Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7400

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-04-2013
Datum publicatie
17-04-2013
Zaaknummer
11-6639 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand. De appellant (...) toekomende bijstand moet toereikend worden geacht om in zijn situatie te voorzien in de kosten van levensonderhoud, daaronder ook begrepen de reserveringen die appellant in zijn situatie moet plegen voor incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten. Geen bijzondere omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/6639 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 4 oktober 2011, 11/255 en 11/573 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Ooststellingwerf (college)

Datum uitspraak 16 april 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F. Bakker, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 maart 2013. Appellant is vertegenwoordigd door mr. Bakker. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door B.L. Heijs.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving vanaf 2 augustus 2000 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 21 november 2007 heeft het college de bijstand met ingang van 1 februari 2008 met tien procent verlaagd in verband met de omstandigheid dat appellant geen woning, maar een toercaravan bewoont op een camping te [plaatsnaam]. Na bezwaar, beroep en hoger beroep tegen het besluit van 21 november 2007 is dit besluit in rechte onaantastbaar geworden bij uitspraak van de Raad van 19 april 2011, LJN BQ3752.

1.2. In april 2008 heeft appellant een aanvraag gedaan om bijzondere bijstand voor de kosten van de aanleg en bouw van waterleiding, rioolafvoerleidingen en een sanitaire unit bij zijn caravan (sanitaire unit). Het college heeft bij besluit van 20 juni 2008 deze aanvraag afgewezen op de grond dat die sanitaire unit in verband met de voorzieningen op de camping niet noodzakelijk is. Na bezwaar, beroep en hoger beroep is dit besluit in rechte onaantastbaar geworden bij uitspraak van de Raad van 24 januari 2012, LJN BV1872.

1.3. Op 11 augustus 2010 heeft appellant een aanvraag gedaan om bijzondere bijstand voor de kosten van aanschaf van materialen voor de isolatie en verwarming van een sanitaire unit tot een bedrag van € 1.700,-- (kosten in geding).

1.4. Bij besluit van 26 augustus 2010 heeft het college - voor zover hier van belang - de aanvraag afgewezen op de grond dat bijstand wordt gevraagd voor algemene kosten van het bestaan, die uit eigen middelen, namelijk door reservering of lening moeten worden bekostigd.

1.5. Bij besluit van 2 februari 2011 (bestreden besluit) heeft het college - voor zover hier van belang - het bezwaar tegen het besluit van 26 augustus 2010 ongegrond verklaard. Daartoe heeft het college overwogen dat de kosten in geding behoren tot de algemene kosten van bestaan. De aanvraag om bijzondere bijstand voor kosten van oprichting van een sanitaire unit zijn in het verleden afgewezen. De kosten in geding zijn niet noodzakelijk. Appellant heeft zich tot dan toe gered zonder isolatie van de sanitaire unit.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - voor zover hier van belang - het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de kosten in geding behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, waarvoor appellant dient te reserveren of te lenen. De omstandigheid dat appellant vanaf 1 februari 2008 een lagere uitkering heeft, betekent niet dat hij niet kan reserveren. Hij heeft immers, zoals eerder in rechte is vastgesteld, ook lagere kosten door niet in een woning te wonen, maar in een caravan, met minder dan € 1.000,-- aan kosten van verblijf op de camping per jaar.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd voor zover die ziet op de kosten in geding. Hij voert aan dat de kosten in geding voortvloeien uit bijzondere omstandigheden, namelijk dat hij door de verlaging van zijn uitkering niet kan reserveren voor deze kosten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Evenals de rechtbank begrijpt de Raad het bestreden besluit aldus dat daaraan ten grondslag is gelegd dat de kosten in geding, indien deze noodzakelijk zijn, niet voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.

4.2. Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de WWB dient eerst beoordeeld te worden of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte dient de vraag te worden beantwoord of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm. Op dit punt heeft het bijstandverlenend orgaan ingevolge deze bepaling een zekere beoordelingsvrijheid. De omstandigheid dat de betrokkene al dan niet de mogelijkheid heeft gehad te reserveren voor de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd, is een aspect dat moet worden beoordeeld in het kader van de vraag of de zich voordoende, noodzakelijke kosten, voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.

4.3. Tussen partijen is in geschil of de kosten in geding voortvloeien uit bijzondere omstandigheden in verband met de omstandigheid dat appellant voor deze kosten niet heeft kunnen reserveren.

4.4. Dat appellant vanaf 1 februari 2008 een lagere bijstandsuitkering ontvangt, hangt samen met zijn lagere woonkosten. De Raad verwijst naar zijn onder 1.1 genoemd uitspraak over de situatie van appellant. De appellant aldus toekomende bijstand moet toereikend worden geacht om in zijn situatie te voorzien in de kosten van levensonderhoud, daaronder ook begrepen de reserveringen die appellant in zijn situatie moet plegen voor incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten. Met juistheid heeft de rechtbank daarom overwogen dat de kosten in geding niet voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Daarom faalt het hoger beroep en komt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en J.F. Bandringa en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 april 2013.

(getekend) J.J.A. Kooijman

(getekend) J. de Jong

HD