Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7341

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-04-2013
Datum publicatie
18-04-2013
Zaaknummer
12-1720 WOJ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om indicatie voor meer uren zorg voor de functie Begeleiding, in de vorm van een PGB. Appellant heeft zijn beroep niet onderbouwd met (medische) stukken op grond waarvan een objectieve noodzaak tot uitbreiding van de bestaande indicatie kan worden aangenomen. Voorts is door appellant ook in hoger beroep niet duidelijk gemaakt welke noodzakelijke zorg hij op basis van de bestaande indicatie niet kan inkopen. Er bestaat derhalve geen grond om aan te nemen dat Bjz de omvang van de indicatie niet juist heeft vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/1720 WOJ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 15 februari 2012, 315302/FA RK 11-7009 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

Stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht (Bjz)

Datum uitspraak 17 april 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellant, wettelijk vertegenwoordigd door zijn moeder [naam moeder], heeft mr. I.E. Mussche hoger beroep ingesteld.

Bjz heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2013. Voor appellant is verschenen [naam moeder], bijgestaan door mr. Mussche. Bjz heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.I. Heuvelhorst en E.M. Robben.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren [in] 1996, is bekend met Syndroom van Asperger met aandachtsstoornis en sociale angst. Hij volgt regulier (VWO) onderwijs en woont bij zijn moeder.

1.2. Bij besluit van 14 april 2010 is appellant op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet op de jeugdzorg (Wjz) en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) geïndiceerd voor de zorgfuncties Verblijf Tijdelijk, klasse 1, Begeleiding Groep, klasse 2, en Begeleiding Individueel, klasse 1. Een en ander in de vorm van een Persoonsgebonden budget (PGB) en voor de periode tot 1 mei 2011.

1.3. Op 27 januari 2011 heeft appellant een aanvraag ingediend voor uitbreiding van de indicatie voor de zorgfuncties Begeleiding Groep naar klasse 3, en Begeleiding Individueel naar klasse 2.

1.4. Bij besluit van 26 april 2011 heeft Bjz, in afwijking van de aanvraag, appellant geïndiceerd voor dezelfde zorgfuncties en in dezelfde omvang als bij het besluit van 14 april 2010. Een en ander wederom in de vorm van een PGB en thans voor de periode van 1 mei 2011 tot 1 mei 2012.

1.5. Bij besluit van 29 september 2011 (bestreden besluit) heeft Bjz het bezwaar tegen het besluit van 26 april 2011 ongegrond verklaard. Bjz heeft hieraan ten grondslag gelegd dat het niet gelukt is om goed inzicht te krijgen in hoe het PGB van appellant precies wordt besteed en welke AWBZ-zorg hij extra zou willen inkopen als het PGB verruimd zou worden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hierbij onder meer overwogen dat appellant niet heeft geconcretiseerd welke noodzakelijke vormen van hulpverlening niet uit het budget gefinancierd kunnen worden. Hierdoor ziet de rechtbank in het door appellant gestelde geen reden om de omvang van de door Bjz geïndiceerde zorg onjuist te achten.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De relevante wet- en regelgeving luidt als volgt.

Artikel 5, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder b, van de Wjz, voor zover van belang:

“1. De stichting heeft tot taak te bezien of een cliënt zorg nodig heeft in verband met psychiatrische problemen, die het onbedreigd opgroeien van een jeugdige belemmeren.

2. Tot de taak, bedoeld in het eerste lid, behoort het vaststellen of een cliënt is aangewezen op zorg, bestaande uit bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen vormen van geestelijke gezondheidszorg voor jeugdigen waarop ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten aanspraak bestaat.”

Artikel 9, aanhef en onder a, van het Uitvoeringsbesluit Wjz:

“Als vormen van zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder b, van de wet worden, voor zover deze zorg of het verblijf betrekking heeft op een jeugdige en verband houdt met een psychiatrische aandoening, aangewezen:

persoonlijke verzorging, begeleiding, verblijf, kortdurend verblijf en voortgezet verblijf als bedoeld in de artikelen 4, 6, 9, artikel 9a, 10 en 13, tweede lid, van het Besluit zorgaanspraken AWBZ.”

