Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7340

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-04-2013
Datum publicatie
18-04-2013
Zaaknummer
11-3069 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Amber-situatie. Geen aanknopingspunten om te oordelen dat appellant met de extra beperking zoals verzekeringsarts die in de FML heeft opgenomen tekort is gedaan. Op basis van de beschikbare gegevens is aannemelijk dat appellant op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten in staat moet worden geacht de geduide functies te vervullen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/3069 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 26 april 2011, 10/4116 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 17 april 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.C. Cornelisse, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft bij brief van 22 februari 2013 een rapportage ingezonden van gedragsneuroloog K. Arts. Het Uwv heeft in reactie hierop een rapportage ingezonden van bezwaarverzekeringsarts R. van den Enden van 27 februari 2013.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2013. Namens appellant is mr. Cornelisse verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. Reith.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is in 2000 ten gevolge van een hersenbloeding uitgevallen uit zijn werk als vrachtwagenchauffeur. Vanaf einde wachttijd heeft hij een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen. Met ingang van 2 april 2005 is deze uitkering ingetrokken omdat appellant minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht. In 2007 is appellant gestart als zelfstandig fietsenmaker. Op 16 december 2009 heeft appellant zich met ingang van 1 mei 2009 toegenomen arbeidsongeschikt gemeld in verband met vermoeidheidsklachten.

1.2. Het Uwv heeft beoordeeld of zich een situatie voordeed als bedoeld in artikel 43a van de WAO (Amber), op grond van welke bepaling - voor zover hier van belang - een verkorte wachttijd van vier weken geldt voor de verzekerde die binnen vijf jaar na intrekking van zijn uitkering wederom arbeidsongeschikt wordt, terwijl deze arbeidsongeschiktheid voorkomt uit dezelfde oorzaak als die waaruit de arbeidsongeschiktheid voortkwam ter zake waarvan de ingetrokken uitkering werd genoten. Het Uwv heeft een dergelijke situatie aanwezig geacht.

1.3. Bij besluit van 25 mei 2010 heeft het Uwv appellant met ingang van 29 mei 2009 een WAO-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

1.4. Bij besluit van 7 oktober 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 25 mei 2010 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft geen reden gezien om te twijfelen aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit. De rapportages van de (bezwaar)verzekeringsartsen zijn inzichtelijk en niet is gebleken dat zij zijn gebaseerd op een onvolledig of onzorgvuldig onderzoek. Appellant heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van gronden die een urenbeperking zouden rechtvaardigen. Daarbij heeft de rechtbank van belang geacht dat uit een rapport van klinisch psycholoog J.A. Knoop van 6 maart 2007 blijkt dat appellant is behandeld voor zijn vermoeidheidsklachten en dat hij daarvan hersteld is geacht. Er zijn geen gegevens overgelegd waaruit blijkt dat de vermoeidheid weer is toegenomen.

Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank geoordeeld dat de geduide functies aan de schatting ten grondslag konden worden gelegd. Omdat de signaleringen bij deze functies pas in beroep zijn toegelicht heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten.

3. Het hoger beroep is gericht tegen de instandlating van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit. Appellant heeft in hoger beroep, evenals in bezwaar en beroep, aangevoerd dat te weinig rekening is gehouden met zijn energetische beperkingen, als gevolg waarvan zijn belastbaarheid zeer beperkt is. Hij acht zich hierdoor niet in staat de geduide functies te verrichten. In de visie van appellant had de rechtbank in hetgeen hij naar voren heeft gebracht in ieder geval aanleiding moeten zien voor de benoeming van een deskundige. Appellant heeft ter ondersteuning van zijn standpunt gewezen op de door hem in hoger beroep overgelegde rapportage van gedragsneuroloog Arts. Ter zitting heeft appellant nader toegelicht dat de door hem gestelde energetische beperkingen vertaald zouden moeten worden in een urenbeperking en een beperking op het onderdeel concentratie.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat sprake is van een Amber-situatie. Met name heeft verzekeringsarts M. van Oostrom in zijn rapportage van 9 maart 2010, naar aanleiding van de uitkomsten van een neuropsychologisch onderzoek door G.J. Geurtsen in november 2009, een extra beperking aangenomen ten aanzien van een hoog handelingstempo bij het uitvoeren van complexe taken.

4.2. Het geschil spitst zich toe op de vraag of appellant op grond van energetische beperkingen minder belastbaar is dan door het Uwv aangenomen. De stelling van appellant dat hij niet in staat is de geduide functies te vervullen hangt hiermee direct samen.

4.3. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de medische grondslag van het bestreden besluit en de overwegingen die de rechtbank tot dit oordeel hebben geleid. De Raad ziet in de door appellant overgelegde rapportage van gedragsneuroloog Arts geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Arts vermeldt dat bij neurologische onderzoek geen afwijkingen zijn gevonden en dat bij neuropsychologische onderzoek, lichamelijk onderzoek en aanvullende onderzoek (CT-scan) geen of slechts geringe afwijkingen zijn gevonden. Arts acht echter op basis van ‘het consistente beeld over de afgelopen 10 jaar’ en gegevens uit de internationale literatuur de klachten van appellant over stoornissen van aandacht en concentratie en gebrek aan energie reëel en plausibel. Een verdere onderbouwing hiervan, toegespitst op appellant, ontbreekt echter. Zoals neuroloog P.J.M. van Wensen in zijn rapportage van 23 februari 2005, uitgebracht aan de rechtbank in een eerdere procedure van appellant, al heeft opgemerkt wordt binnen medische kringen, met name door neurologen, aangenomen dat er een logische verband is tussen een arachnoïdale bloeding en het op langere termijn bestaan van energie-, concentratie- en geheugenproblemen, maar treden deze problemen niet steeds op en is restloos herstel bepaald geen uitzondering. Van Wensen heeft in zijn rapportage uitdrukkelijk te kennen gegeven dat de arbeidsduur uit medisch oogpunt niet beperkt hoeft te worden. Gelet hierop ziet de Raad, mede in het licht van hetgeen de rechtbank heeft overwogen, geen aanknopingspunten om te oordelen dat appellant met de extra beperking zoals verzekeringsarts Van Oostrom die in de FML heeft opgenomen tekort is gedaan.

4.4. Gelet op de gegevens waarover de rechtbank de beschikking had, heeft zij geen aanleiding hoeven zien voor het benoemen van een deskundige.

4.5. De Raad is op basis van de beschikbare gegevens van oordeel dat aannemelijk is dat appellant op 29 mei 2009 op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten in staat moet worden geacht de geduide functies te vervullen.

5. Hetgeen onder 4.1 tot en met 4.5 is overwogen leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. De uitspraak van de rechtbank dient bevestigd te worden voor zover aangevochten.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en J.J.T. van den Corput en A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 april 2013.

(getekend) C.P.J. Goorden

(getekend) D.E.P.M. Bary