Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7980

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-04-2013
Datum publicatie
23-04-2013
Zaaknummer
11-4716 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Loongerelateerde WGA-uitkering. Het verzekeringsgeneeskundige onderzoek is voldoende zorgvuldig en volledig geweest. Geen aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat de beperkingen van appellant in de FML niet juist zijn weergegeven. Geschiktheid voorgehouden functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/4716 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 21 juli 2011, 10/1812 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 19 april 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. V.Y. Jokhan hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Op 30 november 2012 heeft appellant nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2012. Appellant is, zoals bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.M.C. Beijen.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is laatstelijk voor 14 uur per week werkzaam geweest als activiteitenbegeleider en heeft daarnaast een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontvangen. Op 3 september 2007 heeft hij zich ziek gemeld in verband met klachten van moeheid, verminderde inspanningstolerantie, flauwvallen en een door spanningsklachten veroorzaakt verminderd concentratievermogen. Bij besluit van 2 november 2009 heeft het Uwv - na een medisch en arbeidskundig onderzoek - vastgesteld dat voor appellant met ingang van 31 augustus 2009 een recht is ontstaan op een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). De mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 43 %.

1.2. In bezwaar heeft appellant aangevoerd dat het Uwv onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn beperkingen als gevolg van diabetes en spierpijnen. Het Uwv zou zijn arbeidsmogelijkheden door het aannemen van een urenbeperking van 30 uur per week zes uur per dag hebben overschat. De bezwaarverzekeringsarts heeft mede naar aanleiding van de informatie van de behandelende sector een aanvullende beperking in de door de verzekeringsarts vastgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgenomen, waarna de bezwaararbeidsdeskundige de arbeidskundige gevolgen hiervan heeft beoordeeld en de mate van arbeidsongeschiktheid heeft vastgesteld op 54,71%. Bij besluit van 17 juni 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de medische grondslag van het bestreden besluit onderschreven. De rechtbank heeft geen reden gezien om aan de juistheid van de vastgestelde beperkingen zoals weergegeven in de FML te twijfelen. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts mede na informatie van de behandelende sector heeft vastgesteld dat als gevolg van een slechte instelbaarheid van de Diabetes Mellitus type 1 en de grote schommelingen van de bloedsuikerwaarden een verminderde belastbaarheid aan de orde is, in welk verband de bezwaarverzekeringsarts beperkingen heeft aangenomen voor arbeid, waarin onder voortdurend grote tijdsdruk en in een strak dwingend werktempo moet worden gewerkt. Verder is appellant beperkt geacht voor werkzaamheden met een verhoogd persoonlijk risico en voor zware fysieke arbeid, zwaar tillen, duwen/trekken en dragen. De bezwaarverzekeringsarts acht een duurbelasting tot zes uur per dag en 30 uur per week mogelijk, waarbij hij in aanmerking heeft genomen dat appellant zes uur per dag als gehandicaptenbegeleider werkzaam is en dat gedurende de overige dagen niet is gebleken van een structureel grote rustbehoefte, zodat met het aannemen van een urenbeperking als beschreven de arbeidsmogelijkheden van appellant niet zijn overschat. De in beroep overgelegde brief van de revalidatiearts van 12 april 2011, waaruit naar voren komt dat de diabetes fors ontgeregeld is, maakt de beoordeling volgens de rechtbank niet anders, omdat de beschreven situatie ziet op de situatie ruim anderhalf jaar na de datum in geding. Ook wat betreft de spierpijnen en de loopproblemen is de rechtbank van oordeel dat het Uwv met het aannemen van de beperkingen in de FML voor zware arbeid voldoende rekening heeft gehouden met de problematiek. Door appellant zijn geen gegevens in geding gebracht die tot een ander oordeel aanleiding geven. Verder heeft de rechtbank wat betreft de concentratieproblemen in de beschikbare gegevens geen aanleiding gezien om aan de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsarts te twijfelen. Dat appellant in januari 2011 aan zijn knie is geopereerd maakt de beoordeling, gezien de ruim daarvoor gelegen datum in geding, niet anders.

2.2. Ten aanzien van de arbeidskundige beoordeling heeft de rechtbank vastgesteld dat het Uwv in de fase van beroep enkele van de voorgehouden functies heeft laten vervallen en dat pas in de beroepsfase een volledige arbeidskundige toelichting op de geschiktheid voor de resterende functies is gegeven. Wat betreft het door appellant vermelde verzuimrisico is de rechtbank van oordeel dat appellant het gestelde verzuim van twee dagen per maand, hetgeen neerkomt op een verzuim van 25%, niet verder heeft onderbouwd en dat dit niet als een excessief verzuim kan worden aangemerkt. Er is de rechtbank niet gebleken dat de geduide functies appellant om medische redenen niet zouden kunnen worden voorgehouden. Nu het Uwv de toelichting over de geschiktheid voor de geduide functies pas in de fase van beroep heeft gegeven, heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand gelaten. Verder heeft de rechtbank beslissingen genomen over vergoeding van proceskosten en griffierecht.

3. In hoger beroep heeft appellant de eerder gronden in essentie herhaald. Op 30 november 2012 heeft appellant een bijstelling probleemanalyse van 20 oktober 2011 en 29 mei 2012 overgelegd, alsmede een brief van de GGZ van 3 september 2012.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundige onderzoek voldoende zorgvuldig en volledig is geweest. De rechtbank heeft de fysieke en psychische klachten van appellant besproken en toegelicht op grond waarvan deze geen aanleiding vormen om de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid voor onjuist te houden. In de beschikbare medische gegevens en in hetgeen appellant heeft aangevoerd zijn geen aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat de beperkingen van appellant in de FML niet juist zijn weergegeven. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met zijn stellingname in eerste aanleg ten aanzien van het bestreden besluit, geen nieuwe gezichtspunten en leidt niet tot een ander oordeel dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank. Daaraan wordt toegevoegd dat uit de door appellant in hoger beroep overgelegde informatie van de GGZ blijkt dat appellant eerder, namelijk van maart 2000 tot mei 2001 wegens stemmingsklachten bij de GGZ aangemeld is geweest en vervolgens weer op 13 april 2012 is aangemeld. Dit betekent echter niet dat op grond hiervan geoordeeld zou moeten worden dat het Uwv de door appellant gestelde psychische klachten op de datum in geding, 31 augustus 2009, heeft onderschat.

4.3. Wat betreft de geschiktheid voor de voorgehouden functies heeft de rechtbank eveneens met juistheid geoordeeld dat de functies schadecorrespondent, administratief medewerker (beginnend) en de productiemedewerker (samenstellen van producten) passend zijn. Er wordt met de rechtbank geen reden gezien om de toelichting van de bezwaararbeidsdeskundige van 26 mei 2011, waarom deze functies appellant kunnen worden opgedragen, niet te volgen. Aangezien deze toelichting pas in de fase van beroep is gegeven heeft de rechtbank hierin terecht aanleiding gezien om het bestreden besluit te vernietigen en de rechtsgevolgen ervan in stand te laten.

5. Het hoger beroep slaagt niet.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 april 2013.

(getekend) C.W.J. Schoor

(getekend) Z. Karekezi

QH