Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7993

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-04-2013
Datum publicatie
23-04-2013
Zaaknummer
12-2067 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant is uitgevallen met zeer ernstige visusklachten. Appellant heeft een WGA-uitkering ontvangen. Na omscholing is hij bij zijn werkgever gere-integreerd. Het inkomen dat appellant hiermee verdiende bedroeg aanzienlijk meer dan het inkomen dat hij voorheen verdiende.

Appellant is wederom uitgevallen. Het Uwv heeft appellant meegedeeld dat hij geen recht heeft op een WGA-uitkering, maar wel op een IVA-uitkering. Deze uitkering is vastgesteld op 75% van het geïndexeerde, eerder vastgestelde WIA-maandloon. Appellant is van mening dat de IVA-uitkering gebaseerd dient te worden op het loon dat hij verdiende in zijn laatste functie en dient als referteperiode voor de vaststelling van het dagloon te worden uitgegaan van de periode van een jaar direct voorafgaand aan zijn definitieve uitval.

Raad: Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 20 april 2012, LJN: BW4709) is van belang dat op grond van art. 43, aanhef en onder a, ten eerste, van de Wet WIA het recht hebben op een WGA- of IVA-uitkering een uitsluitingsgrond is. In het oorspronkelijke wetsvoorstel van de Wet WIA was een art. 5.2 opgenomen op grond waarvan de betreffende uitsluitingsgrond niet van toepassing was onder meer in de situatie dat een gedeeltelijk arbeidsgeschikte die naast zijn WGA-uitkering werkt, ziek wordt. Bij de derde Nota van wijziging bij het wetsvoorstel Wet WIA (Kamerstukken II, 2004-2005, 30 034, nr. 21, blz. 2 en 4) is het voorgestelde art. 5.2 vervallen. In plaats daarvan is een garantie in de vervolguitkering van de WGA geïntroduceerd. Op grond van deze, in art. 62, lid 3, aanhef en onder b, van de Wet WIA opgenomen, garantie wordt de WGA-vervolguitkering verhoogd als de LGU van het (niet ontstane) tweede recht hoger zou zijn geweest dan de WGA-vervolguitkering van het bestaande recht.

De thans te beoordelen situatie is uitzonderlijk. Het komt zelden voor dat een WGA-gerechtigde in staat is een functie te verwerven waarin hij veel meer verdient dan het salaris waarin hij oorspronkelijk is uitgevallen. Hoewel de wetgever deze specifieke situatie niet voor ogen heeft gehad, moet worden vastgesteld dat de wetgever een welbewuste keuze heeft gemaakt om geen twee uitkeringsrechten op grond van de Wet WIA naast elkaar te laten ontstaan. De uitleg die de Rb. aan art. 13, lid 1 van de Wet WIA heeft gegeven, kan derhalve niet worden onderschreven.

Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting wordt nog het volgende opgemerkt. Appellant kan aan de garantieregeling van art. 62, lid 3, aanhef en onder b, van de Wet WIA geen rechten ontlenen omdat hij op 6 oktober 2008 nog recht had op een LGU en niet op een WGA-vervolguitkering. Verder ontbreekt in de WIA - tot nu toe - een met art. 40 WAO vergelijkbaar artikel en ook in het Besluit dagloonregels werknemersverzekering is geen bepaling te vinden die tot een hernieuwde dagloonvaststelling per 8 oktober 2008 zou kunnen leiden. Ten slotte staat art. 11 van de Wet Algemene Bepalingen in de weg van een beoordeling door de rechter van de innerlijke waarde of billijkheid van de wet.

Derhalve is de Raad van oordeel dat het Uwv bij de vaststelling van de hoogte van de IVA-uitkering de juiste referteperiode in aanmerking heeft genomen en dat dat terecht heeft geleid tot vaststelling van een per 8 oktober 2008 geldend dagloon van € 64,80. Aangevallen uitspraak bevestigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2013/187

Uitspraak

12/2067 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 1 maart 2012, 09/4133 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 19 april 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H. Pasman, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellant zijn nadere stukken toegezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Pasman. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. Reith en J.H. Nuyens.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is op 4 februari 2005 uitgevallen voor zijn werk als allround algemeen technisch medewerker voor 40 uur in de week vanwege zeer ernstige visusklachten. Bij besluit van 20 maart 2007 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant over het tijdvak van 2 februari 2007 tot 2 februari 2009 recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering (LGU) op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Bij aanvang van de WGA-uitkering is het dagloon vastgesteld op € 62,91 en het WIA-maandloon op (21,75 x € 62,91 =) € 1.368,29.

