Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8469

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-04-2013
Datum publicatie
25-04-2013
Zaaknummer
11-4136 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant komt niet in aanmerking voor een verhoging van zijn WAO-uitkering omdat hij, na de wettelijk wachttijd van vier weken niet toegenomen arbeidsongeschikt wordt beschouwd. Evenals de rechtbank ziet de Raad in hetgeen namens appellant is aangevoerd geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van het oordeel van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/4136 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 1 juni 2011, 10/3306 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 24 april 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Jongeneel, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 27 september 2012 heeft mr. Jongeneel de Raad bericht dat hij niet langer optreedt als gemachtigde van appellant.

Het hoger beroep is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting op 13 maart 2013. Partijen zijn met bericht niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant heeft vanaf 26 februari 2001 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen, die laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Na een herbeoordeling, waarbij verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek is verricht, is bij besluit van

31 augustus 2006 de WAO-uitkering van appellant met ingang van 1 november 2006 verlaagd op de grond dat de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van laatst genoemde datum op 35 tot 45% moet worden gesteld. Met de uitspraak van de Raad van 9 september 2009, 08/7021 WAO, staat dit besluit in rechte vast.

1.2. Op 1 november 2007 heeft appellant zich toegenomen arbeidsongeschikt gemeld en een beroep gedaan op de zogenoemde Amber regeling van artikel 39a van de WAO. In dat kader heeft een verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsgevonden. Verzekeringsarts R. van Diessen is in zijn rapportage van 6 en 27 november 2009 tot de conclusie gekomen dat de medische beperkingen van appellant niet zijn toegenomen ten opzichte van de situatie in 2006 en dat de FML van 14 juni 2006 nog steeds geldig is. Bij besluit van 17 december 2009 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor een verhoging van zijn WAO-uitkering omdat hij, na de wettelijk wachttijd van vier weken niet toegenomen arbeidsongeschikt wordt beschouwd.

1.3. Bij besluit van 30 maart 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 17 december 2009 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit is een rapportage van bezwaarverzekeringsarts G.K. Hebly van 25 maart 2010 ten grondslag gelegd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen (waarbij appellant is aangeduid als eiser en het Uwv als verweerder)

“4.3. De beroepsgrond van eiser dat sprake is van inconsistentie tussen de beoordeling door de primaire verzekeringsarts en die van de bezwaarverzekeringsarts kan niet slagen. In zijn rapportage van 25 maart 2010 heeft de bezwaarverzekeringsarts vermeld dat de klasse niet wordt gewijzigd, omdat de primaire verzekeringsarts van oordeel is dat de beperkingen niet waren toegenomen. Eiser heeft uit het primaire besluit van 17 december 2009 afgeleid dat de verzekeringsarts (klaarblijkelijk) van oordeel is dat sprake is van toegenomen klachten voortkomend uit een andere ziekteoorzaak en dit oordeel door de bezwaarverzekeringsarts zou worden onderschreven. In de rapportage van de verzekeringsarts van 6 november 2009 en 27 november 2009 is evenwel een dergelijk oordeel niet terug te vinden. De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat de belastbaarheid van heden overeenkomstig de eerder beschreven belastbaarheid op 14 juni 2006 is. Volgens zijn onderzoek is er sinds het laatste verzekeringsgeneeskundig onderzoek niets veranderd, zodat ook op de geclaimde datum, 4 weken na 1 november 2007, de opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) nog steeds van toeppassing is. De bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn rapportage van 25 maart 2010 geoordeeld dat de medische beoordeling van de verzekeringsarts kan worden gehandhaafd. Van een inconsistent en onzorgvuldig medisch onderzoek kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gesproken.

4.4. De beroepsgrond van eiser dat de beoordeling van de primair- en bezwaarverzekeringsarts onbegrijpelijk is te achten, gezien de eerdere geneeskundige beoordeling in het kader van de Ziektewet en zijn ziektebeeld, kan ook niet slagen. Verweerder heeft hierover verklaard dat de ZW-beoordeling onjuist is geweest. De verzekeringsarts-ZW beschikte niet over alle relevante medische gegevens en is daarbij tevens uitgegaan van de verkeerde definitie ‘arbeid’ in de zin van de ZW. Weliswaar heeft verweerder onzorgvuldig gehandeld, maar de rechtbank ziet geen aanleiding om hieraan consequenties te verbinden voor de beoordeling van de gemelde toename van arbeidsongeschiktheid als hier in geding. De verzekerarts heeft in zijn rapport van 6 november 2009//27 november 2009 geoordeeld dat de meeste klachten van eiser niet objectiveerbaar zijn. Voorts heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat nu eisers klachtenpresentatie past bij het chronisch pijnsyndroom eisers beperkingen sinds het laatste WAO-onderzoek niet zijn toegenomen. De eerder vastgestelde FML van 14 juni 2006 blijft ongewijzigd van toepassing. Bijkens zijn rapportages van 25 maart 2010 en 22 oktober 2010 heeft de bezwaarverzekeringsarts geconcludeerd dat er geen reden is om af te wijken van het oordeel van de verzekeringsarts. De rechtbank heeft geen aanleiding om aan het oordeel van de verzekeringsartsen te twijfelen. Er zijn geen aanknopingspunten om tot het oordeel te komen dat er meer beperkingen aangenomen hadden moeten worden. Eiser heeft ook geen medische informatie overgelegd op grond waarvan zou kunnen worden getwijfeld aan de juistheid van het oordeel van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts.

4.5. Het betoog van eiser dat de bezwaarverzekeringsarts aan het aspect dat reuma een aandoening is met doorgaans een progressief beloop geen aandacht heeft besteed slaagt ook niet. Blijkens de nadere rapportage van

22 oktober 2010 is de bezwaarverzekeringsarts hierop wel ingegaan. De bezwaarverzekeringsarts heeft geoordeeld dat een progressief beloop bij veel reumapatiënten niet dadelijk kan worden vertaald in de verwachting dat bij eiser, die lijdt aan reumatische klachten zonder serologische bevindingen, toename van beperkingen ook voor de hand ligt. Bij zijn klachten en beloop dienen bovendien ook de andere diagnosen niet te worden vergeten. Somatisatie hoeft niet toe te nemen, fibromyalgie ook niet,

pseudo-radiculaire klachten evenmin. De rechtbank heeft geen grond voor een ander oordeel.

4.6. Gezien het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de verweerder terecht de uitkering van eiser niet heeft opgehoogd naar een hogere mate van arbeidsongeschiktheid ingevolge artikel 39a van de WAO.”

3. In hoger beroep heeft appellant in essentie zijn standpunt herhaald dat er per 1 november 2007 wel degelijk sprake was van een toename van zijn beperkingen en daartoe verwezen naar de brief van reumatoloog De Jonge-Bok van 24 oktober 2007, die melding maakt van een exacerbatie sinds mei 2007 en de brief van reumatoloog Schouffoer van 30 januari 2009, waarin wordt gesproken over chronisch pijnsyndroom.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1. Door appellant zijn in hoger beroep geen nieuwe medische gronden of omstandigheden aangevoerd. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen kunnen dan ook onderschreven worden. Zoals blijkt uit de rapportages van de (bezwaar)verzekeringsartsen, hebben deze kennisgenomen van de door appellant genoemde brieven van de reumatologen De Jonge-Bok en Schouffoer en deze betrokken bij hun beoordeling. Evenals de rechtbank ziet de Raad in hetgeen namens appellant is aangevoerd geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van het oordeel van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts.

4.2. Gelet op hetgeen in 4.1 is overwogen slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 april 2013.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) G.J. van Gendt

JvC