Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7455

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-04-2013
Datum publicatie
18-04-2013
Zaaknummer
10-3891 WWIK
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om een WWIK-uitkering. Bij toepassing van de WWIK dienen de positieve bestanddelen van het vermogen slechts gesaldeerd te worden met die schulden waarvan aannemelijk is gemaakt dat zij bestaan en dat daaraan een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling is verbonden. Terecht is een bedrag van € 11.300,-- niet als schuld aan de moeder in aanmerking genomen bij de vermogensvaststelling, nu een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting ontbreekt. Appellante heeft omtrent de omvang van de op de datum van de aanvraag reeds verrichte en nog te verrichten aanwendingen van het stipendium ten behoeve van beroepskosten niets gesteld. Anderzijds heeft appellante wel aangevoerd dat zij het stipendium heeft moeten gebruiken om in haar eenmanszaak te investeren. Aldus is onaannemelijk dat appellante ten tijde van de aanvraag van de WWIK-uitkering nog in het geheel geen beroepskosten had betaald die zij ten genoege van het fonds zou kunnen verantwoorden. Bij die stand van zaken heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat zij ten tijde van de aanvraag van een WWIK-uitkering over niet meer vermogen beschikte dan een bedrag van € 5.455,--.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3891 WWIK

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 juni 2010, 10/639 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak 16 april 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B. Mous, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nog nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 maart 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. E.R.A.M. Koolen, advocaat, en [H.], haar boekhouder en belastingadviseur. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Lo Fo Sang.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante is werkzaam als kunstenares in de documentaire fotografie en heeft haar bedrijf ingeschreven bij de Kamer van Koophandel als eenmanszaak. Op 16 mei 2008 heeft het Fonds voor beeldende kunsten, vormgeving en bouwkunst (fonds) aan appellante een subsidie van € 32.000,-- toegekend, namelijk een basisstipendium in de zin van artikel 12 van de Regeling Stimuleringssubsidies 1, Stcrt. 2008, 251 (stipendium). Dit bedrag is samengesteld uit een bedrag van € 24.000,-- als bijdrage in de kosten van levensonderhoud en een bedrag van € 8.000,-- als een tegemoetkoming in de beroepskosten. Tien procent van die tegemoetkoming wordt pas uitbetaald na goedkeuring van het inhoudelijk verslag en als voldaan is aan de overige voorwaarden. Het toegekende stipendium heeft betrekking op twee subsidiejaren, te weten van 1 juni 2008 tot en met 31 mei 2009 en van 1 juni 2009 tot en met 31 mei 2010. In elk subsidiejaar kon appellante een bedrag van € 15.600,-- opnemen. Daartoe diende appellante betalingsverzoeken te doen aan het fonds. In een dergelijk verzoek diende zij aan te geven wanneer zij welk bedrag wil ontvangen. Daarbij is geen specificatie van kosten vereist. In de algemene voorwaarden bij de toekenning van een stipendium is onder meer het volgende opgenomen: “Een basisstipendium wordt voor een periode van minimaal 2 jaar toegekend. Daarom kan een kunstenaar in principe op zijn vroegst na 2 jaar na de toekenning een beroep op een bijstands- of een WWIK-uitkering doen. Ook als het basisstipendium nog niet volledig is gebruikt, kan hij op deze uitkeringen in principe geen aanspraak maken.”

1.2. Op 27 augustus 2009 heeft appellante een aanvraag gedaan om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen kunstenaars (WWIK). Zij heeft daarbij meegedeeld dat de behoefte aan een uitkering is ontstaan doordat haar inkomsten in verband met huidige financiële crisis dermate zijn geslonken, dat zij niet meer in haar levensonderhoud kan voorzien.

1.3. Bij besluit van 2 november 2009 heeft het college de aanvraag afgewezen op de grond dat appellante een groter dan het voor haar vrij te laten privévermogen van € 5.455,-- heeft en dat zij daaruit de kosten van levensonderhoud kan voldoen.

1.4. Bij besluit van 12 januari 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 2 november 2009 ongegrond verklaard. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante beschikte over het stipendium en dat na aftrek van kostensoorten waarmee rekening moet worden gehouden, € 10.580,83 resteert. Het gegeven dat € 8.000,-- van het stipendium is bestemd voor beroepskosten maakt dat niet anders, omdat appellante dit niet heeft gespecificeerd of verifieerbaar heeft gemaakt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het stipendium niet, ook niet gedeeltelijk, kan worden beschouwd als het voor de uitoefening van het beroep van kunstenaar noodzakelijke vermogen. Anders dan appellante stelt, is er ook geen schuld van € 11.300,-- aan haar moeder. Deze schuld is niet bij de aanvraag vermeld, noch in de daarbij overgelegde concept-balans 2008 opgenomen. In de definitieve balans per ultimo 2008 is deze wel opgenomen. De toenmalige gemachtigde van appellante heeft ter zitting verklaard dat deze schuld pas na de aanvraag van de WWIK-uitkering is ontstaan. Daarom hoefde het college bij de vaststelling van het vermogen per datum aanvraag hiermee geen rekening te houden.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij voert aan dat zij volledig vrij is in de besteding van het stipendium. Zij heeft dit moeten aanwenden voor haar eenmanszaak. Ten onrechte is ook geen rekening gehouden met de leningen. Haar privévermogen was daarom op de datum van aanvraag kleiner dan het vrij te laten vermogen. Appellante heeft in dit verband verwezen naar de winst- en verliesrekening over 2009 en de balans per 31 december 2008 en 2009 van haar eenmanszaak. Ter zitting heeft appellante betoogd dat zij ten onrechte niet gehoord is in bezwaar. Haar toenmalige advocaat heeft in het bezwaarschrift vermeld telefonisch gehoord te willen worden en is, hoewel daartoe schriftelijk uitgenodigd, niet op de hoorzitting verschenen en heeft evenmin bericht van verhindering gestuurd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De beroepsgrond ter zake van de hoorplicht in bezwaar is voor het eerst ter zitting in hoger beroep naar voren gebracht. Het betreft een geheel nieuwe grond die in geen enkel verband staat met het geschil zoals dit zich in beroep en hoger beroep tot die zitting had ontwikkeld. Daarmee is deze grond te laat voorgedragen en is het in strijd met de goede procesorde dat die wordt betrokken in het geschil in hoger beroep.

