Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7352

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-04-2013
Datum publicatie
18-04-2013
Zaaknummer
12-1626 WMO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling uurloon. 14 augustus 2008 tot en met 27 april 2011. De Raad stelt vast dat het college in het bestreden besluit een uurtarief van € 13,90 heeft toegekend, terwijl in artikel 8 van het Bmo 2008 een uurtarief van € 14,10 is neergelegd. Dit betekent dat het bestreden besluit, voor zover dat betrekking heeft op het uurtarief over 2008, niet in stand kan blijven wegens strijd met artikel 8 van het Bmo 2008. Vernietiging uitspraak. De Raad zal zelf in de zaak voorzien en het uurtarief voor de periode van 14 augustus 2008 tot en met 31 december 2008 vaststellen op € 14,10. Periode van 1 januari 2011 tot en met 27 april 2011. De huishoudelijke hulp is verleend door een persoon die ten tijde van de dienstverlening niet werkzaam was voor een zorginstelling. Lager uurtarief.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/1626 WMO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van

31 januari 2012, 11/1197 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Dronten (college)

Datum uitspraak 17 april 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. K.A. Faber, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college en appellante hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2013. Namens appellante is verschenen haar echtgenoot [naam echtgenoot], bijgestaan door mr. Faber. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J.F. Eelsing.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Bij brief van 14 augustus 2008 heeft appellante het college verzocht de vorm van de aan haar op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) toegekende huishoudelijke verzorging om te zetten van zorg in natura naar een persoonsgebonden budget (pgb).

1.2. Bij besluit van 25 september 2008 heeft het college het verzoek van appellante afgewezen.

1.3. Bij besluit van 27 april 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellante tegen het besluit van 25 september 2008 gegrond verklaard en aan appellante voor de periode van 14 augustus 2008 tot 1 maart 2013 een pgb toegekend voor huishoudelijke ondersteuning, categorie 1. De vergoeding bedraagt € 13,90 per uur over 2008, € 14,50 per uur over 2009 en € 14,86 per uur vanaf 1 januari 2010.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het besluit van 27 april 2011 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft in hoger beroep de aangevallen uitspraak op de hierna te bespreken gronden bestreden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g sub 6, van de Wmo wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder maatschappelijke ondersteuning het verlenen van voorzieningen aan mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en aan mensen met een psychosociaal probleem ten behoeve van het behouden en het bevorderen van hun zelfstandig functioneren of hun deelname aan het maatschappelijke verkeer.

4.2. Artikel 4, eerste lid, van de Wmo bepaalt - voor zover hier van belang - dat ter compensatie van de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 6°, ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie, het college van burgemeester en wethouders voorzieningen treft op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die hem in staat stellen om een huishouden te voeren.

4.3. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Wmo stelt de gemeenteraad met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet bij verordening regels vast over de door het college van burgemeester en wethouders te verlenen individuele voorzieningen en de voorwaarden waaronder personen die aanspraak hebben op dergelijke voorzieningen recht hebben op het ontvangen van die voorziening in natura, het ontvangen van een financiële tegemoetkoming of een pgb.

4.4. Artikel 6 van de Wmo bepaalt - voor zover hier van belang - dat het college van burgemeester en wethouders personen die aanspraak hebben op een individuele voorziening de keuze biedt tussen het ontvangen van een voorziening in natura of het ontvangen van een hiermee vergelijkbaar (vanaf 1 januari 2010: en toereikend) pgb, tenzij hiertegen overwegende bezwaren bestaan.

4.5. Artikel 26 van de Wmo luidt:

1. De motivering van een beschikking op een aanvraag om een individuele voorziening vermeldt op welke wijze de genomen beschikking bijdraagt aan het behouden en het bevorderen van de zelfredzaamheid en de normale maatschappelijke participatie van mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en van mensen met een psychosociaal probleem.

2. Bij een beslissing op het bezwaar als bedoeld in artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht en een beslissing op het beroep als bedoeld in artikel 7:26 van de Algemene wet bestuursrecht is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.

4.6. Aan artikel 5, eerste lid, van de Wmo is in de gemeente Dronten uitvoering gegeven door vaststelling van de Verordening maatschappelijke ondersteuning (Vmo 2007), welke gold van 1 januari 2007 tot 1 mei 2010. Vanaf 1 mei 2010 geldt de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Dronten (Vmo 2010).

4.7.1. Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b van de Vmo 2007 is de omvang van het pgb de tegenwaarde van de in de situatie goedkoopst adequate te verstrekken voorziening in natura (…) zoals vastgelegd in het Besluit eigen bijdragen en financiële tegemoetkomingen maatschappelijke ondersteuning. Artikel 12 van de Vmo 2007 bepaalt dat het bedrag per uur dat in de vorm van een pgb wordt verstrekt, wordt vermeld in het Besluit eigen bijdragen en financiële tegemoetkomingen maatschappelijke ondersteuning.

