Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7384

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-04-2013
Datum publicatie
17-04-2013
Zaaknummer
11/6462 WWB + 11/6463 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Bij het verzoek om overlegging van de bankgegevens is expliciet aangegeven dat indien appellanten niet meer beschikken over de bankrekening zij een bewijs van opheffing van de rekening dienen te overleggen. Appellanten valt dus te verwijten dat zij hun stelling dat zij niet (meer) beschikken over de bewuste bankrekening (afschriften) niet onderbouwd hebben met een verklaring van de betreffende bank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/6462 WWB, 11/6463 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van

21 september 2011, 11/665 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant 1] en [Appellant 2] te [woonplaats] (appellanten)

het college van burgemeester en wethouders van Roermond (college)

Datum uitspraak 16 april 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. W.H.A. Bos, advocaat te Roermond, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter zitting van 5 maart 2013 aan de orde gesteld. Partijen zijn, met voorgaand bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten ontvingen sinds 2 februari 2010 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.

1.2. Bij besluit van 16 september 2010 heeft het college met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de WWB het recht op bijstand van appellanten met ingang van 1 september 2010 opgeschort. Bij dat besluit zijn appellanten in de gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens van hun buitenlandse bankrekening bij de Banque Populaire: Agence Khabbazak, numero de compte: [nummer], vóór 7 oktober 2010 in te leveren. Daarbij is verzocht een bewijs van opening van de bankrekening te overleggen en indien appellanten niet meer in het bezit zijn van deze rekening een bewijs van opheffing. Appellanten is tevens meegedeeld dat de bijstand zal worden beëindigd indien de gevraagde stukken niet binnen de daarvoor gestelde termijn worden ingeleverd.

1.3. Bij besluit van 18 oktober 2010 heeft het college de bijstand van appellanten met ingang van 1 september 2010 ingetrokken op de grond dat appellanten de gevraagde gegevens niet hebben ingeleverd.

1.4. Bij besluit van 6 april 2011 heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 18 oktober 2010 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 6 april 2011 ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij hebben hiertoe aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college bij zijn besluitvorming gebruik mocht maken van een rapport uit 2006, omdat de financiële situatie van appellanten sedertdien is gewijzigd en voorts dat destijds al een verklaring is gegeven over de aangetroffen bankgegevens.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Met de rechtbank wordt vastgesteld dat het opschortingsbesluit in rechte is vast komen te staan, zodat uitsluitend ter beoordeling voorligt of de intrekking van de bijstand ingaande 1 september 2010 met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB in rechte stand kan houden.

4.2. Bij de beantwoording van de vraag of het college op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB bevoegd is tot intrekking van de aan appellanten verleende bijstand, staat ter beoordeling of appellanten verzuimd hebben binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens of gevorderde bewijsstukken te verstrekken. Indien dat het geval is, dient vervolgens te worden nagegaan of appellanten hiervan een verwijt kan worden gemaakt. Die verwijtbaarheid kan ontbreken indien het gaat om gegevens of gevorderde bewijsstukken die niet van belang zijn voor de verlening van bijstand of om gegevens waarover appellanten niet binnen de gestelde hersteltermijn redelijkerwijs hebben kunnen beschikken.

4.3. De gevraagde bankgegevens zijn van belang voor de verlening van bijstand en appellanten hebben niet gesteld dat zij niet binnen de gestelde hersteltermijn redelijkerwijs over deze gegevens hebben kunnen beschikken. Vastgesteld moet worden dat de gevraagde gegevens niet vóór de uiterste datum van 7 oktober 2010 zijn ingeleverd. Bij het verzoek om overlegging van de bankgegevens is expliciet aangegeven dat indien appellanten niet meer beschikken over de bankrekening zij een bewijs van opheffing van de rekening dienen te overleggen. Appellanten valt dus te verwijten dat zij hun stelling dat zij niet (meer) beschikken over de bewuste bankrekening (afschriften) niet onderbouwd hebben met een verklaring van de Banque Populaire, Agence Khabbazak. Een blote ontkenning is in het licht van de bij het huisbezoek in 2006 aangetroffen gegevens inzake de betreffende rekening ontoereikend.

4.4. Uit wat in 4.3 is overwogen volgt dat appellanten het verzuim om de gevraagde bankgegevens in te leveren verwijtbaar niet binnen de hersteltermijn hebben hersteld en dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB is voldaan. Er is geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot intrekking van het recht op bijstand met ingang van 1 september 2010 gebruik heeft kunnen maken.

4.5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 april 2013.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) M.R. Schuurman

HD