Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7876

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-04-2013
Datum publicatie
19-04-2013
Zaaknummer
10-2603 AOR
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ingangsdatum AOR-invaliditeitsuitkering. Hernieuwde aanvraag. Appellant heeft het onderhavige verzoek ingediend op 24 november 2008, zodat niet is voldaan aan het vereiste dat de hernieuwde aanvraag is ingediend binnen één jaar na de uitspraak van de Raad van 8 november 2006. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden gelegen op grond waarvan verweerster de periodieke invaliditeitsuitkering per een eerdere datum had moeten toekennen. Overschrijding redelijke termijn. Heropening ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van appellant om vergoeding van schade met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/2603 AOR

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

Commissie Algemene Oorlogsongevallenregeling (verweerster)

Datum uitspraak: 18 april 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerster van 9 april 2010, kenmerk 0002436/CAOR (bestreden besluit). Dit besluit betreft de toepassing van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 maart 2013. Daar is appellant verschenen, bijgestaan door mr. Van Berkel. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G. Belleflamme en mr. R.L.M.J. Gielen.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is geboren in 1934 in het toenmalige Nederlands-Indië. In januari 2005 heeft hij een aanvraag ingediend om een periodieke invaliditeitsuitkering op grond van de AOR. Bij besluit van 5 juli 2005 heeft verweerster de bij appellant bestaande psychische klachten aanvaard als oorlogsletsel in de zin van AOR. Bij dat besluit is echter geweigerd om aan appellant een periodieke invaliditeitsuitkering op grond van de AOR toe te kennen, op de grond dat appellant ten tijde van de aanvraag ouder was dan 70 jaar en daarom niet meer op inkomsten uit arbeid was aangewezen. Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.

1.2. Op 24 november 2008 heeft appellant wederom een aanvraag ingediend om een invaliditeitsuitkering op grond van de AOR, onder verwijzing naar gewijzigd beleid met betrekking tot de hantering van de leeftijdsgrens van 70 jaar. Bij besluit van 9 juni 2009 heeft verweerster aan appellant met ingang van 1 november 2008 een periodieke invaliditeitsuitkering toegekend. Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2. In beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat verweerster de periodieke invaliditeitsuitkering per een eerdere datum had moeten toekennen. Daarbij heeft appellant naar voren gebracht dat uit rapporten van twee geneeskundig adviseurs van verweerster, de artsen G.M. van der Molen en A.S.E.P. Textor, blijkt dat al vóór het bereiken van de 70-jarige leeftijd sprake was van arbeidsongeschiktheid als gevolg van oorlogsletsel. Volgens appellant is het redelijk om de ingangsdatum te stellen op 1 januari 2005, zijnde de eerste dag van de maand waarop de eerste aanvraag om een periodieke invaliditeitsuitkering is ingediend.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1. Verweerster hanteert als algemeen uitgangspunt dat een periodieke invaliditeitsuitkering op grond van de AOR ingaat op de eerste dag van de maand waarop de desbetreffende aanvraag is ingediend. Deze gedragslijn gaat het gegeven wettelijk kader niet te buiten en is evenmin onredelijk. Bij een hernieuwde aanvraag om een periodieke invaliditeitsuitkering naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van 8 november 2006, LJN AZ3028, hanteert verweerster als gedragslijn dat terugwerkende kracht wordt verleend tot aan de eerste dag van de maand waarin deze uitspraak is gedaan, mits op enige wijze verzet is aangetekend tegen het primaire afwijzende besluit dat is genomen vóór die uitspraak en binnen één jaar na die uitspraak de hernieuwde aanvraag is ingediend. Ook het stellen van dit laatste vereiste gaat het gegeven wettelijk kader, in het bijzonder hetgeen is bepaald in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), niet te buiten en is evenmin onredelijk. De Raad laat hierbij in het midden of dit eveneens geldt voor het vereiste dat op enige wijze verzet is aangetekend tegen het eerdere primaire afwijzende besluit.

3.2. Appellant heeft het onderhavige verzoek ingediend op 24 november 2008, zodat niet is voldaan aan het in 3.1 vermelde vereiste dat de hernieuwde aanvraag is ingediend binnen één jaar na de uitspraak van de Raad van 8 november 2006. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden gelegen op grond waarvan verweerster de periodieke invaliditeitsuitkering per een eerdere datum had moeten toekennen.

3.3. Uit het voorgaande volgt dat de beroepsgronden geen doel treffen.

4. Appellant heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4.1. De vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van de betrokkene, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de rechten van de mens naar voren komt.

4.2. In het voorliggende geval betreft het een procedure in twee instanties, te weten bezwaar en beroep (in eerste en enige aanleg). In zaken zoals deze is de redelijke termijn voor een procedure in twee instanties naar het oordeel van de Raad in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan twee en een half jaar in beslag heeft genomen. Heeft de totale procedure langer dan twee en een half jaar geduurd, dan moet vervolgens per instantie worden bezien of sprake is van een langere behandelingsduur dan gerechtvaardigd. Daarbij geldt dat in beginsel het bezwaar binnen een half jaar en het beroep binnen twee jaar zouden moeten worden afgerond (CRvB 9 april 2009, LJN BI2179).

4.3. Het inleidend bezwaarschrift van betrokkene is door verweerster op 8 juli 2009 ontvangen. Vanaf die datum tot aan de datum van deze uitspraak zijn ruim drie jaar en negen maanden verstreken. Dit is meer dan twee en een half jaar. Vanaf de ontvangst door verweerster van het inleidend bezwaarschrift tot aan de datum van het bestreden besluit zijn iets meer dan negen maanden verstreken. Het inleidend beroepschrift is ter griffie van de Raad ontvangen op 6 mei 2010. Vanaf die datum tot aan de datum van deze uitspraak zijn ruim twee jaar en elf maanden verstreken. De Raad verbindt hieraan het vermoeden dat de redelijke termijn in beide fasen is overschreden. Dit betekent dat, met toepassing van artikel 8:73, tweede lid, van de Awb, het onderzoek moet worden heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de schadevergoeding. Met verdragsconforme toepassing van artikel 8:26, eerste lid, van de Awb zal de Staat der Nederlanden (minister van Veiligheid en Justitie) mede als partij in die procedure worden aangemerkt.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart het beroep ongegrond;

- bepaalt dat het onderzoek onder de nummers 13/1936 BESLU en 13/1937 BESLU wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van appellant om vergoeding van schade met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, en merkt tevens de Staat der Nederlanden (minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en A.A.M. Mollee als leden, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 april 2013.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) S.K. Dekker

HD