Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7458

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-04-2013
Datum publicatie
18-04-2013
Zaaknummer
12-2788 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering bijzondere bijstand voor de voor eigen rekening blijvende kosten van aanschaf van een bril met glazen voor de dochter van appellante. Beleid. Aanvullend verzekering tegen ziektekosten bij OHRA, waarvan zij een vergoeding heeft ontvangen. Dit betekent dat er geen ruimte meer was voor een aanvullende vergoeding op grond van de gemeentelijke beleidsregels bijzondere bijstand. Het college heeft met de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand dan ook in overeenstemming met zijn toen geldende beleid gehandeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/2788 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 3 april 2012, 11/4770 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rheden (college)

Datum uitspraak 16 april 2013.

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 maart 2013. Appellante is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M.G. Rietbergen en R. Geerdink.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante is alleenstaande ouder en ontvangt een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering met toeslag. Daarnaast ontvangt zij enige inkomsten uit arbeid. Op 17 januari 2011 heeft appellante bijzondere bijstand aangevraagd voor de voor eigen rekening blijvende kosten van aanschaf van een bril met glazen voor haar minderjarige dochter. Op grond van haar aanvullende ziektekostenverzekering bij OHRA heeft appellante een bedrag van € 200,-- vergoed gekregen. De resterende kosten bedragen € 225,--. Bij besluit van 29 maart 2011 is de aanvraag afgewezen op de grond dat volgens gemeentelijk beleid geen bijzondere bijstand kan worden verstrekt als op grond van een aanvullende verzekering de maximale vergoeding is toegekend. Bij besluit van 26 september 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 29 maart 2011 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank allereerst overwogen dat in het kader van de voorliggende voorziening (artikel 2.9 in verbinding met artikel 2.13 van het op de Zorgverzekeringswet gebaseerde Besluit zorgverzekering) een bewuste beslissing is genomen over de noodzaak van het vergoeden van kosten van de aanschaf van een bril, zodat voor deze kosten op grond van artikel 15, eerste lid, tweede volzin, van de Wet werk en bijstand (WWB) geen aanvullende bijstand kan worden verstrekt. Voorts is, samengevat, overwogen dat appellante evenmin krachtens gemeentelijk beleid voor aanvullende bijzondere bijstand in deze kosten in aanmerking komt. De reden daarvan is dat op de maximaal uit dien hoofde te verkrijgen tegemoetkoming van € 200,-- de ontvangen vergoeding uit de afgesloten aanvullende verzekering (in dit geval eveneens € 200,--) in mindering wordt gebracht.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.1. De Raad onderschrijft allereerst het oordeel van de rechtbank, en de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd, dat artikel 15, eerste lid, van de WWB zich verzet tegen bijzondere bijstandsverlening in de voor eigen rekening blijvende kosten van aanschaf van een bril met glazen voor de dochter van appellante. Verwezen wordt naar de rechtsoverwegingen 2, 3 en 4 van de aangevallen uitspraak. Appellante heeft wel gesteld dat sprake zou zijn van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB maar zij heeft dit op geen enkele wijze, bijvoorbeeld met concrete objectieve medische gegevens, onderbouwd.

4.2. Het college voerde ten tijde in geding, voor zover hier van belang, het beleid dat in het kader van bijzondere bijstandsverlening voor brillenglazen op voorschrift van een oogarts of op grond van een medisch advies maximaal € 200,-- per verzekerde per twee kalenderjaren kon worden vergoed. Eventueel ontvangen vergoedingen uit hoofde van een afgesloten aanvullende verzekering worden daarop in mindering gebracht. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat dit beleid moet worden gekwalificeerd als buitenwettelijk begunstigend beleid. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 12 juli 2011, LJN BR2509) betekent dit dat de aanwezigheid en de toepassing van dit beleid als een gegeven wordt aanvaard, met dien verstande dat wordt getoetst of het beleid op consistente wijze is toegepast. Vragen of het beleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling te buiten gaat, of het beleid onredelijk is, dan wel of er sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht zijn daarom niet aan de orde.

4.3. Uit de stukken blijkt dat appellante destijds aanvullend verzekerd was tegen ziektekosten bij OHRA en dat zij uit hoofde van die verzekering voor de kosten van aanschaf van een bril met glazen voor haar dochter een vergoeding heeft ontvangen van € 200,--. Dit betekent dat er geen ruimte meer was voor een aanvullende vergoeding op grond van de gemeentelijke beleidsregels bijzondere bijstand. Het college heeft met de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand dan ook in overeenstemming met zijn toen geldende beleid gehandeld. De verzuchting van appellante dat zij zich destijds dus net zo goed niet aanvullend voor ziektekosten had kunnen verzekeren kan, wat daarvan ook zij, gelet op het in 4.2 aangegeven beperkte toetsingskader niet tot een ander oordeel leiden.

4.4. Uit wat in 4.1 tot en met 4.3 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient daarom te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 april 2013.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) M.R. Schuurman

HD