Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8478

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-04-2013
Datum publicatie
25-04-2013
Zaaknummer
12-323 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Schending inlichtingenverplichting en medewerkingsverplichting. Redelijke grond voor een huisbezoek. De fraudepreventiemedewerkers hebben appellante duidelijk uitgelegd dat zij het huisbezoek mag weigeren maar dat dit kan leiden tot beëindiging van de bijstand. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij tijdens het huisbezoek in een zodanige geestelijke toestand is geraakt dat zij daardoor niet heeft kunnen begrijpen welke gevolgen de weigering van het huisbezoek zou kunnen hebben. De enkele verklaring van appellante achteraf dat zulks het geval was, is daartoe, reeds gelet op het ontbreken van objectieve gegevens die deze stelling staven, onvoldoende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/323 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 22 december 2011, 11/90 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (college)

Datum uitspraak 23 april 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. drs. J.E. Groenenberg, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Groenenberg. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.P. van der Plaats.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving sinds 3 september 2007 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2. Naar aanleiding van een melding dat de ex-echtgenoot van appellante sinds december 2009 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) op het uitkeringsadres van appellante staat ingeschreven, heeft de sociale recherche van de gemeente Haarlemmermeer een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft de sociale recherche de GBA geraadpleegd, informatie ingewonnen bij de Dienst Wegverkeer en in de periode van 16 augustus 2010 tot en met 23 augustus 2010 negen waarnemingen verricht in de buurt van de woning van appellante. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 23 augustus 2010.

1.3. De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om appellante uit te nodigen voor een gesprek met haar klantmanager en een fraudepreventiemedewerker van het Cluster Sociale Dienstverlening op 3 september 2010. Appellante heeft het gesprek voortijdig verlaten.

1.4. Bij besluit van 7 september 2010 heeft het college het recht op bijstand van appellante met ingang van 3 september 2010 opgeschort op de grond dat er onvoldoende gegevens beschikbaar zijn om de bijstand voort te kunnen zetten.

1.5. Op 16 september 2010 heeft op het uitkeringsadres een onaangekondigd huisbezoek plaatsgevonden. Uit het verslag van dat huisbezoek, opgenomen in een rapport van 16 september 2010, komt het volgende naar voren. De fraudepreventiemedewerkers hebben appellante meegedeeld dat er twijfels waren over haar woonsituatie en hebben haar tweemaal gevraagd om toestemming te verlenen voor het afleggen van het huisbezoek. Appellante heeft daarvoor geen toestemming verleend, waarna de fraudepreventiemedewerkers zijn weggegaan. Appellante heeft hen daarna teruggeroepen. Zij gaf vervolgens aan dat zij de

fraudepreventiemedewerkers wel binnen wilde laten, maar er geen toestemming voor gaf. Uiteindelijk heeft appellante gezegd het huisbezoek te weigeren.

1.6. Bij besluit van 16 september 2010 heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 3 september 2010 ingetrokken. Het college heeft aan het besluit, onder verwijzing naar de artikelen 17 en 54, vierde lid, van de WWB, ten grondslag gelegd, dat appellante heeft geweigerd mee te werken aan een huisbezoek en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

1.7. Bij besluit van 29 november 2010 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 7 september 2010 en 16 september 2010 ongegrond verklaard. Het college heeft overwogen dat geen sprake is van een opschorting, maar van een blokkering en heeft de intrekking van de bijstand gebaseerd op de artikelen 17 en 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd voor zover het betreft de intrekking van de bijstand. Zij heeft aangevoerd dat zij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden. Appellante heeft het gesprek op 3 september 2010 als zeer onprettig en bedreigend ervaren en is daardoor hevig geëmotioneerd geraakt. Om escalatie van het gesprek te voorkomen, heeft appellante het gesprek voortijdig verlaten, wat haar niet valt te verwijten. Verder is de weigering om medewerking te verlenen aan het huisbezoek niet aan appellante toe te rekenen. De gevolgen van de weigering zijn haar onvoldoende duidelijk gemaakt, dan wel had het voor de fraudepreventiemedewerkers duidelijk moeten zijn dat zij deze gevolgen onvoldoende heeft begrepen. Daarbij is van belang dat appellante in een geëmotioneerde toestand verkeerde.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De te beoordelen periode bestrijkt de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken, 3 september 2010, tot en met de datum van het primaire besluit, 16 september 2010.

