Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7870

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-04-2013
Datum publicatie
18-04-2013
Zaaknummer
12-4332 WWB-T
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Aanvraag bijstand buiten behandeling gesteld omdat betrokkenen de ontbrekende gegevens niet tijdig hebben verstrekt. Het college heeft hangende bezwaar echter ten onrechte het recht op bijstand van appellant beoordeeld over de periode vanaf 27 maart 2012, dit in afwijking van de aanvraagdatum en van de grondslag van het bezwaar. Bovendien zijn bij het bestreden besluit de rechtsgevolgen van het besluit van 12 maart 2012 in stand gelaten, waaruit volgt dat de buiten behandelingstelling van de aanvraag van 6 februari 2012 materieel toch, eveneens ten onrechte, overeind is gebleven. Het college dient het recht van appellant en zijn gezin op bijstand over de periode van 6 februari 2012 tot en met 2 mei 2012 opnieuw dient te beoordelen. Voor zover dat nog nodig is met het oog op de exacte vaststelling van het vermogen op 6 februari 2012, kan het college van appellant verlangen dat hij gegevens over het saldo op de jongerenrekening op die datum verstrekt. De Raad draagt het college op om de gebreken in het besluit te herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/4332 WWB-T

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 10 juli 2012, 12/520 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Reimerswaal (college)

Datum uitspraak: 16 april 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F.A. van den Berg, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 december 2012. Voor appellant is mr. Van den Berg verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.L. van Zon en I. Lookman. De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde partijen de gelegenheid te geven zich te beraden over een voorstel tot schikking van de zaak. Partijen hebben een nader stuk aan de Raad gezonden. Een schikking is niet tot stand gekomen.

Vervolgens hebben partijen de Raad toestemming gegeven voor afdoening van de zaak zonder nadere behandeling ter zitting, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant en zijn echtgenote [naam echtgenote] (betrokkenen) hebben op 6 februari 2012 een aanvraag ingediend om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. Bij brief van 16 februari 2012 heeft een medewerker van de afdeling Sociale Zaken van de gemeente Reimerswaal (SZ) betrokkenen verzocht bepaalde stukken mee te nemen naar het intakegesprek op 21 februari 2012. Tijdens dat gesprek zijn niet alle gevraagde gegevens overgelegd. Bij brief van 21 februari 2012 heeft SZ aan betrokkenen gevraagd vóór 6 maart 2012 de nog ontbrekende stukken in te leveren. Daarbij is vermeld dat het niet (volledig) verstrekken van de gegevens tot gevolg kan hebben dat het college de aanvraag niet in behandeling neemt. Na afloop van de hersteltermijn ontbrak nog het opgevraagde bewijs van de beëindiging van een beleggingsverzekering.

1.2. Bij besluit van 12 maart 2012 heeft het college de aanvraag buiten behandeling gesteld op de grond dat betrokkenen de ontbrekende gegevens niet tijdig hebben verstrekt. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij het bezwaarschrift zijn de nog ontbrekende gegevens gevoegd.

1.3. Uitgaande van een nieuwe aanvraag om bijstand van betrokkenen van 3 mei 2012 heeft SZ een nieuw werkproces tot behandeling van die aanvraag gestart, in welk kader betrokkenen zijn uitgenodigd voor een gesprek op 21 mei 2012. Hen is verzocht nadere stukken mee te nemen, waaronder een nieuw, volledig ingevuld en ondertekend aanvraagformulier en afschriften van alle bankrekeningen vanaf 1 maart 2012. Betrokkenen zijn, met voorafgaand bericht, niet op het gesprek verschenen en de gevraagde stukken zijn niet verstrekt.

1.4. Op 24 mei 2012 is een hoorzitting over het bezwaar van appellant tegen het besluit van 12 maart 2012 gehouden. Van de zijde van het college is bij die gelegenheid verklaard dat dit besluit niet wordt gehandhaafd, dat wordt teruggekomen op de buitenbehandelingstelling en dat op basis van de eerste aanvraag alsnog een uitkering zal worden toegekend met ingang van 27 maart 2012, de datum waarop het bezwaarschrift en de ontbrekende gegevens over de beleggingsverzekering zijn ontvangen.