4.7.2. Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b van de Vmo 2010 wordt de omvang van het pgb, met uitzondering van het pgb voor vergoeding van een arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 5 lid 2 van de Wet op de loonbelasting 1964, afgeleid van de tegenwaarde van de in de betreffende situatie te verstrekken voorziening in natura. Artikel 12 van de Vmo 2010 bepaalt dat de bedragen die per tijdseenheid van een uur (…) in de vorm van een pgb worden verstrekt, jaarlijks door het college worden vastgesteld en opgenomen in het Besluit eigen bijdragen en financiële tegemoetkomingen maatschappelijke ondersteuning gemeente Dronten.

4.8.1. Ingevolge artikel 8 van het Besluit eigen bijdragen en financiële tegemoetkomingen maatschappelijke ondersteuning 2008 (Bmo 2008), dat gold van 1 januari 2008 tot 1 januari 2009, bedraagt het bedrag dat als pgb huishoudelijke ondersteuning wordt verstrekt voor categorie 1: € 14,10 per uur.

4.8.2. Ingevolge artikel 8 van het Besluit eigen bijdragen en financiële tegemoetkomingen maatschappelijke ondersteuning 2009 (Bmo 2009), dat gold van 1 januari 2009 tot 1 mei 2010, bedraagt het bedrag dat als pgb huishoudelijke ondersteuning wordt verstrekt voor categorie 1: € 14,50 per uur.

4.8.3. Ingevolge artikel 8 van het Besluit eigen bijdragen en financiële tegemoetkomingen maatschappelijke ondersteuning 2010 (Bmo 2010), dat gold van 1 mei 2010 tot 1 januari 2012, bedraagt het bedrag dat als pgb huishoudelijke ondersteuning wordt verstrekt voor categorie 1: € 14,86 per uur.

4.9. De Raad stelt vast dat het hoger beroep uitsluitend betrekking heeft op de vraag of het door het college gehanteerde uurtarief voor het pgb in rechte stand houdt.

4.10. De te beoordelen periode loopt in dit geval van 14 augustus 2008 tot en met 27 april 2011, de datum van het bestreden besluit.

De periode van 14 augustus 2008 tot en met 31 december 2008

5.1.1. De Raad stelt vast dat het college in het bestreden besluit een uurtarief van € 13,90 heeft toegekend, terwijl in artikel 8 van het Bmo 2008 een uurtarief van € 14,10 is neergelegd. Dit betekent dat het bestreden besluit, voor zover dat betrekking heeft op het uurtarief over 2008, niet in stand kan blijven wegens strijd met artikel 8 van het Bmo 2008. Ook de aangevallen uitspraak, waarbij dit niet is onderkend, moet in zoverre worden vernietigd.

5.1.2. De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaak te voorzien en het uurtarief voor de periode van 14 augustus 2008 tot en met 31 december 2008 vast te stellen op € 14,10. Daartoe overweegt de Raad het volgende.

5.2.1. Zoals de Raad heeft geoordeeld in zijn uitspraken van 17 november 2009 (onder meer LJN BK4603) kan als uitgangspunt bij de vaststelling van de hoogte van het uurtarief voor het pgb worden genomen het uurtarief waarvoor de gemeente huishoudelijke verzorging in de zin van de Wmo krachtens aanbesteding heeft gecontracteerd. Dit onverminderd de mogelijkheid voor een persoon die op huishoudelijke verzorging is aangewezen om zich in het concrete geval op het (onderbouwde) standpunt te stellen dat de door de gemeente gecontracteerde zorg zich in zijn geval niet kwalificeert als compensatie in de zin van artikel 4, eerste lid, van de Wmo en dat het college van burgemeester en wethouders zich in dat geval daarover gezien artikel 26 van de Wmo een gemotiveerd oordeel zal moeten vormen.

5.2.2. Het college heeft ter zitting onderbouwd gesteld dat het door hem in het Bmo 2008 vastgestelde uurtarief voor het pgb voor de het jaar 2008 is gelegen op het laagste uurtarief waarvoor de huishoudelijke verzorging in de zin van Wmo krachtens aanbesteding door het college is gecontracteerd. De Raad ziet geen aanleiding om aan de juistheid van deze stelling van het college te twijfelen, zodat hiervan wordt uitgegaan.

5.2.3. Appellante heeft niet gesteld dat de door de gemeente gecontracteerde zorg zich in haar geval niet kwalificeert als compensatie in de zin van artikel 4, eerste lid, van de Wmo. Zij heeft ook niet gemotiveerd betwist dat zij met het toegekende pgb huishoudelijke zorg heeft kunnen inkopen van een niveau dat vergelijkbaar is met door de gemeente gecontracteerde huishoudelijke verzorging. De enkele stelling dat de door haar ingeschakelde hulp een hoger tarief rekende, kan er niet toe leiden dat het aan het college is om aannemelijk te maken dat de zorg wel voor het toegekende uurtarief kan worden ingekocht.