1.2. Appellant is na omscholing met ingang van 1 maart 2007 bij zijn werkgever gere-integreerd in aangepast werk als directiesecretaris. Per 1 juni 2007 is appellant dit werk voltijds gaan verrichten. Het inkomen dat appellant hiermee verdiende bedroeg aanzienlijk meer dan het inkomen dat hij voor zijn uitval verdiende als allround algemeen technisch medewerker en heeft ertoe geleid dat de LGU vanaf 1 juni 2007 niet meer is uitbetaald. Op 3 maart 2008 heeft appellant zich met griep ziek gemeld. Na het verdwijnen van de griepverschijnselen heeft hij vanwege psychische problemen, samenhangend met de gezondheidstoestand van zijn dochtertje, zijn werk niet onmiddellijk maar pas per 20 juli 2008 hervat. Met ingang van 6 oktober 2008 is appellant definitief uitgevallen.

1.3. Bij besluit van 5 november 2008 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant met ingang van 6 oktober 2008 geen recht meer heeft op een WGA-uitkering, maar wel op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA). De hoogte van de IVA-uitkering is vastgesteld op 75% van het geïndexeerde, eerder vastgestelde WIA-maandloon.

1.4. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 5 november 2008, waarbij hij heeft aangevoerd dat de hoogte van de IVA-uitkering ten onrechte is gebaseerd op het dagloon dat ten grondslag lag aan de WGA-uitkering. Volgens appellant dient de IVA-uitkering gebaseerd te worden op het loon dat hij verdiende in zijn laatste functie van directiesecretaris en dient als referteperiode voor de vaststelling van het dagloon te worden uitgegaan van de periode van een jaar direct voorafgaand aan zijn definitieve uitval op 6 oktober 2008. Bij besluit van 4 september 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

2.1. Bij tussenuitspraak van 15 november 2011 heeft de rechtbank overwogen dat, gelet op artikel 13, eerste lid, van de Wet WIA, voor het antwoord op de vraag van welke referteperiode bij de berekening van de hoogte van de IVA-uitkering moet worden uitgegaan, bepalend is wanneer de ziekte, die tot volledig en duurzame arbeidsongeschiktheid heeft geleid, is ingetreden. De rechtbank heeft vastgesteld dat de bezwaarverzekeringsarts zich niet heeft uitgelaten over de ziekteoorzaak die heeft geleid tot aanname van de duurzaamheid van de volledige arbeidsongeschiktheid omdat die naar zijn mening niet van belang was en heeft het Uwv opdracht gegeven te beoordelen welke voor appellant in de Functionele Mogelijkheden Lijst opgenomen beperkingen op 6 oktober 2008 duurzaam waren en in hoeverre aan die duurzame beperkingen de blindheid van appellant dan wel de psychische klachten ten gevolge van de ziekte van zijn dochter ten grondslag liggen. Het Uwv heeft in reactie op de tussenuitspraak gemotiveerd het standpunt ingenomen de uitleg van de rechtbank over artikel 13 van de WIA niet te kunnen onderschrijven. Als die uitleg wel zou moeten worden gevolgd, is de ziekte die tot volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid heeft geleid dezelfde als die welke ten grondslag heeft gelegen aan de toekenning per

5 november 2008 van een WGA-uitkering.