1.5. Bij besluit van 21 juni 2012 heeft het college de aanvraag van 3 mei 2012 buiten behandeling gesteld op de grond dat niet alle verzochte gegevens zijn overgelegd. Er is geen aanvraagformulier overgelegd en het saldo van bankrekening [nummer] is niet verstrekt. Appellant heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt en tevens aan de voorzieningenrechter van de rechtbank gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.

1.6. Ook in het kader van de afhandeling van het bezwaar tegen het besluit van 12 maart 2012 is aan appellant gevraagd, voor de laatste keer op 22 juni 2012, om nadere gegevens over te leggen. Bij besluit van 2 juli 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 12 maart 2012 gegrond verklaard en de rechtsgevolgen van dat besluit in stand gelaten op de grond dat voldoende en juiste gegevens voor de vaststelling van het recht op bijstand ontbreken. Het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand is afgewezen op de grond dat appellant pas na het besluit van 12 maart 2012 de bij zijn aanvraag van 6 februari 2012 ontbrekende gegevens heeft verstrekt.

1.7. De voorzieningenrechter van de rechtbank Middelburg heeft bij de uitspraak van 10 juli 2012, 12/504, de werking van het besluit van 21 juni 2012 geschorst en de voorlopige voorziening getroffen dat aan appellant een voorschot wordt verstrekt ten bedrage van 90% van de voor hem geldende bijstandsnorm met ingang van de datum waarop appellant heeft voldaan aan zijn verplichting om, samengevat en voor zover hier van belang, sociale zaken inzage te geven in alle afschriften van de bankrekeningen van zijn gezin. In het kader van de beslissing op bezwaar tegen het besluit van 21 juni 2012 heeft het college de buitenbehandelingstelling van de aanvraag van 3 mei 2012 niet gehandhaafd en aan betrokkenen bijstand verleend met ingang van 7 augustus 2012. Tegen het desbetreffende besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij stelt zich op het standpunt, samengevat, dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat door het ontbreken van de gevraagde gegevens het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld en dat het college daarom in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de aanvraag van 6 februari 2012 buiten behandeling te stellen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In een geval als dit, waarin een aanvraag met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling is gesteld en het college daarvan terugkomt naar aanleiding van het daartegen ingediend bezwaar, dient in beginsel het recht op bijstand te worden beoordeeld over de periode vanaf de datum van de aanvraag tot aan de datum waarop op het bezwaar wordt beslist.

4.2. Het college heeft hangende bezwaar echter ten onrechte het recht op bijstand van appellant beoordeeld over de periode vanaf 27 maart 2012, dit in afwijking van de aanvraagdatum en van de grondslag van het bezwaar. Bovendien zijn bij het bestreden besluit de rechtsgevolgen van het besluit van 12 maart 2012 in stand gelaten, waaruit volgt dat de buiten behandelingstelling van de aanvraag van 6 februari 2012 materieel toch, eveneens ten onrechte, overeind is gebleven. De rechtbank heeft dat niet onderkend. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

4.3. Vervolgens dient te worden bezien welk vervolg aan het in 4.2 neergelegde oordeel dient te worden gegeven.

4.4. In aanmerking genomen de in rechte vaststaande besluitvorming over de aanvraag van

3 mei 2012, loopt de te beoordelen periode in dit geval van 6 februari 2012 tot en met 2 mei 2012.

4.5. Het bestreden besluit berust, zo begrijpt de Raad uit bladzijde 3 van dat besluit, op het standpunt van het college dat appellant in de bezwaarfase niet alsnog de benodigde gegevens heeft overgelegd aan de hand waarvan zijn recht op bijstand kan worden vastgesteld.

