Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7862

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-04-2013
Datum publicatie
19-04-2013
Zaaknummer
10-4372 APPA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering van € 21.678,21 bruto.

Raad: Appellant kan niet in zijn standpunt worden gevolgd dat op grond van art. 34 van de Appa voor de vaststelling van het bedrag dat als winst uit onderneming in aanmerking moet worden genomen beslissend is welk bedrag door de belastinginspecteur bij de aangifte inkomstenbelasting als winst uit onderneming is geaccepteerd. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 28 augustus 1997, LJN: ZB7131) dient bij de toepassing van de onderhavige anticumulatiebepalingen in zijn algemeenheid aan de zienswijze van de bevoegde fiscale autoriteiten grote betekenis te worden gehecht, met dien verstande dat daarvan kan worden afgeweken indien voldoende overtuigend wordt aangetoond dat de gegevens die door de fiscale autoriteiten aanvaard zijn niet gevolgd behoren te worden. Dit laatste is naar het oordeel van de Raad hier onmiskenbaar het geval.

Zoals door appellant ter zitting is bevestigd, betreft de onderhavige milieu-investeringsaftrek een belastingfaciliteit, waarbij de gedane investering naar eigen keuze en inzicht van de belastingplichtige versneld kan worden afgeschreven. Door die versnelde afschrijving kan de fiscale winst worden verminderd, waardoor over het betreffende jaar minder inkomstenbelasting verschuldigd is en, omdat in latere jaren minder kan worden afgeschreven, het betalen van belasting meer naar de toekomst wordt verschoven. Zelfs indien dat niet door hem zou zijn beoogd, heeft de door appellant gemaakte keuze voor een versnelde afschrijving in een jaar dat hij uitkering geniet, ingeval deze door de minister zou worden aanvaard, het gevolg dat daardoor in dat jaar de verrekening van inkomsten met de uitkering geheel of gedeeltelijk wordt ontweken, zonder dat vaststaat dat die verrekening in de toekomst alsnog zal kunnen plaatsvinden. Uit het door appellant overgelegde overzicht van het verloop van de afschrijvingen blijkt dat appellant over 2006 een fiscale afschrijving heeft gedaan die aanzienlijk hoger is dan het gemiddelde van de afschrijvingen over de jaren tot en met 2005. De Raad is van oordeel dat de minister zich op goede gronden op het standpunt kon stellen dat hier sprake is van een situatie, waarin de door de belastinginspecteur bij de aanslag inkomstenbelasting 2006 aanvaarde gegevens niet volledig behoren te worden gevolgd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4372 APPA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (minister)

Datum uitspraak: 18 april 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft J. ter [W.] beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van 16 maart 2010, kenmerk 091635597 (bestreden besluit). Dit besluit is genomen ter uitvoering van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa).

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 maart 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door J. ter [W.]. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A. van Rooijen.

OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Aan appellant is na zijn aftreden als lid van het Europees Parlement op grond van artikel 7 van de Wet schadeloosstelling, uitkering en pensioen leden Europees Parlement op de voet van de bepalingen van de Appa voor leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal een uitkering toegekend voor de periode van 20 juli 2004 tot 3 april 2007. Op de uitkering zijn van toepassing de artikelen 50 tot en met 129 van de Appa. Appellant had gedurende de looptijd van zijn uitkering inkomsten uit verschillende bronnen, waaronder inkomsten uit de maatschap [naam maatschap] en [naam B.V.]. De drie maten in deze maatschap zijn appellant, zijn echtgenote en de BV, waarvan appellant directeur-enig aandeelhouder is. Ingevolge de maatschapsakte zijn de maten ieder voor 1/3 gedeelte gerechtigd in de winst.

1.2. Bij besluit van 24 juni 2008 heeft de minister de uitkering van appellant over het jaar 2006 op basis van de jaarcijfers over dat jaar herberekend en een bedrag van € 32.190,88 teruggevorderd. Bij het bestreden besluit heeft de minister, voor zover hier van belang, het terug te vorderen bedrag herzien tot € 21.678,21 bruto.

2. Naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

2.1. Ingevolge artikel 54, eerste lid, van de Appa worden de inkomsten die een belanghebbende geniet met de uitkering verrekend over de maand waarop deze inkomsten betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te hebben.

Uit artikel 54, tweede lid, van de Appa volgt dat voor de toepassing van het eerste lid onder inkomsten mede wordt verstaan winst uit één of meer ondernemingen, bedoeld in artikel 3.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

Op grond van artikel 54, derde lid, van de Appa geschiedt de verrekening aldus dat de uitkering wordt verminderd met het bedrag waarmede de uitkering, vermeerderd met die inkomsten, het bedrag, waarvan de uitkering is afgeleid, overschrijdt.

