besluiten gemaakte bezwaar bij besluit van 19 januari 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming ligt, samengevat, het volgende ten grondslag. Appellanten hebben de op hen rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden door geen melding te maken van de op hun naam staande bankrekening bij de ABN AMRO met [bankrekening] (bankrekening). Appellanten hebben in de te beoordelen periode op deze bankrekening diverse kasstortingen gedaan. Aangezien appellanten de herkomst van de kasstortingen op de bankrekening niet hebben aangetoond, heeft het college de stortingen als inkomsten aangemerkt en in de betreffende maanden op de bijstand in mindering gebracht.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben in hoger beroep aangevoerd dat een groot deel van de stortingen op de bankrekening afkomstig is van de Sociale verzekeringsbank (SVB) en de belastingdienst en dat uit niets blijkt dat het college per maand heeft beoordeeld of er in die maand recht op bijstand bestond.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Niet in geschil is dat appellanten beschikten over de bankrekening, dat op de bankrekening regelmatig substantiële bedragen per kas werden gestort en dat appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden door geen melding te maken van de bankrekening en de kasstortingen. Uit rapportage van 5 november 2009 blijkt voorts dat uitsluitend de kasstortingen in de herziening en terugvordering zijn betrokken en dat het college per maand, aan de hand van de kasstortingen, heeft beoordeeld of en, zo ja, in hoeverre appellanten nog recht op bijstand hadden. De beroepsgrond dat ook de door de SVB en de Belastingdienst op de bankrekening bijgeschreven bedragen op de bijstand van appellanten in mindering zijn gebracht, mist feitelijke grondslag en slaagt om die reden niet. Ditzelfde geldt voor de beroepsgrond dat nergens uit blijkt dat het college het recht op bijstand per maand heeft beoordeeld.

4.2. Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en W.F. Claessens en R. van der Spoel als leden, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 april 2013.

(getekend) J.J.A. Kooijman

(getekend) M. Sahin

sg