4.2. Artikel 17, eerste lid, van de WWB bepaalt, voor zover hier van belang, dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de belanghebbende verplicht is aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de WWB.

4.3. Het college heeft, gelet op de onder 1.2 bedoelde onderzoeksresultaten, redelijkerwijs kunnen twijfelen aan de juistheid van de door appellante verstrekte gegevens over haar woon- en leefsituatie als alleenstaande ouder. Er was dan ook aanleiding om appellante uit te nodigen voor een gesprek op 3 september 2010. Uit het in een rapportage van 16 september 2010 opgenomen gespreksverslag blijkt dat appellante, nadat zij een aantal vragen had beantwoord, enigszins geïrriteerd is geraakt en heeft aangegeven al die vragen onzin te vinden. Vervolgens is appellante geconfronteerd met de waarnemingen ter plaatse waarbij de auto van haar ex-echtgenoot steeds in de buurt van haar woning is aangetroffen. Appellante is daarop nog meer geïrriteerd geraakt en heeft schreeuwend de spreekkamer verlaten. Uit het gespreksverslag blijkt niet dat de fraudepreventiemedewerker en de klantmanager zich onheus jegens appellante hebben gedragen. Daarbij is van belang dat de bij het gesprek aanwezige maatschappelijk werkster van appellante heeft verklaard dat er geen verkeerde vragen zijn gesteld en dat het gesprek goed was verlopen tot de uitbarsting van appellante. Voorts heeft appellante kennelijk geen aanleiding gezien zich na het gesprek tot het college te wenden met een klacht over de door haar ondervonden bejegening. Voor het oordeel dat de omstandigheid dat appellante voortijdig het gesprek heeft verlaten, niet voor haar rekening en risico dient te komen, bestaat dan ook geen grond.

4.4. Volgens het gespreksverslag bestonden na afloop van het gesprek nog vragen over de feitelijke verblijfplaats van de ex-echtgenoot van appellante en was nog geen helder beeld ontstaan van haar woonsituatie. Dit betekent dat er een redelijke grond aanwezig was om een huisbezoek te doen plaatsvinden. Het college heeft daarom van appellante kunnen verlangen dat zij medewerking zou verlenen aan het huisbezoek.

4.5. Uit het in een rapportage van 16 september 2010 opgenomen verslag van het huisbezoek blijkt dat de fraudepreventiemedewerkers appellante duidelijk hebben uitgelegd dat zij het huisbezoek mag weigeren maar dat dit kan leiden tot beëindiging van de bijstand. Uit dat verslag, waarvan de essentie is weergegeven in 1.5, blijkt voorts dat appellante heeft geweigerd medewerking te verlenen aan het huisbezoek. Uit de verklaringen van appellante tijdens dit gesprek en het waargenomen gedrag, zoals neergelegd in het verslag, kan niet worden afgeleid dat zij de gevolgen van haar weigering niet heeft begrepen. Voorts heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat zij tijdens het huisbezoek op 16 september 2010 in een zodanige geestelijke toestand is geraakt dat zij daardoor niet heeft kunnen begrijpen welke gevolgen de weigering van het huisbezoek zou kunnen hebben. De enkele verklaring van appellante achteraf dat zulks het geval was, is daartoe, reeds gelet op het ontbreken van objectieve gegevens die deze stelling staven, onvoldoende.

4.6. Uit 4.3 tot en met 4.5 vloeit voort dat appellante niet heeft voldaan aan de inlichtingenverplichting en de medewerkingsverplichting als bedoeld in artikel 17, eerste en tweede lid, van de WWB.

4.7. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en W.F. Claessens en R. van der Spoel als leden, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 april 2013.

(getekend) J.J.A. Kooijman

(getekend) M. Sahin

HD