2.2. Bij het bestreden besluit heeft de minister als winst uit onderneming van appellant in aanmerking genomen een bedrag van € 25.092,33. Dit bedrag is als volgt bepaald. Het resultaat van de maatschap over 2006 bedraagt volgens de winst- en verliesrekening € 106.815,-. Op dit resultaat heeft een fiscale afschrijving plaatsgevonden van in totaal € 31.538,-. De uiteindelijke winst van de maatschap, zijnde € 75.277,- wordt voor 33,33%, dus € 25.092,33, toegerekend aan appellant.

2.3. Appellant heeft hiertegenover gesteld dat de totale fiscale afschrijving niet over alle maten gelijk is verdeeld. Door hem is afgeschreven € 55.601,- door de twee andere maten € 23.272,- en - € 47.335,-. Daardoor bedraagt het totale aandeel in de winst van € 75.277,- van hem - € 19.996,- van [naam maatschap] € 12.333,- en van [naam B.V.] € 82.940,-. De belastinginspecteur is bij de aangifte inkomstenbelasting 2006 dan ook akkoord gegaan met een verlies uit onderneming van € 19.996,-.

2.4. De Raad volgt appellant niet in zijn standpunt dat op grond van artikel 34 van de Appa voor de vaststelling van het bedrag dat als winst uit onderneming in aanmerking moet worden genomen beslissend is welk bedrag door de belastinginspecteur bij de aangifte inkomstenbelasting als winst uit onderneming is geaccepteerd. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 28 augustus 1997, LJN ZB7131) dient bij de toepassing van de onderhavige anticumulatiebepalingen in zijn algemeenheid aan de zienswijze van de bevoegde fiscale autoriteiten grote betekenis te worden gehecht, met dien verstande dat daarvan kan worden afgeweken indien voldoende overtuigend wordt aangetoond dat de gegevens die door de fiscale autoriteiten aanvaard zijn niet gevolgd behoren te worden. Dit laatste is naar het oordeel van de Raad hier onmiskenbaar het geval.

2.5. Zoals door appellant ter zitting is bevestigd, betreft de onderhavige milieu-investeringsaftrek een belastingfaciliteit, waarbij de gedane investering naar eigen keuze en inzicht van de belastingplichtige versneld kan worden afgeschreven. Door die versnelde afschrijving kan de fiscale winst worden verminderd, waardoor over het betreffende jaar minder inkomstenbelasting verschuldigd is en, omdat in latere jaren minder kan worden afgeschreven, het betalen van belasting meer naar de toekomst wordt verschoven. Zelfs indien dat niet door hem zou zijn beoogd, heeft de door appellant gemaakte keuze voor een versnelde afschrijving in een jaar dat hij uitkering geniet, ingeval deze door de minister zou worden aanvaard, het gevolg dat daardoor in dat jaar de verrekening van inkomsten met de uitkering geheel of gedeeltelijk wordt ontweken, zonder dat vaststaat dat die verrekening in de toekomst alsnog zal kunnen plaatsvinden. Uit het door appellant overgelegde overzicht van het verloop van de afschrijvingen blijkt dat appellant over 2006 een fiscale afschrijving heeft gedaan die aanzienlijk hoger is dan het gemiddelde van de afschrijvingen over de jaren tot en met 2005. De Raad is van oordeel dat de minister zich op goede gronden op het standpunt kon stellen dat hier sprake is van een situatie, waarin de door de belastinginspecteur bij de aanslag inkomstenbelasting 2006 aanvaarde gegevens niet volledig behoren te worden gevolgd.

2.6. Bij het bestreden besluit heeft de minister de gedane milieu-investeringsaftrek niet geheel buiten beschouwing gelaten, maar met aanvaarding van de door de maatschap als geheel in 2006 op de totale winst in mindering gebrachte aftrek, de inkomsten van appellant uit de maatschap vastgesteld op de wijze als in 2.2 aangegeven. De Raad is van oordeel dat appellant met deze vaststelling van de winst uit onderneming in dit geval in het kader van de toepassing van de in artikel 54 van de Appa opgenomen verrekeningsplicht niet tekort is gedaan.

2.7. Appellant heeft in aanvulling op de beroepsgronden in zijn brief van 29 december 2010 nog opgemerkt dat de minister ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het feit dat hij al voordat de uitkering inging inkomsten uit een eenmanszaak genoot, zodat slechts meerinkomsten in aanmerking genomen zouden kunnen worden. Appellant verwijst hierbij naar artikel 134 van de Appa. Appellant kan hierin niet worden gevolgd, omdat de uitkering die aan appellant is toegekend gebaseerd is op Afdeling 3, Hoofdstuk 9 van de Appa. Het in dat hoofdstuk opgenomen artikel 54 houdt, anders dan het in Afdeling 5 geplaatste artikel 134 van die wet, in dat alle inkomsten worden verrekend, ook die welke voortkomen uit werkzaamheden die reeds waren aangevangen voor het tijdstip van aftreden uit de betreffende politieke functie.

3. Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en A.A.M. Mollee als leden, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 april 2013.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) S.K. Dekker

HD