Artikel 6 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ (Bza), voor zover van belang:

“1. Begeleiding omvat door een instelling te verlenen activiteiten aan verzekerden met een psychiatrische aandoening of beperking die matige of zware beperkingen hebben op het terrein van:

a. de sociale redzaamheid,

b. het bewegen en verplaatsen,

c. het psychisch functioneren,

d. het geheugen en de oriëntatie, of

e. die matig of zwaar probleemgedrag vertonen.

2. De activiteiten, bedoeld in het eerste lid, zijn gericht op bevordering, behoud of compensatie van de zelfredzaamheid en strekken tot voorkoming van opname in een instelling of verwaarlozing van de verzekerde.

3. De activiteiten, bedoeld in het eerste lid, bestaan uit:

a. het ondersteunen bij of het oefenen met vaardigheden of handelingen,

b. het ondersteunen bij of het oefenen met het aanbrengen van structuur of het voeren van regie, of

c. het overnemen van toezicht op de verzekerde.”

Artikel 9a van het Bza, voor zover van belang:

“1. Kortdurend verblijf omvat logeren in een instelling gedurende maximaal drie etmalen per week, gepaard gaande met persoonlijke verzorging, verpleging of begeleiding.

2. Op de zorg, bedoeld in het eerste lid, bestaat slechts aanspraak indien ontlasting van de persoon die gebruikelijke zorg of mantelzorg aan de verzekerde levert, noodzakelijk is.”

4.2. Bjz maakt bij de indicatiestelling voor jeugdigen met psychiatrische problematiek in het kader van de AWBZ gebruik van de werkinstructie “Indicatiestelling voor de Jeugd-GGZ”.

4.3. Bjz heeft op basis van de bij 4.1 genoemde wet- en regelgeving en de bij 4.2 genoemde werkinstructie de zorgbehoefte van appellant reeds bij het onder 1.2 genoemde besluit van 14 april 2010 vastgesteld en op basis daarvan bepaald voor welke zorgfuncties appellant in aanmerking komt en in welke omvang. Bjz is daarbij uitgegaan van de beperkingen die appellant ondervindt op de gebieden sociale redzaamheid en psychisch functioneren. Er is daarbij rekening gehouden met de behoefte aan structuur die appellant nodig heeft. Ook is ermee rekening gehouden dat appellant meer zorg van zijn ouder(s) nodig heeft dan gebruikelijk is voor kinderen van zijn leeftijd.

4.4. Met zijn hoger beroep beoogt appellant uitbreiding van de onder 4.3 genoemde indicatie te bewerkstelligen om meer uren zorg voor de functie Begeleiding in te kunnen kopen. Volgens hem is dit nodig omdat hij vrijwel voortdurend toezicht en aansturing nodig heeft om ervoor te zorgen dat hij ondanks zijn beperkingen aan zijn dagelijkse taken toekomt en leeftijdsadequaat kan functioneren.

4.5. De Raad stelt vast dat appellant zijn beroep niet heeft onderbouwd met (medische) stukken op grond waarvan een objectieve noodzaak tot uitbreiding van de bestaande indicatie kan worden aangenomen. Ook de door hem in de loop van de procedure overgelegde stukken, waaronder de brief van zijn psychiater, K. Wieme, van 23 december 2011, bieden geen aanknopingspunten om van een toegenomen (objectieve) zorgbehoefte uit te gaan. Voorts is door appellant ook in hoger beroep niet duidelijk gemaakt welke noodzakelijke zorg hij op basis van de bestaande indicatie niet kan inkopen. Er bestaat derhalve geen grond om aan te nemen dat Bjz de omvang van de indicatie niet juist heeft vastgesteld.

4.5. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en A.J. Schaap en W.H. Bel als leden, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 april 2013.

(getekend) R.M. van Male

(getekend) J.T.P. Pot

ew