Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7335

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-04-2013
Datum publicatie
18-04-2013
Zaaknummer
10/4356 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wmo voor, onder meer, vergoeding van kosten verband houdend met de aanvraag van een parkeervoorziening voor personen met een handicap. Volgens de rapportage indicatiestelling is uit het onderzoek naar voren gekomen dat appellant in staat is met derden in een auto/bus te zitten en de instap naar een taxibus met behulp van een chauffeur te maken. Ook is vermeld dat appellant heeft aangegeven geen gebruik te willen maken van het collectief aanvullend vervoer (CAV).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4356 WMO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 14 juli 2010, 10/2091 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage (college)

Datum uitspraak 17 april 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.J.Ph. Dietz de Loos, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2013. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft op 14 oktober 2009 een aanvraag op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) ingediend voor, onder meer, vergoeding van kosten verband houdend met de aanvraag van een parkeervoorziening voor personen met een handicap.

1.2. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft het college onderzoek gedaan en de bevindingen daarvan opgenomen in de rapportage indicatiestelling van 8 december 2009. Volgens deze rapportage is uit het onderzoek naar voren gekomen dat appellant in staat is met derden in een auto/bus te zitten en de instap naar een taxibus met behulp van een chauffeur te maken. Ook is vermeld dat appellant heeft aangegeven geen gebruik te willen maken van het collectief aanvullend vervoer (CAV).

1.3. Bij besluit van 30 december 2009 heeft het college de aanvraag afgewezen.

1.4. Bij besluit van 15 maart 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 30 december 2009 ongegrond verklaard. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat vergoeding van de gevraagde kosten op grond van artikel 42, tweede lid, in verbinding met artikel 43, aanhef en onder m, van de Verordening individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Den Haag 2009 (Verordening) alleen mogelijk is wanneer het gebruik van de taxibus niet mogelijk is en betrokkene op medische gronden is aangewezen op eigen individueel vervoer. Aangezien niet gebleken is van beperkingen op grond waarvan kan worden aangenomen dat appellant geen gebruik kan maken van het CAV, komt hij niet voor de gevraagde vergoeding van de kosten voor een parkeervoorziening in aanmerking.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank mocht het college de afwijzing baseren op het feit dat niet is gebleken dat appellant vanwege zijn beperkingen geen gebruik kan maken van het CAV en dat dit toekenning van de gevraagde vergoeding in de weg staat. Van omstandigheden op grond waarvan het college van het primaat van het CAV had moeten afwijken, is de rechtbank niet gebleken. Ook het beroep dat appellant doet op de artikelen 2 en 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) slaagt volgens de rechtbank niet, omdat niet is gebleken dat het recht van appellant op leven in de zin van artikel 2, eerste lid, van het EVRM wordt beperkt door het standpunt van het college dat appellant wordt geacht gebruik te kunnen maken van het CAV. Evenmin is gebleken dat het gezinsleven van appellant als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het EVRM wordt aangetast.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad verwijst voor de weergave van de relevante wettelijke bepalingen naar de aangevallen uitspraak.

4.2. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het college de afwijzing mocht baseren op het gegeven dat in de Verordening aan het CAV primaat is verleend en dat het beroep van appellant op de uitspraak van de Raad van 27 juli 2005 en op de artikelen 2 en 8 van het EVRM niet slaagt. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die daaraan ten grondslag zijn gelegd. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd en dat in essentie neerkomt op een herhaling van hetgeen in eerdere instanties naar voren is gebracht, biedt geen aanknopingspunten om de aangevallen uitspraak voor onjuist te houden. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en A.J. Schaap en W.H. Bel als leden, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 april 2013.

(getekend) R.M. van Male

(getekend) J.T.P. Pot

HD