Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8476

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-04-2013
Datum publicatie
25-04-2013
Zaaknummer
11-2038 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om terug te komen van het besluit van 14 augustus 1989. Geen sprake van nieuwe medische feiten of veranderde omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/2038 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

23 februari 2011, 10/2675 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 24 april 2013.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting op 13 maart 2013. Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is op 19 september 1988 wegens longklachten ongeschikt geworden voor zijn arbeid als productiemedewerker bij een vleesgroothandel.

1.2. Bij besluit van 14 augustus 1989 heeft de toenmalige rechtsvoorganger van het Uwv, de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging, aan appellant per 20 september 1989, in aansluiting op de wachttijd van 52 weken, geen arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en

de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) toegekend omdat hij niet arbeidsongeschikt werd geacht in de zin van deze wetten.

1.3. Bij besluit van 3 juni 1996 is namens voormelde bedrijfsvereniging besloten niet terug te komen van het besluit van 14 augustus 1989, omdat niet was gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden. Het beroep van appellant tegen dit besluit is door de rechtbank Amsterdam bij in rechte onaantastbaar geworden uitspraak van 26 maart 1997 (AAW/WAO 96/6308/40) ongegrond verklaard.

2. Op 12 september 2007 heeft de Caisse Nationale de Sécurité Sociale te Casablanca - onder overlegging van enkele medische verklaringen - zich tot het Uwv gewend met een aanvraag voor appellant van een uitkering op grond van de WAO. Daarbij is te kennen gegeven dat appellant in 1989 Nederland om gezondheidsredenen had verlaten. Dit verzoek is door het Uwv uiteindelijk opgevat als een verzoek om terug te komen van het besluit van 14 augustus 1989.

3. Bij besluit van 6 mei 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het naar aanleiding van voormeld verzoek genomen afwijzende besluit van 25 januari 2010 gehandhaafd op grond van de motivering dat niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.

4. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit onder verwijzing naar artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat uit het rapport van 3 mei 2010 van de betrokken bezwaarverzekeringsarts voldoende blijkt dat geen sprake is van nieuwe medische feiten of veranderde omstandigheden.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Ter ondersteuning van voormelde aanvraag van 12 september 2007 zijn namens appellant vorenbedoelde medische verklaringen ingezonden. Zoals de bezwaarverzekeringsarts in haar rapport van 3 mei 2010 heeft vastgesteld bevatten de ingezonden verklaringen geen nieuwe feiten of omstandigheden, aangezien reeds in 1989 bekend was dat appellant leed aan een chronische astmatische longaandoening met een allergie. Daarvan uitgaande kan niet worden gezegd dat het Uwv niet in redelijkheid tot zijn bestreden besluit heeft kunnen komen. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt geen reden voor een ander oordeel.

5.2. Uit hetgeen onder 5.1 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Er is geen grond voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 april 2013.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) Z. Karekezi

QH