Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7331

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-04-2013
Datum publicatie
18-04-2013
Zaaknummer
11-6435 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ziekengeld. Voldoende zorgvuldig medisch onderzoek. Beperkingen niet onderschat. Door appellant geen nadere medische gegevens overgelegd, waaruit blijkt dat hij meer beperkt was dan door de artsen van het Uwv is aangenomen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/6435 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

22 september 2011, 10/3051 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 17 april 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr.drs. J.E. Groenenberg, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting op 6 maart 2013, waar partijen

- met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen.

OVERWEGINGEN

1. Appellant, laatstelijk op uitzendbasis in twee banen voor in totaal 61.5 uur per week werkzaam als schoonmaker, heeft zich op 6 oktober 2008 ziek gemeld wegens rug- en beenklachten en slaapproblemen. Appellant is in dat verband meerdere keren gezien op het spreekuur van de verzekeringsarts, voor het laatst op 30 juni 2010. De verzekeringsarts heeft appellant, na eigen onderzoek en verkregen informatie van de behandelend sector, weer geschikt geacht tot het verrichten van zijn arbeid. Bij besluit van 30 juni 2010 heeft het Uwv de uitkering van appellant op grond van de Ziektewet (ZW) beëindigd per 14 juli 2010. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 28 september 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant - in navolging van de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts neergelegd in de rapportage van 28 september 2010 - ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat bij de voorbereiding van het bestreden besluit de hoorplicht, zoals is voorgeschreven in artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), geschonden is en dat om die reden het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de medische beoordeling volledig is geweest en zorgvuldig tot stand gekomen is en dat de bezwaarverzekeringsarts zich een adequaat beeld heeft kunnen vormen van de in de door appellant verrichtte schoonmaakwerkzaamheden. De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid van de door de bezwaarverzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid en het door deze arts ingenomen standpunt dat appellant per 14 juli 2010 weer in staat is tot het verrichten van zijn arbeid. Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat zij, gelet op het vorenstaande, aanleiding heeft gezien de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

3. Appellant kan zich met de uitspraak van de rechtbank niet verenigen. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat aanvullende informatie van PsyQ niet noodzakelijk zou zijn. De overweging van de rechtbank, dat bij appellant sprake zou zijn van een milde/lichte depressie welke niet aan het werken als schoonmaker in de weg zou staan, is onjuist. Appellant is van mening dat hij vanwege zijn medische klachten niet in staat is om zijn arbeid te verrichten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1 Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Het ten aanzien van appellant verrichte medisch onderzoek is voldoende zorgvuldig geweest. Daarbij is van belang dat de verzekeringsarts appellant zowel lichamelijk als psychisch heeft onderzocht en inlichtingen heeft ingewonnen en verkregen van de behandelend zenuwarts H. Loen. De inlichtingen van deze zenuwarts zijn door de verzekeringsarts bij de beoordeling van appellants belastbaarheid meegewogen. De bezwaarverzekeringsarts heeft dossierstudie verricht, appellant op de hoorzitting gezien en hem aansluitend lichamelijk onderzocht. Deze arts kon bij onderzoek geen belangwekkende bewegingsbeperkingen vinden en heeft vervolgens de conclusie van de verzekeringsarts onderschreven dat er geen medische beperkingen zijn te duiden die appellant zouden verhinderen zijn werk te verrichten. In beroep heeft de bezwaarverzekeringsarts in haar rapport van 24 maart 2011 tot slot nader gemotiveerd waarom geen aanleiding bestaat om appellant vanwege zijn rugklachten en psychische klachten beperkt te achten ten aanzien van het verrichten van zijn arbeid.

4.2. Nu door appellant geen nadere medische gegevens zijn overgelegd, waaruit blijkt dat hij op de datum in geding meer beperkt was dan door de artsen van het Uwv is aangenomen, is er geen aanleiding appellant in zijn standpunt te volgen.

4.3. Hetgeen onder 4.1 en 4.2 is overwogen leidt tot het oordeel dat het Uwv op juiste gronden het ziekengeld van appellant met ingang van 14 juli 2010 heeft beëindigd. Het hoger beroep van appellant slaagt niet en de aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad acht geen gronden aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 april 2013.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) H.J. Dekker

JL