Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7353

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-04-2013
Datum publicatie
18-04-2013
Zaaknummer
10-1468 WMO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering meer uren huishoudelijke verzorging toe te kennen. Appellante wordt in staat geacht om lichte huishoudelijke werkzaamheden te verrichten. Geen omstandigheden op grond waarvan in voor appellante positieve zin zou moeten worden afgeweken van de in het Protocol opgenomen normtijden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/1468 WMO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van

27 januari 2010, 08/8492 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Leiden (college)

Datum uitspraak 17 april 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Tracey hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Op verzoek van de Raad heeft het college nadere stukken ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 23 januari 2013, waar partijen, met bericht, niet zijn verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante is bekend met onder andere fibromyalgie, het chronisch vermoeidheidssyndroom, prikkelbare darmsyndroom, RSI en depressie(s). Vanwege haar beperkingen heeft appellante op grond van de bepalingen bij of krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) tot 9 juni 2007 een voorziening in de vorm van huishoudelijke hulp naar klasse 3 (3 tot en met 6,9 uur per week) ontvangen.

1.2. Bij aanvraag van 6 juni 2007 heeft appellante op grond van de bepalingen bij of krachtens de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) verzocht om huishoudelijke verzorging.

1.3. Naar aanleiding van de aanvraag heeft C.A.H. Rijnbeek, indicatieadviseur bij het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ), samen met de CIZ-arts G.D. de Loor appellante gezien op het spreekuur. CIZ heeft vervolgens op basis van informatie van appellante en haar GGZ-behandelaar op 27 juli 2007 aan het college gerapporteerd dat gelet op de beperkingen van appellante met ingang van 9 juni 2007 een voorziening in de vorm van huishoudelijke hulp naar klasse 2 (2 tot en met 3,9 uur per week) aangewezen is. Deze huishoudelijke hulp houdt in: licht poetswerk en kamers opruimen, huis schoonmaken, stofzuigen, wc/badkamer reinigen en de was doen. CIZ heeft geadviseerd de door appellante gewenste uitbreiding van hulp voor het verzorgen van de warme maaltijden niet toe te kennen, omdat appellante wordt geacht voor wat betreft de maaltijdvoorziening gebruik te kunnen maken van voorliggende voorzieningen.

1.4. Bij besluit van 9 augustus 2007 heeft het college conform het advies van CIZ aan appellante voor de periode van 9 juni 2007 tot en met 26 juli 2008 een voorziening in de vorm van huishoudelijke verzorging ingevolge de Wmo naar klasse 2 toegekend. Appellante heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt.

1.5. Op 19 mei 2008 heeft de CIZ-arts De Loor, na dossieronderzoek en kennisneming van schriftelijke informatie van de behandelende psycholoog van appellante, geconcludeerd dat appellante ondanks haar objectiveerbare chronische beperkingen in staat moet worden geacht om lichte huishoudelijke werkzaamheden te verrichten. Volgens De Loor is een voorziening in de vorm van huishoudelijke hulp naar klasse 2 toereikend.

1.6. Bij besluit van 7 oktober 2008 (bestreden besluit) heeft het college het tegen het besluit van 9 augustus 2007 gemaakte bezwaar onder verwijzing naar een advies van de commissie voor de beroep- en bezwaarschriften van 17 september 2008 ongegrond verklaard. Die commissie heeft overwogen dat het advies van CIZ op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen.

1.7. Bij brief van 1 december 2009 heeft J. Oliveiro, arts bij CIZ, naar aanleiding van de door appellante in beroep bij de rechtbank overgelegde medische informatie van haar huisarts, een neuroloog en een internist, geconcludeerd dat met de 3,5 uur hulp die ze nu ontvangt, gelet op de afmetingen van haar huis, ruimschoots aan de door appellante ervaren beperkingen is tegemoetgekomen.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het besluit op bezwaar ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank - samengevat - overwogen dat de rapportages van CIZ op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en dat het college er bij zijn besluitvorming van uit heeft mogen gaan dat de in de rapportages van CIZ opgenomen beperkingen van appellante juist zijn weergegeven. De rechtbank heeft verder overwogen dat de door appellante overgelegde informatie van de reumatoloog niet leidt tot een ander oordeel, nu het college de door die reumatoloog weergegeven beperkingen van appellante niet betwist en rekening houdend met die beperkingen een voorziening in de vorm van huishoudelijke hulp heeft toegekend. De rechtbank heeft ten slotte overwogen dat het college op basis van de voor appellante geldende tabel in de bijlage 1 van het Protocol Indicatiestelling voor huishoudelijke verzorging, het maximaal mogelijke aantal uren huishoudelijke hulp heeft toegekend.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep - evenals in bezwaar en beroep - op het standpunt gesteld dat haar belastbaarheid door het college te hoog wordt ingeschat. Ten onrechte is aangenomen dat voor appellante het maximaal mogelijke aantal uren is geïndiceerd. Meer beweging leidt tot overbelasting. Appellante heeft hierbij verwezen naar de door haar overgelegde Functionele Mogelijkheden Lijst.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. Voor de wettelijke bepalingen verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.

4.1. Het geding ziet op de vraag of het college aan appellante meer uren huishoudelijke verzorging had moeten toekennen. Dat appellante ten gevolge van haar aandoeningen beperkingen ondervindt bij het uitvoeren van huishoudelijke taken is niet in geschil.

4.2. De Raad stelt met de rechtbank vast dat het toegekende aantal uren in overeenstemming is met de normtijden voor een alleenstaande in het Gemeentelijk protocol indicatiestelling voor Hulp bij het huishouden (Protocol). Anders dan appellante mogelijk meent, is hierin ook licht huishoudelijk werk begrepen. Het college heeft namelijk bij het primaire besluit van

9 augustus 2007 2 tot 3.9 uur per week huishoudelijke hulp toegekend. Uit het advies van CIZ dat aan dit besluit ten grondslag ligt, blijkt dat de door CIZ noodzakelijk geachte 3,5 uur ziet op (kort gezegd) lichte en zware huishoudelijke taken en de was. Dit is in bezwaar niet gewijzigd, ondanks het advies van CIZ-arts De Loor dat appellante in staat moest worden geacht om lichte huishoudelijke werkzaamheden te verrichten.

4.3. Gelet op de gedingstukken onderschrijft de Raad ook overigens de aangevallen uitspraak, daaronder begrepen de overwegingen van de rechtbank over de zorgvuldigheid van de besluitvorming van het college. Hetgeen appellante heeft aangevoerd, duidt niet op omstandigheden op grond waarvan in voor appellante positieve zin zou moeten worden afgeweken van de in het Protocol opgenomen normtijden.

4.4. Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.T. Berkel-Kikkert als voorzitter en A.J. Schaap en M.I. ’t Hooft als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 april 2013.

(getekend) G.M.T. Berkel-Kikkert

(getekend) A.C. Oomkens

HD