Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8351

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-04-2013
Datum publicatie
25-04-2013
Zaaknummer
12-4433 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om terug te komen van een eerder besluit. Er is geen sprake van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/4433 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 26 juni 2012, 11/684 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 24 april 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.W. Brouwer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2013 gevoegd behandeld met het geding omtrent nummer 12/4432. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Brouwer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. de Jong. Ter afdoening zijn de gevoegde zaken weer gesplitst.

OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 11 april 2011 heeft het Uwv beslist dat appellante met ingang van 18 april 2011 geen recht meer heeft op ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW), omdat zij op en na die datum geschikt is te achten voor haar werk, zijnde de geduide functies, welke eerder in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) zijn geselecteerd. Het bezwaar van appellante tegen dat besluit heeft het Uwv bij besluit van

11 mei 2011 niet-ontvankelijk verklaard. Het tegen dit besluit ingestelde beroep heeft de rechtbank bij uitspraak van, eveneens, 26 juni 2012 ongegrond verklaard.

2. Het Uwv heeft het bezwaar van appellante tegen het besluit van 11 april 2011 tevens aangemerkt als een verzoek om terug te komen van dat besluit. Bij besluit van 16 mei 2011 heeft het Uwv het verzoek van appellante, om terug te komen op het besluit van 11 april 2011, afgewezen. Het bezwaar tegen dat besluit heeft het Uwv bij besluit van 1 september 2011 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat appellante geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

4. In hoger beroep heeft appellante haar standpunt herhaald dat het Uwv het vertrouwensbeginsel heeft geschonden door in het bestreden besluit toepassing te geven aan artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Appellante verwijst hierbij naar de brief van verzekeringsarts K.J. Volders bij het bestreden besluit van 16 mei 2011, waarin wordt meegedeeld dat er een nieuwe beslissing is genomen, waartegen appellante nogmaals bezwaar kan aantekenen en dat dit bezwaar ook inhoudelijk zal worden bekeken.

5.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.2. Tussen partijen is niet in geschil dat het Uwv bij besluit van 11 april 2011 met ingang van 18 april 2011 het recht op ziekengeld heeft beëindigd. Nu appellante tegen dat besluit niet tijdig bezwaar heeft gemaakt zonder dat sprake was van verschoonbaarheid van de late indiening, staat het besluit van 11 april 2011 in rechte vast.

5.3.1. In artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit.

5.3.2. Het Uwv komt in het algemeen de bevoegdheid toe om, na een eerdere afwijzing, een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bepaalde in artikel 4:6 van de Awb staat daaraan niet in de weg. Indien het Uwv, met gebruikmaking van deze bevoegdheid, de eerdere afwijzing handhaaft kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijnen voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. Gelet hierop moet hier worden uitgegaan van het oorspronkelijke besluit. De toetsing beperkt zich dan tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het Uwv daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.

5.4. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat er geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Hoewel niet alle door appellante overgelegde medische gegevens bij de verzekeringsarts bekend waren en in die zin dus, zoals de verzekeringsarts K.J. Volders in zijn brief van 16 mei 2011 stelt, sprake is van nieuwe gegevens, werpen deze gegevens geen nieuw licht op appellantes medische toestand op de datum in geding. De rechtbank heeft dan ook terecht geconcludeerd dat het Uwv bevoegd was het verzoek af te wijzen onder verwijzing naar het besluit van 11 april 2011 vanwege het ontbreken van nieuwe feiten of een veranderde omstandigheid.

5.5. Het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel kan niet slagen. Gelet op het onder 5.3 weergegeven, door de bestuursrechter te hanteren, terughoudende toetsingskader kan niet worden gezegd dat het Uwv bij het nemen van het bestreden besluit heeft gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel. In dit verband kan ook worden gewezen op de uitspraak van de Raad van 27 juli 2011, LJN BR3543.

5.6. Uit hetgeen onder 5.2 tot en met 5.5 is overwogen, volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 april 2013.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) G.J. van Gendt

QH