2.2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak, onder verwijzing naar de tussenuitspraak, het beroep van appellant gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd vanwege een onzorgvuldige voorbereiding en onvoldoende motivering. De rechtbank heeft wel de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat op grond van het nadere onderzoek dat het Uwv in opdracht van de rechtbank heeft verricht voldoende is gebleken dat de ziekte die heeft geleid tot het aannemen van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid dezelfde is als de ziekte die heeft geleid tot het ontstaan van het recht op WGA-uitkering. Hieruit heeft de rechtbank afgeleid dat het Uwv voor de vaststelling van het dagloon de juiste referteperiode heeft gehanteerd. De rechtbank heeft bepalingen gegeven over proceskosten en griffierecht en heeft het vooronderzoek heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de door appellant verzochte schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

3.1. In hoger beroep heeft appellant gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft beslist dat zijn blindheid en de daarmee gepaard gaande klachten tot volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid hebben geleid. De reden van zijn ziekmelding op 6 oktober 2008 was gelegen in de psychische klachten die samenhangen met de ziekte van zijn dochter. Daarom heeft het Uwv voor de bepaling van het dagloon van de IVA-uitkering een onjuiste referteperiode in aanmerking genomen.

3.2. Het Uwv heeft in zijn verweerschrift het standpunt ingenomen zich niet te kunnen vinden in de uitleg van de rechtbank over artikel 13, eerste lid, van de Wet WIA. Het Uwv meent dat artikel 13 van de Wet WIA slechts ruimte biedt voor een eenmalige vaststelling van een WIA-dagloon aan de hand van de in dat artikel genoemde referteperiode. Voor het geval de Raad het oordeel van de rechtbank over artikel 13, eerste lid, van de WIA onderschrijft, of niet toekomt aan een toetsing van dat oordeel, of meent dat hoe dan ook aan de oorzaak van de volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid in dit geval wel betekenis toekomen, dan is het Uwv van oordeel dat de stelling van appellant dat het om verschillende ziekteoorzaken gaat, geen doel treft.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Appellant heeft gevraagd om vernietiging van de aangevallen uitspraak en heeft gesteld dat zijn hoger beroep zich ook richt tegen de tussenuitspraak. De Raad stelt vast dat appellant, gelet op de door hem aangevoerde gronden, het eens is met de uitleg van de rechtbank over artikel 13, eerste lid, van de WIA, maar zich niet kan vinden in het oordeel van de rechtbank dat de volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid die heeft geleid tot toekenning van de WGA-uitkering. Als het hoger beroep van appellant zou slagen, dan kan worden volstaan met een vernietiging van de in de aangevallen uitspraak uitgesproken instandlating van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit en een bevestiging van de aangevallen uitspraak voor het overige. Zij het met een verbetering van gronden. De Raad vat het hoger beroep van appellant dan ook op als, slechts, te zijn gericht tegen de instandlating van de rechtgevolgen van het vernietigde besluit.

4.2. De stelling van appellant dat voorbij moet worden gegaan aan het door het Uwv in het verweerschrift ingenomen standpunt over de uitleg van artikel 13, eerste lid, van de WIA, wordt niet gevolgd. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 22 oktober 2008, LJN BG1621) wordt de omvang van het geding in hoger beroep in beginsel bepaald door de gronden die de indiener van het hoger-beroepschrift tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd. Dit is slechts anders, indien sprake is van nauwe verwevenheid tussen een of meer gronden die de indiener van het hoger beroep heeft aangevoerd en een of meer door een andere partij bij wege van verweer naar voren gebrachte standpunten, dan wel indien van die andere partij redelijkerwijs niet kon worden gevergd zelf hoger beroep in te stellen, omdat zij daarbij geen - zelfstandig - belang had. Van de vereiste nauwe verwevenheid is pas dan sprake, als de bestuursrechter een of meer van de door de indiener van het hoger beroep aangevoerde gronden niet adequaat kan beoordelen zonder tevens een oordeel te geven over een of meer van de in verweer naar voren gebrachte standpunten. In dit geval is zowel sprake van de situatie dat van het Uwv redelijkerwijs niet kon worden gevergd zelf hoger beroep in te stellen als van de vereiste nauwe verwevenheid. Of betekenis toekomt aan de oorzaak van de volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid hangt namelijk af van de uitleg die moet worden gegeven aan artikel 13, eerste lid, van de WIA.

4.3. Artikel 13, eerste lid, van de WIA luidt - voor zover van belang - als volgt: Voor de berekening van een uitkering waarop op grond van deze wet recht bestaat, wordt als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer verdiende in de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de ziekte, […] die tot volledig en duurzame arbeidsongeschiktheid of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid heeft geleid, is ingetreden […].

