Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7342

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-04-2013
Datum publicatie
18-04-2013
Zaaknummer
11-3477 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAZ-uitkering. Zorgvuldig medisch onderzoek en de daaruit getrokken conclusies zijn inzichtelijk en begrijpelijk. De juistheid van die conclusies is niet aan twijfel onderhevig. De belasting in de geduide functies gaat de mogelijkheden van appellant niet te boven. Bij de beoordeling van appellants mate van arbeidsongeschiktheid is het juiste Schattingsbesluit, namelijk dat gold tot 1 oktober 2004, toepast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/3477 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 mei 2011, 09/3596 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (Frankrijk) (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 17 april 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2013. Voor appellant is verschenen mr. J.A. de Jonge, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. F.A. Steeman

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is werkzaam geweest als zelfstandig programmeur voor 40 uur per week. Met ingang van 25 november 1996 is aan hem een uitkering ingevolge de Algemene arbeidsongeschiktheidswet toegekend, gebaseerd op de mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, welke uitkering per 1 januari 1998 is omgezet naar een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ).

1.2. Bij besluit van 16 februari 2009 heeft het Uwv de aan appellant toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering per 23 april 2009 ingetrokken. Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 26 juni 2009 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daarbij is verwezen naar de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts W.M. Koek van 2 juni 2009 en bezwaararbeidsdeskundige P.W.A. Thoen van 25 juni 2009.

2.1. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Daartoe is ten aanzien van de medische grondslag van het bestreden besluit overwogen dat deze deugdelijk is. Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld dat uit de diverse onderzoeken voldoende gegevens naar voren zijn gekomen om tot een afgewogen oordeel omtrent de voor appellant geldende beperkingen te komen. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat bij het vastleggen van appellants beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) de artsen van het Uwv aandacht hebben besteed aan alle door appellant gestelde klachten. Aangezien appellant geen objectieve medische stukken heeft overgelegd waaruit het tegendeel blijkt, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van de artsen van het Uwv dat er geen grond is om meer beperkingen aan te nemen.

2.2. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank overwogen dat de belasting van de geduide functies van inpakker, meteropnemer en bode-bezorger binnen de voor appellant geldende belastbaarheid, zoals beschreven in de FML van 2 juni 2009, blijft. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de geduide functies voldoende arbeidsplaatsen vertegenwoordigen en aan de eisen van het Schattingsbesluit 2004 voldoen en tot slot, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 16 april 2002 (LJN AE3457), overwogen dat ook deeltijdfuncties voor voltijd werkenden geselecteerd mogen worden.

3.1. In hoger beroep is - samengevat - aangevoerd dat appellants beperkingen zijn onderschat, waarbij met name wordt gesteld dat ten onrechte geen beperking is aangenomen ten aanzien van aspect 2.5 van de FML. Daarnaast heeft appellant aangevoerd dat de voorkomende signaleringen onvoldoende door de (bezwaar) arbeidsdeskundige zijn toegelicht en dat de in de geduide functies voorkomende belasting de belastbaarheid van appellant overschrijdt. Tevens heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat aan de onderhavige schatting geen combinatie van part-time en full-time functies ten grondslag had mogen worden gelegd. Tot slot is appellant van mening dat ten onrechte is uitgegaan van het Schattingsbesluit van 1 oktober 2004, terwijl op appellant het oude Schattingsbesluit van toepassing is.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De rechtbank heeft de in beroep aangevoerde gronden besproken. Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat het onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts op zorgvuldige wijze is verricht. De bezwaarverzekeringsarts heeft uitgebreid gerapporteerd over haar onderzoek en daaruit voortkomende bevindingen. Het rapport bevat een samenvatting van de medische bezwaren van appellant en de bespreking daarvan aan de hand van de (medische) informatie uit het dossier. De door de bezwaarverzekeringsarts daaruit getrokken conclusies zijn inzichtelijk en begrijpelijk. De juistheid van die conclusies is, mede gezien het in hoger beroep overgelegde rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 11 augustus 2011, niet aan twijfel onderhevig. Hierdoor vormen zij een deugdelijke grondslag voor het vaststellen van de functionele mogelijkheden en beperkingen van appellant op de in geding zijnde datum, 23 april 2009.

4.2. Bij de beoordeling van de geschiktheid van de aan appellant voorgehouden functies wordt uitgegaan van de juistheid van de in de FML van 2 juni 2009 vastgelegde belastbaarheid. Onder verwijzing naar de in het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 25 juni 2009 opgenomen toelichtingen op de in de resultaat functiebelasting voorkomende signaleringen en hetgeen de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapport van 22 augustus 2011, in reactie op de gronden in hoger beroep heeft weergegeven, heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat de belasting in de geduide functies de mogelijkheden van appellant niet te boven gaat.

4.3. Het standpunt van appellant dat ten onrechte binnen de functie inpakker met SBC code 111190 een combinatie van parttime en fulltime functies is gehanteerd wordt, gelet op de rechtspraak van de Raad waarnaar door de rechtbank in de aangevallen uitspraak is verwezen, niet gevolgd.

4.4. Met het Uwv is de Raad van oordeel dat bij de beoordeling van appellants mate van arbeidsongeschiktheid het juiste Schattingsbesluit, namelijk dat gold tot 1 oktober 2004, is toepast. Dit blijkt onder meer uit het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 25 juni 2009, waarin wordt gesteld dat het arbeidsongeschiktheidscriterium op grond van de wet Terugdringing Beroep op de Arbeidsongeschiktheidswetten (TBA), ingevoerd op 1 augustus 1993, van toepassing is en voorts dat uitgegaan dient te worden van minimaal 3 functies met in totaal minimaal 30 arbeidsplaatsen.

4.5. Uit hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep geen doel treft en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 april 2013.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) H.J. Dekker