Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7347

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-04-2013
Datum publicatie
18-04-2013
Zaaknummer
12/949 WMO + 12/950 WMO
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2011:7930, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Beëindiging maatschappelijke opvang. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat appellant geen procesbelang meer heeft bij de beoordeling van besluit 1. Art. 8 EVRM. Kwetsbaar persoon. Het college heeft de beëindiging van de aan appellant verleende maatschappelijke opvang niet louter heeft kunnen baseren op de grond dat hij niet langer rechtmatig in Nederland verbleef. De omstandigheid dat appellant wordt aangemerkt als kwetsbaar persoon is bij de beoordeling of sprake is van een positieve verplichting om appellant te beschermen (eveneens) van betekenis. Geen deugdelijke motivering. 2) Niet-ontvankelijkverklaring van bezwaar tegen brief die verwijst naar besluit 1. Gezien oordeel over besluit 1, is hoger beroep tegen besluit 2 niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/949 WMO, 12/950 WMO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

29 december 2011, 11/1440 en 11/1441 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

Datum uitspraak 17 april 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.C. Cerezo-Weijsenfeld, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Cerezo-Weijsenfeld. Voor het college is verschenen mr. A.H. van der Post.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is geboren [in] 1948 en verblijft in Rotterdam. Op 20 november 2006 heeft hij een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) ingediend onder de beperking “medische noodsituatie”. Deze aanvraag is bij besluit van 27 juni 2007 afgewezen. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 18 november 2009 ongegrond verklaard. De rechtbank Rotterdam heeft op 28 juli 2010 het beroep van appellant tegen het besluit van 18 november 2009 ongegrond verklaard. Appellant heeft tegen deze uitspraak geen hoger beroep ingesteld.

1.2. Appellant heeft het college op 4 juni 2007 en op 19 december 2007 verzocht om toelating tot de maatschappelijke opvang ingevolge de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), welke aanvragen zijn afgewezen. Bij besluit van 18 maart 2008 heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 20 december 2007, waarbij de aanvraag van 19 december 2007 werd afgewezen, ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het besluit van 18 maart 2008 bij uitspraak van 22 januari 2009 ongegrond verklaard.

1.3. Bij uitspraak van 19 april 2010, LJN BM0956, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank van 22 januari 2009 vernietigd, het beroep van appellant tegen het besluit van 18 maart 2008 gegrond verklaard, het besluit van 18 maart 2008 vernietigd en het college de opdracht gegeven te onderzoeken of appellant in aanmerking komt voor een voorziening als bedoeld in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 maart 2007, LJN BA4652. De Raad heeft geoordeeld dat appellant, gelet op zijn ten tijde in geding van belang bestaande naar objectief medische maatstaf vastgestelde gezondheidstoestand, behoorde tot de categorie kwetsbare personen die gezien artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in het bijzonder recht hebben op bescherming van hun privé- en gezinsleven. Onder die omstandigheden kon niet worden volgehouden dat sprake was van een “fair balance” tussen publieke belangen die betrokken zijn bij de weigering van die toegang en de particuliere belangen van appellant om wel toegelaten te worden. De Raad heeft een voorlopige voorziening getroffen dat appellant wordt toegelaten tot de maatschappelijke opvang tot zes weken na de datum waarop de nieuwe beslissing op bezwaar aan appellant bekend wordt gemaakt.

1.4. Bij besluit van 5 oktober 2010 heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 20 december 2007 gegrond verklaard en appellant alsnog toegang tot de maatschappelijke opvang verleend.

1.5. Voorafgaand aan het besluit van 5 oktober 2010 heeft appellant het college op 15 september 2010 verzocht om het toekennen van de “Rotterdam status”. Bij brief van 3 november 2010 heeft het college appellant meegedeeld dat een regeling waaraan een “Rotterdam status” zou kunnen worden ontleend het college onbekend is. Daarbij is te kennen gegeven dat de gemeente Rotterdam op casusniveau en bij uitzondering tijdelijke ondersteuning verleent aan (nog) rechtmatig in Nederland verblijvende ex-asielzoekersgezinnen die onderdak geboden wordt omdat er geen andere vormen van opvang voor hen bestaan of beschikbaar zijn. Zij worden tijdelijk gehuisvest en krijgen wekelijks een toelage van € 70,-- vanuit een zorginstelling.