De rechtbank heeft in de tekst van dit artikellid aanleiding gevonden voor het standpunt dat bij de berekening van de hoogte van de IVA-uitkering verschillende referteperioden kunnen gelden, afhankelijk van de vraag wanneer de ziekte, die tot volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid heeft geleid, is ingetreden. Een nadere motivering heeft de rechtbank niet gegeven. Ook de tegenwerping van het Uwv dat een dergelijke uitleg ertoe zou leiden dat bij omzetting van de WGA-uitkering naar een IVA-uitkering vanwege een tussentijds intredende (nieuwe) ziekte in vrijwel alle gevallen de IVA-uitkering op een lager dagloon wordt gebaseerd, heeft de rechtbank niet tot een ander standpunt gebracht.

4.4. Onder verwijzing naar een eerdere uitspraak van de Raad (uitspraak van 20 april 2012, LJN BW4709) is van belang dat op grond van artikel 43, aanhef en onder a, ten eerste, van de Wet WIA het recht hebben op een WGA- of IVA-uitkering een uitsluitingsgrond is. In het oorspronkelijke wetsvoorstel van de Wet WIA was een artikel 5.2 opgenomen op grond waarvan de betreffende uitsluitingsgrond niet van toepassing was onder meer in de situatie dat een gedeeltelijk arbeidsgeschikte die naast zijn WGA-uitkering werkt, ziek wordt. Bij de derde Nota van wijziging bij het wetsvoorstel Wet WIA (Kamerstukken II, 2004-2005, 30 034, nr. 21, blz. 2 en 4) is het voorgestelde artikel 5.2 vervallen. In plaats daarvan is een garantie in de vervolguitkering van de WGA geïntroduceerd. Op grond van deze, in artikel 62, derde lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA opgenomen, garantie wordt de WGA-vervolguitkering verhoogd als de LGU van het (niet ontstane) tweede recht hoger zou zijn geweest dan de WGA-vervolguitkering van het bestaande recht.

4.5. De thans te beoordelen situatie is uitzonderlijk. Het komt zelden voor dat een WGA-gerechtigde in staat is een functie te verwerven waarin hij veel meer verdient dan het salaris waarin hij oorspronkelijk is uitgevallen. Hoewel de wetgever deze specifieke situatie niet voor ogen heeft gehad, moet worden vastgesteld dat de wetgever een welbewuste keuze heeft gemaakt om geen twee uitkeringsrechten op grond van de Wet WIA naast elkaar te laten ontstaan. Gelet hierop en op de overwegingen in 4.3 en 4.4 kan de uitleg die de rechtbank aan artikel 13, eerste lid, van de Wet WIA heeft gegeven, niet worden onderschreven.

4.6. Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting wordt nog het volgende opgemerkt. Appellant kan aan de garantieregeling van artikel 62, derde lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA geen rechten ontlenen omdat hij op 6 oktober 2008 nog recht had op een LGU en niet op een WGA-vervolguitkering. Verder ontbreekt in de WIA - tot nu toe - een met artikel 40 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering vergelijkbaar artikel en ook in het Besluit dagloonregels werknemersverzekering is geen bepaling te vinden die tot een hernieuwde dagloonvaststelling per 8 oktober 2008 zou kunnen leiden. Ten slotte staat artikel 11 van de Wet Algemene Bepalingen in de weg van een beoordeling door de rechter van de innerlijke waarde of billijkheid van de wet.

4.7. De overwegingen in 4.4 tot en met 4.6 leiden tot het oordeel dat het Uwv bij de vaststelling van de hoogte van de IVA-uitkering per 8 oktober 2008 de juiste referteperiode in aanmerking heeft genomen en dat dat terecht heeft geleid tot vaststelling van een per 8 oktober 2008 geldend dagloon van € 64,80. Het hoger beroep slaagt niet. Voor zover aangevochten komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en E.J. Govaers en J.S. van der Kolk als leden, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 april 2013.

(getekend) M.C. Bruning

(getekend) K.E. Haan

GdJ