Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8477

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-04-2013
Datum publicatie
25-04-2013
Zaaknummer
10-1136 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering uitkering op grond van de Wet WIA. Geen juiste medische grondslag. De bezwaararbeidsdeskundige heeft in zijn rapportage van 19 oktober 2012 geconcludeerd dat op basis van de gewijzigde FML voldoende in deeltijd uit te voeren functies vallen aan te geven waarbij het verlies aan verdienvermogen ook ruim beneden de 35% blijft. De Raad heeft geen aanleiding die uitkomst voor onjuist te houden. Vernietiging uitspraak. Vernietiging besluit. Rechtsgevolgen blijven in stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/1136 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van

13 januari 2010, 09/1630 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 24 april 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S.J.W.C. Lipman, werkzaam bij DAS rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 september 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. D.E. de Hoop, eveneens werkzaam bij DAS rechtsbijstand. Namens het Uwv is verschenen mr. W. de Rooy-Bal.

Omdat het onderzoek niet volledig is geweest, heeft de Raad het onderzoek heropend.

Op verzoek van de Raad heeft prof. dr. E. Boven, internist en medisch oncoloog, als deskundige onderzoek verricht en verslag uitgebracht.

Naar aanleiding van de reacties van partijen op het uitgebrachte rapport heeft de deskundige nader gerapporteerd.

Partijen hebben daarop nogmaals gereageerd en nadere stukken ingezonden.

Op verzoek van de Raad heeft het Uwv bericht ingezonden over de consequenties van de door de deskundige wenselijk geachte beperkingen.

Het onderzoek ter zitting heeft opnieuw plaatsgevonden op 14 maart 2013. Appellante is met bericht niet verschenen. Namens het Uwv is verschenen mr. J.J. Grasmeijer.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is werkzaam geweest als leerkracht op een basisschool. Tijdens haar werkloosheid heeft zij zich op 27 november 2006 met hoofdpijn- en duizeligheidsklachten ziek gemeld.

1.2. Op haar aanvraag om uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) heeft het Uwv op 9 oktober 2008 afwijzend beslist, op de grond dat na medisch en arbeidskundig onderzoek is gebleken dat appellante met ingang van 24 november 2008 minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

1.3. Bij besluit van 26 januari 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante tegen het besluit van 9 oktober 2008 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Verzekeringsarts M.F.L. Smol heeft lichamelijk en psychisch onderzoek gedaan, dossierstudie verricht en informatie opgevraagd bij neuroloog L.A.M. Aerden. Bezwaarverzekeringsarts R. Blanker was aanwezig tijdens de hoorzitting en had bij zijn beoordeling de beschikking over informatie van genoemde neuroloog Aerden, neuroloog prof. dr. J.G. van Dijk en fysiotherapeut M. Pruis. Verzekeringsarts Smol heeft vastgesteld dat voor appellante beperkingen bestaan, die zijn neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Volgens bezwaarverzekeringsarts Blanker is geen medische objectivering te vinden voor het stellen van extra beperkingen op het gebied van inspanningstolerantie, zoals door de van de zijde van appellante ingeschakelde verzekeringsarts H.M.Th. Offermans in zijn rapport van 22 juli 2009 op grond van de diagnose Postural Orthostatic Tachycardia Syndrome (POTS) gemeld.

De rechtbank heeft geen aanleiding gezien te twijfelen aan de juistheid van de in de FML neergelegde beperkingen. Voor het inschakelen van een deskundige heeft de rechtbank daarom geen aanleiding gezien. De rechtbank komt tot de slotsom dat het Uwv terecht heeft geweigerd om aan appellante een uitkering toe te kennen.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op het standpunt gesteld niet in staat te zijn om een volledige dag te werken, noch een werkweek te vervullen van 4 uur per dag/20 uur per week. Volgens haar wordt POTS gekenmerkt door onvermogen tot wezenlijke inspanning, onwelbevinden in staande houding en een onvermogen om te presteren. Voorts acht zij, met verwijzing naar de brief van Oedeemfysiotherapeute P. van der Horst-Bool van 24 augustus 2012, haar rechterarm verminderd belastbaar als gevolg van lymfoedeem. Er dienen volgens appellante aanvullende beperkingen te worden aangenomen op energetisch en fysiek vlak. Met haar beperkingen kan zij de geduide functies niet uitoefenen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1 In haar rapportage van 19 januari 2012 komt de door de Raad ingeschakelde deskundige Boven tot de conclusie dat er geen sprake is van POTS maar dat er aanwijzingen zijn voor orthostatische intolerantie en een mogelijke afwijking in het autonome perifere vasculaire regelmechanisme. De deskundige kan zich niet verenigen met een belastbaarheid van 2x 8 uur op 2 aaneengesloten dagen en meent dat de werkzaamheden beter ondergebracht kunnen worden in 4 werkdagen per week van 4 uur met de woensdag vrij. Ook bepleit de deskundige aan de FML toe te voegen dat werkzaamheden in een voldoende warme omgeving moeten worden uitgevoerd. De deskundige geeft aan dat zij zich overigens kan vinden in de FML van 2 september 2008 en het betoog van de bezwaarverzekeringsarts van 20 januari 2009.