4.2. Ingevolge artikel 8 van de WWIK, voor zover en ten tijde hier van belang, heeft de kunstenaar recht op uitkering indien hij niet over in aanmerking te nemen vermogen beschikt. Ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWIK wordt onder vermogen verstaan de waarde van de bezittingen waarover de kunstenaar of zijn gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken bij aanvang van de uitkering, verminderd met de aanwezige schulden. Ingevolge artikel 7, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWIK wordt niet als vermogen in aanmerking genomen het vermogen dat noodzakelijk is voor de uitoefening van het beroep van kunstenaar. Ingevolge het derde lid van dit artikel was de vermogensgrens voor een alleenstaande als appellante in 2009 € 5.455,--.

4.3. Bij toepassing van de WWIK dienen de positieve bestanddelen van het vermogen slechts gesaldeerd te worden met die schulden waarvan aannemelijk is gemaakt dat zij bestaan en dat daaraan een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling is verbonden.

4.4. De moeder van appellante heeft aan appellante in september 2007 een bedrag overgemaakt van € 6.000,-- onder vermelding fotoapparatuur. Van januari 2009 tot en met juli 2009 heeft de moeder maandelijks bedragen van € 400,-- tot € 600,-- aan appellante overgemaakt. In oktober 2009 heeft appellante nog een bedrag van € 1.800,-- van haar moeder ontvangen. Appellante heeft ter zitting van de Raad toegelicht dat zij deze bedragen als een lening beschouwt, dat zij op dat moment nog steeds bedragen van haar moeder ontving, dat geen afspraken bestaan tussen haar en haar moeder over de vraag wanneer en op welke wijze de bedragen moeten worden terugbetaald, maar dat dit gaat gebeuren zodra het beter gaat met het bedrijf van appellante.

4.5. Gelet op hetgeen onder 4.3 en 4.4 is overwogen heeft het college terecht een bedrag van € 11.300,-- niet als schuld aan de moeder in aanmerking genomen bij de vermogensvaststelling, nu een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting ontbreekt.

4.6. Niet in geschil is dat appellante tot en met juli 2009 van het stipendium een bedrag van € 16.368,92 had opgenomen, zodat nog van het bedrag van € 31.200,-- tot 1 juni 2010 opneembaar was een bedrag van € 14.831,08 (opneembare bedrag). Evenmin is in geschil dat de bankrekeningen van appellante ten tijde van de aanvraag gezamenlijk een negatief saldo vertoonden van € 3.615,66. Uit hetgeen onder 4.5 is overwogen volgt dat appellante overige schulden niet aannemelijk heeft gemaakt.

4.7. Appellante kon het opneembare bedrag in het tweede subsidiejaar zonder meer opnemen, zodat zij daarover kon beschikken. Appellante heeft gesteld dat, voor zover het gaat om opnamen voor beroepskosten, zij hierover niet kan beschikken voor levensonderhoud, omdat zij dat deel van het stipendium uitsluitend voor beroepskosten mag aanwenden en dat dient te verantwoorden. Gelet op de voorwaarden van toekenning van het stipendium gaat het om maximaal € 7.200,--.

4.8. Nu het hier gaat om een besluit op aanvraag, ligt het op de weg van appellante om aannemelijk te maken dat zij in aanmerking komt voor de gevraagde WWIK-uitkering. Gelet hierop dient zij aannemelijk te maken dat van de middelen waarover zij vanuit het stipendium kan beschikken, het gedeelte waarover zij niet voor levensonderhoud kan beschikken, zo groot is, dat mede gelet op de aanwezige schulden en het vrij te laten vermogen, zij niet over in aanmerking te nemen vermogen beschikt. Gelet op het opneembare bedrag van € 14.831,08, het negatieve saldo bij de banken van € 3.615,66 en het vrij te laten vermogen van € 5.455,-- betreft dit een bedrag van € 5.760,42.

4.9. Appellante heeft omtrent de omvang van de op de datum van de aanvraag reeds verrichte en nog te verrichten aanwendingen van het stipendium ten behoeve van beroepskosten niets gesteld. Anderzijds heeft appellante wel aangevoerd dat zij het stipendium heeft moeten gebruiken om in haar eenmanszaak te investeren. Aldus is onaannemelijk dat appellante ten tijde van de aanvraag van de WWIK-uitkering nog in het geheel geen beroepskosten had betaald die zij ten genoege van het fonds zou kunnen verantwoorden. Bij die stand van zaken heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat zij ten tijde van de aanvraag van een WWIK-uitkering over niet meer vermogen beschikte dan een bedrag van € 5.455,--. Het college heeft op die grond de aanvraag mogen afwijzen.

4.10. Uit 4.1, 4.5 en 4.9 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt daarom voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en J.F. Bandringa en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 april 2013.

(getekend) J.J.A. Kooijman

(getekend) J. de Jong

HD