1.6. Bij besluit van 4 november 2010 heeft het college appellant meegedeeld dat hij niet langer toegang heeft tot de bij besluit van 5 oktober 2010 verleende maatschappelijke opvang in Centraal Onthaal, omdat uit informatie van de IND is gebleken dat appellant vanaf 28 juli 2010 uitzetbaar is. Bij brief van 12 november 2010 heeft appellant het college verzocht hem op casusniveau te ondersteunen, in reactie waarop in de brief van 24 november 2010 verwezen wordt naar het besluit van 4 november 2010.

1.7. Bij besluit van 18 februari 2011 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 4 november 2010 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het college zich op het standpunt gesteld dat appellant met ingang van 28 juli 2010 niet meer rechtmatig in Nederland verblijft. Daarnaast blijkt uit het GGD-advies van 9 september 2010 dat geen sprake (meer) is van een acute medische noodsituatie op grond waarvan toelating van appellant tot de maatschappelijke opvang noodzakelijk is.

1.8. Bij besluit van 18 februari 2011 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar van verzoeker tegen de brief van 24 november 2010 niet-ontvankelijk verklaard, op de grond dat deze brief geen besluit inhoudt als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. Ten aanzien van bestreden besluit 1 heeft de rechtbank geoordeeld dat primair van belang is dat appellant een vreemdeling is die ten tijde in geding niet rechtmatig in Nederland verbleef. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat aan appellant feitelijk adequate hulp wordt geboden zodat hij in zoverre geen procesbelang meer heeft. Ten aanzien van bestreden besluit 2 heeft de rechtbank geoordeeld dat er geen publiekrechtelijke bevoegdheid valt aan te wijzen voor het verstrekken van voorzieningen in het kader van de “bed-bad-brood” regeling (bbb-regeling). Dit betekent dat een beslissing op een verzoek om in aanmerking te komen voor een dergelijke voorziening geen besluit is. Van een andere publiekrechtelijke bevoegdheid om de door verzoeker gevraagde hulp te verstrekken is de rechtbank evenmin gebleken, zodat het college het bezwaar van verzoeker tegen de brief van 24 november 2010 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. In het hoger beroepschrift is benadrukt dat niet de verblijfstatus maar de kwetsbaarheid van appellant doorslaggevend is bij de beoordeling van het beroep op artikel 8 van het EVRM. Aan appellant wordt, anders dan aan Nederlandse daklozen, uitsluitend nachtopvang geboden zonder kans op een adequate kamer. Appellant krijgt een toelage van € 70,-- per week, tweemaal per week een warme maaltijd en af en toe een kop soep. Overdag heeft hij geen plek om te verblijven.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt allereerst vast dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat appellant geen procesbelang meer heeft bij de beoordeling van bestreden besluit 1. De rechtbank heeft bij de beoordeling van het procesbelang bepalend geacht dat de feitelijk aan appellant verleende opvang ten tijde van de behandeling van het beroep ter zitting van de rechtbank adequaat was. De Raad volgt de rechtbank hierin niet, nu de rechtbank ten onrechte niet het moment van de beëindiging van de maatschappelijke opvang per 4 november 2010 bij dit oordeel heeft betrokken. Reeds hierom bestaat naar het oordeel van de Raad voldoende procesbelang bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad beoordelen of het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond is.

4.2. Bij de beoordeling van bestreden besluit 1 is het volgende van belang. Zoals de Raad in zijn uitspraak van 22 december 2008 (LJN BG8776) heeft overwogen, merkt het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EHRM) respect voor menselijke waardigheid en menselijke vrijheid als “the very essence” van het EVRM aan. Het in artikel 8 van het EVRM besloten liggende recht op respect voor het privéleven van een persoon omvat mede de fysieke en psychische integriteit van die persoon en is er primair op gericht, zonder inmenging van buitenaf, de ontwikkeling van de persoonlijkheid van elke persoon in zijn betrekkingen tot anderen te waarborgen. Dit artikel beoogt niet alleen de staten tot onthouding van inmenging in het privéleven te dwingen, maar kan onder omstandigheden ook aan het recht op eerbiediging van het privéleven inherente positieve verplichtingen meebrengen die noodzakelijk zijn voor een effectieve waarborging ervan. Daarbij hebben kinderen en andere kwetsbare personen in het bijzonder recht op bescherming. Het EHRM heeft meerdere malen geoordeeld dat artikel 8 van het EVRM ook relevant is in zaken die betrekking hebben op de besteding van publieke middelen. Daarbij is wel van belang dat in een dergelijk geval aan de Staat een extra ruime “margin of appreciation” toekomt, terwijl het EHRM bij de bepaling van de bescherming die betrokkenen genieten onder het EVRM belang toekent aan de al dan niet legale status van het verblijf van betrokkenen. De Raad wijst in dit verband onder meer op het arrest van het EHRM van 27 mei 2008, in de zaak N. vs het Verenigd Koninkrijk, nr. 26565/05 (EHRC 2008, 91).