4.6. De beroepsgrond van appellant dat hij niet vermag in te zien dat een in 2009 beëindigde beleggingsrekening nog een rol kan spelen bij de beoordeling van een aanvraag om bijstand in februari 2012, behoeft gelet op 4.1 geen bespreking. In de bezwaarfase was immers duidelijk geworden dat de beleggingsrekening was beëindigd en het college zag in zoverre ook in ieder geval geen beletsel meer voor toekenning van bijstand aan appellant met ingang van 27 maart 2012. Het aanvankelijk ontbreken van deze gegevens stond vervolgens ook niet in de weg aan vaststelling van het recht op bijstand over de gehele hier van belang zijnde periode.

4.7. Bij de verdere beoordeling stelt de Raad voorop dat het college in de bezwaarfase aan appellant terecht heeft gevraagd om overlegging van nadere gegevens over zijn financiële positie, waaronder de gegevens over de bankrekeningen van zijn gezin over de hier van belang zijnde periode. Deze gegevens zijn van belang voor de beoordeling van het recht op bijstand.

4.8. Uit een bericht van mr. Van den Berg van 20 maart 2012 aan de echtgenote van appellant mag worden afgeleid dat het appellant duidelijk kon zijn dat het college met ingang van 27 maart 2012 aan betrokkenen bijstand wilde gaan verstrekken op voorwaarde dat de gevraagde bankafschriften voor sociale zaken beschikbaar zouden zijn. Afschriften van de bankrekeningen van appellant en zijn echtgenote zijn vervolgens ook verstrekt. Daaruit blijken in ieder geval alle transacties vanaf 6 februari 2012 tot 3 mei 2012. Uit het besluit van 21 juni 2012 en uit e-mailverkeer tussen de echtgenote van appellant en SZ van 21 en 22 juni 2012 leidt de Raad af dat op dat moment nog slechts ontbraken een ondertekend aanvraagformulier en saldogegevens van een bankrekening van een van de kinderen van appellant, met nummer [nummer] (jongerenrekening). Ter zitting van de Raad is niet gebleken dat toen nog andere gegevens ontbraken.

4.9. Zoals ter zitting besproken, kan worden aangenomen dat de gang van zaken voor appellant in die zin verwarrend is geweest, dat van hem gegevens werden gevraagd zowel in het kader van de behandeling van zijn bezwaren tegen het besluit van 12 maart 2012 als in het kader van de behandeling van de nieuwe aanvraag van 3 mei 2012. Het hiervoor onder 4.8 bedoelde ontbrekende aanvraagformulier ziet op de aanvraag van 3 mei 2012 en is dus voor de hier in geding zijnde aanvraag niet van belang. Naar aanleiding van het e-mailbericht van SZ van 22 juni 2012 heeft de echtgenote van appellant op 29 juni 2012, dat wil zeggen nog voordat het bestreden besluit werd genomen, gegevens over de mutaties op en het saldo van de jongerenrekening verstrekt. Deze zien op 27 maart 2012 (saldo € 682,53) en op 22 juni 2012 (saldo € 282,71). Gelet op het voorgaande en mede in aanmerking genomen dat het college voornemens was om appellant met ingang van 27 maart 2012 bijstand te verlenen, is de Raad van oordeel dat het standpunt van het college dat het recht op bijstand niet is vast te stellen vanwege het ontbreken van enkele gegevens over de jongerenrekening te vergaand is en niet zonder meer kan worden gevolgd. Vooralsnog is ook anderszins niet aannemelijk geworden dat het vermogen van appellant en zijn gezinsleden ten tijde hier van belang in de weg stond aan verlening van bijstand.

4.10. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het college het recht van appellant en zijn gezin op bijstand over de periode van 6 februari 2012 tot en met 2 mei 2012 opnieuw dient te beoordelen. Voor zover dat nog nodig is met het oog op de exacte vaststelling van het vermogen op 6 februari 2012, kan het college van appellant verlangen dat hij gegevens over het saldo op de jongerenrekening op die datum verstrekt.

4.11. De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het college op te dragen de in 4.2 en 4.9 geconstateerde gebreken in het besluit van 2 juli 2012 te herstellen bij het nemen van een nieuw besluit op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 12 maart 2012, met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het college op om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak de gebreken in het besluit van 2 juli 2012 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 april 2013.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) A.C. Oomkens

HD