5.2.4. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het uurtarief voor de periode van 14 augustus 2008 tot en met 31 december 2008 kan worden vastgesteld op het in artikel 8 van het Bmo 2008 bepaalde bedrag van € 14,10 per uur.

De jaren 2009 en 2010

5.3. Hetgeen is overwogen onder 5.2.2 tot en met 5.2.4 geldt ook voor de jaren 2009 en 2010. Dit leidt tot de conclusie dat het uurtarief voor 2009 terecht is vastgesteld op € 14,50 en dat appellante met het haar toegekende uurtarief van € 14,86 voor heel 2010 niet tekort is gedaan.

De periode van 1 januari 2011 tot en met 27 april 2011

5.4. Het college heeft ter zitting gesteld dat het uurtarief waarvoor de huishoudelijke verzorging in 2011 door het college is gecontracteerd ligt op een bedrag van ongeveer € 20,--.

5.5. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 29 augustus 2012, LJN BX6144, overweegt de Raad dat, indien de huishoudelijke hulp blijkt te zijn verleend door een persoon die ten tijde van de dienstverlening niet werkzaam was voor een zorginstelling, in dat gegeven aanleiding kan worden gevonden om van een lager uurtarief uit te gaan dan het tarief waarvoor de gemeente in die periode de zorg in natura heeft gecontracteerd. Voor een dergelijk geval acht de Raad het, doch uitsluitend voor besluiten die genomen zijn vóór de datum van inwerkingtreding van artikel 21a van de Wmo op 1 september 2012, geoorloofd om voor het bepalen van de hoogte van het pgb-tarief een lager forfaitair bedrag tot uitgangspunt te nemen.

5.6. De Raad kan niet meegaan in de stelling van appellante dat haar dochter Wendy, die de huishoudelijke verzorging verleende, werkzaam was voor een zorginstelling. Hiervoor is onder meer van belang de nauwe familierelatie en het feit dat appellante een contract had gesloten met Wendy persoonlijk, althans als freelancer. Voorts blijkt uit de - overigens pas na de datum van het bestreden besluit gedane - inschrijving van het bedrijf van Wendy bij de Kamer van Koophandel dat dit bedrijf zich niet richtte op schoonmaakwerkzaamheden.

5.7.1. Nu vaststaat dat de huishoudelijke hulp is verleend door een persoon die ten tijde van de dienstverlening niet werkzaam was voor een zorginstelling, kon er aanleiding worden gevonden om van een lager uurtarief uit te gaan dan het tarief waarvoor de gemeente de zorg in natura had gecontracteerd. Voor de bepaling van de hoogte van dat bedrag acht de Raad het, onder verwijzing naar eerdergenoemde uitspraak van 29 augustus 2012, in de rede liggen dat als hoofdregel wordt uitgegaan van het uurloon behorende bij functiegroep 15 van de CAO Thuiszorg (thans: CAO Verpleeg- en verzorgingshuizen en Thuiszorg (VVT)), te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van verlofuren, wat in hoofdlijnen inhoudt dat het CAO-loon wordt verhoogd met 20%. Volgens appellante is deze hoofdregel in haar geval van toepassing. Er kunnen echter gevallen zijn waarin sprake is van objectieve aanknopingspunten om uit te gaan van een lager uurloon dan dat van functiegroep 15 van de CAO VVT. Het college neemt het standpunt in dat van functiegroep 10 zou moeten worden uitgegaan.

5.7.2. Onafhankelijk van het antwoord op de vraag of deze objectieve aanknopingspunten in het onderhavige geval aanwezig zijn, kan worden vastgesteld dat appellante met het haar toegekende uurtarief van € 14,86 niet tekort is gedaan nu het uurloon behorende bij de hoogste trede van functiegroep 15 van de CAO VVT, vermeerderd met 20%, met ingang van 1 januari 2011 neerkomt op een bedrag van € 14,75.

5.8. Uit hetgeen is overwogen onder 5.3 tot en met 5.7.2 vloeit voort dat het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak in stand kunnen blijven voor zover het betreft de periode van 1 januari 2009 tot en met 27 april 2011.

6. Gelet op hetgeen is overwogen in 5.1.1 is er aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep tot een bedrag van € 1.180,-- en in hoger beroep tot een bedrag van € 944,-- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

-vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover deze betrekking heeft op het in het bestreden besluit toegekende uurtarief voor 2008;

-verklaart het beroep in zoverre gegrond en vernietigt het besluit van 27 april 2011 voor zover dit betrekking heeft op het in het bestreden besluit toegekende uurtarief voor 2008 en bepaalt dat hetgeen is overwogen onder 5.2.4 van deze uitspraak in plaats treedt van dat gedeelte van het besluit van 27 april 2011;

-bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

-veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.124,--;

-bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 156,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.T. Berkel-Kikkert als voorzitter en A.J. Schaap en M.I. ‘t Hooft als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 april 2013.

(getekend) G.M.T. Berkel-Kikkert

(getekend) A.C. Oomkens

HD