4.3. De Raad stelt vast dat tussen partijen niet meer in geschil is dat appellant, zoals ook in de in 1.3 genoemde uitspraak van 19 april 2010 door de Raad werd geoordeeld, dient te worden aangemerkt als kwetsbaar persoon als omgeschreven in 4.2, als gevolg waarvan hij in het bijzonder recht heeft op bescherming. De Raad is van oordeel dat het college de beëindiging van de aan appellant verleende maatschappelijke opvang niet louter heeft kunnen baseren op de grond dat hij niet langer rechtmatig in Nederland verbleef. De omstandigheid dat appellant wordt aangemerkt als kwetsbaar persoon is bij de beoordeling of sprake is van een positieve verplichting om appellant te beschermen (eveneens) van betekenis. Het bestreden besluit 1 berust derhalve niet op een deugdelijke motivering. De Raad zal het beroep van appellant tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaren en dit besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb vernietigen. Tevens bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb het besluit van 4 november 2010 te herroepen nu dit besluit op dezelfde onhoudbaar gebleken grondslag berust.

4.4. Uit 4.3 vloeit voort dat appellant geen belang meer heeft bij een beoordeling van het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak voor zover deze betrekking heeft op de weigering hem in aanmerking te brengen voor de toepassing van de bbb-regeling, nu de aanspraak op toegang tot de met ingang van 5 oktober 2010 verleende maatschappelijke opvang ten gevolge van het herroepen van het besluit van 4 november 2010 doorloopt. Het hoger beroep van appellant wordt daarom in zoverre niet-ontvankelijk verklaard.

4.5. De Raad stelt ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding vast dat appellant niet nader heeft onderbouwd welke schade hij heeft geleden ten gevolge van het onrechtmatige besluit van het college, zodat het verzoek reeds hierom dient te worden afgewezen.

4.6. Ten overvloede wijst de Raad nog op het volgende. Uit de gedingstukken volgt en ter zitting is door partijen bevestigd dat appellant ten tijde van belang, met uitzondering van de periode waarin aan appellant een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 56 van de Vw is opgelegd en hij in de vrijheidsbeperkende locatie diende te verblijven, in het kader van de zogenaamde bbb-regeling is opgevangen in opvanglocatie De Brug in Rotterdam. Appellant had daar in ieder geval een slaapplek, hij kreeg een dagelijkse warme maaltijd, kleding en een openbaar vervoerskaart, hij had gelegenheid zijn kleding te wassen en zich te douchen en verder ontving hij een bedrag van € 70,-- leefgeld per week. De Raad acht deze aan appellant verleende maatschappelijke opvang in het licht van artikel 8 van het EVRM in de gegeven omstandigheden toereikend.

5. De Raad ziet aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 1.748,-- voor verleende rechtsbijstand in beroep en in hoger beroep.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

-vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover betrekking hebbend op de beëindiging van de bij besluit van 5 oktober 2010 verleende maatschappelijke opvang;

-verklaart het beroep in zoverre gegrond;

-vernietigt het besluit van 18 februari 2011, waarbij het bezwaar tegen het besluit van

4 november 2010 ongegrond werd verklaard;

-herroept het besluit van 4 november 2010;

-verklaart het hoger beroep van appellant voor zover betrekking hebbend op de weigering om de bbb-regeling toe te passen niet-ontvankelijk;

-wijst het verzoek om een veroordeling tot vergoeding van schade af;

-veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.748,--;

-bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 153,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en A.J. Schaap en W.H. Bel als leden, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 april 2013.

(getekend) R.M. van Male

(getekend) J.T.P. Pot

HD