4.2. Naar aanleiding van de reacties op haar rapport door bezwaarverzekeringsarts J.H.M. de Brouwer, gemachtigde Lipman en prof. Van Dijk heeft de deskundige op 19 april 2012 nader gerapporteerd. Daarbij is de deskundige ingegaan op de vragen en opmerkingen omtrent de medische bevindingen van haar onderzoek en de gevolgen daarvan voor het aannemen van beperkingen en de mogelijkheden tot deelname aan het arbeidsproces. In reactie op prof. Van Dijk heeft de deskundige toegelicht dat op basis van de voorhanden gegevens onduidelijk is of appellante aan de geldende definitie van POTS voldoet. In haar reactie stipuleert de deskundige dat de ernst van de orthostatische intolerantie kan worden gegradeerd en dat afhankelijk van de ernst van de klachten er geen of meer beperkingen in de lichamelijke bezigheden zijn. In reactie op de opmerkingen van bezwaarverzekeringsarts De Brouwer over de gestelde urenbeperking heeft de deskundige toegelicht dat de urenbeperking niet is gestoeld op een medisch te objectiveren majeure lichamelijke beperking. De deskundige heeft daarover voorts gesteld: “Er zijn anamnestisch aanwijzingen voor orthostatische intolerantie. De klachten bestaan al jaren en komen reëel over. De acrocyanose kan een uiting zijn van een afwijking in het autonome perifere vasculaire regelmechanisme, dat zorgt voor de bloeddrukregeling. Door de orthostatische intolerantie ervaart betrokkene beperkingen in haar werkzaamheden buitenshuis.” Vervolgens heeft de deskundige haar conclusie over de urenbeperking gehandhaafd.

4.3. In zijn reactie van 25 mei 2012 heeft bezwaarverzekeringsarts De Brouwer gesteld in het rapport van de deskundige geen door ziekte of gebrek veroorzaakte urenbeperking te lezen. Hij verenigt zich met het stellen van beperkingen voor het werken in koude. Arbeidskundig gevolg van die beperking is dat twee van de geduide voorbeeldfuncties niet worden gehandhaafd. Door appellante is een nadere reactie van prof. Van Dijk van 20 augustus 2012 ingezonden, die erop wijst dat hij destijds concludeerde dat het door hem verrichte onderzoek op POTS zou kunnen wijzen en dat niemand goed begrijpt wat het mechanisme van de klachten is. Ook is een reactie ingezonden van appellantes behandelend oedeemtherapeut Van der Horst.

4.4. In de vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige volgt, tenzij op grond van bijzondere omstandigheden afwijking van deze hoofdregel is gerechtvaardigd (CRvB 11 december 2009, LJN: BK6484) . De Raad is van oordeel dat er in dit geval geen aanleiding is van deze hoofdregel af te wijken. De deskundige heeft zorgvuldig onderzoek gedaan. Zij is in een nader rapport concreet en gemotiveerd ingegaan op de reacties van partijen en heeft haar bevindingen nader toegelicht en haar conclusies met enige nuancering gehandhaafd. Voor het stellen van nog verdergaande beperkingen dan de door de deskundige aangegeven beperkingen, zoals door appellante bepleit, zie de Raad geen aanleiding.

De in de verschillende rapportages en brieven opgeworpen vraag of bij appellante sprake is van POTS staat er niet aan in de weg om de uitgebreide en behoorlijk gemotiveerde opvatting van de deskundige te volgen over de effecten van de klachten en bevindingen op het verrichten van arbeid. Dit leidt tot de conclusie dat de medische beperkingen zijn onderschat en in de aan de besluitvorming ten grondslag liggende FML de beperkingen van appellante niet juist zijn weergegeven. Het bestreden besluit ontbeert dus een juiste medische grondslag.

4.5. Desgevraagd heeft het Uwv op 4 oktober 2012 een FML doen opmaken waarin de door de deskundige gestelde koude en urenbeperkingen zijn verwerkt. De bezwaararbeidsdeskundige J.G.W. de Wit heeft vervolgens in zijn rapportage van

19 oktober 2012 geconcludeerd dat op basis van de gewijzigde FML voldoende in deeltijd uit te voeren functies vallen aan te geven waarbij het verlies aan verdienvermogen ook ruim beneden de 35% blijft. De Raad heeft geen aanleiding die uitkomst voor onjuist te houden. Mitsdien is terecht geweigerd appellante in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van de Wet WIA.

4.6. Het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak zullen worden vernietigd aangezien, zoals in 4.4. is overwogen, geen sprake is geweest van een juiste medische grondslag. Hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 4.5 brengt evenwel mee dat er aanleiding is de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, het verzoek om een proceskostenveroordeling in beroep en in hoger beroep te honoreren en het griffierecht in beroep en in hoger beroep te vergoeden. De proceskosten worden voor verleende rechtsbijstand in beroep begroot op € 1.652,- en in hoger beroep op € 1.416,-. De gedeclareerde kosten voor het uitbrengen en inzenden van medische rapportages en brieven komen voor een totaal van 11 uren conform het forfaitaire uurtarief van € 81,23 voor vergoeding in aanmerking tot een totaalbedrag van € 893,53. Voor het toekennen van een schadevergoeding bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

-vernietigt de aangevallen uitspraak;

-verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

-bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand blijven;

-veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van € 3.961,53;

-bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 149,- vergoedt;

-wijst af het verzoek om schadevergoeding.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J.S. van der Kolk en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 april 2013.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) D.E.P.M. Bary

GdJ