Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7329

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-04-2013
Datum publicatie
18-04-2013
Zaaknummer
11-691 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Oplegging maatregel. De Raad heeft in de beschikbare medische gegevens geen aanwijzing gevonden om te twijfelen aan de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts dat appellant geen verschoonbare reden van medische aard had waardoor hij niet kon voldoen aan de re-integratieafspraken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/691 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 december 2010, 10/550 en 10/1802 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 17 april 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.C.R. Molenaar, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2012. De zaak is gevoegd behandeld met de zaak met registratienummer 11/5131 WIA. Namens appellant is mr. Molenaar verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. F.A. Steeman. Na de sluiting van het onderzoek zijn de gevoegde zaken weer gesplitst.

Na de zitting heeft de Raad het onderzoek heropend en het Uwv in de gelegenheid gesteld een nader medisch onderzoek te verrichten.

Op 16 oktober 2012 heeft het Uwv een rapport van 15 oktober 2012, met bijlagen, van de bezwaarverzekeringsarts ingezonden. Namens appellant is bij brief van 5 november 2012, met bijlagen, gereageerd op dit rapport. Bij brief van 4 december 2012 heeft het Uwv op de namens appellant gegeven reactie commentaar gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 6 maart 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Molenaar. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.C. van der Meer.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was werkzaam als bagagemedewerker op Schiphol toen hij zich op 25 september 2007 ziek meldde vanwege rug- en beenklachten, met nadien bijkomende spanningsklachten. Met ingang van die datum is hem een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.

1.2. In het kader van de re-integratie van appellant in arbeid is door het Uwv een Plan van Aanpak opgesteld, dat op 15 oktober 2008 is bijgesteld. Deze bijstelling is bij brief van 16 oktober 2008 aan appellant toegezonden. Uit het bijgestelde Plan van Aanpak komt het volgende naar voren. Op 22 augustus 2008 is de belastbaarheid van appellant door de verzekeringsarts opnieuw beoordeeld. Ook nu is de conclusie dat appellant belastbaar wordt geacht voor passend werk. Op 14 oktober 2008 heeft de arbeidsdeskundige met appellant gesproken om de re-integratie opnieuw vorm te geven. Overeengekomen is dat appellant gedurende drie maanden deelneemt aan het zogenoemde voorschakeltraject waarbij een fysiotherapeut en een psycholoog betrokken zijn. De afspraak is gemaakt dat appellant vanaf 20 oktober 2008 driemaal per week een halve dag (van 13.00 tot 17.00 uur) met werkzaamheden in de fietsenwerkplaats op locatie De Werkplaats start.

1.3. Op 28 oktober 2008 heeft appellant zich bij De Werkplaats ziek gemeld. Op 31 oktober 2008 heeft de arbeidsdeskundige appellant telefonisch dringend verzocht zich op 3 november 2008 te melden bij De Werkplaats. De inhoud van dit telefoongesprek is door de arbeidsdeskundige bij brief van 31 oktober 2008 bevestigd. Appellant is op 3 november 2008 niet bij De Werkplaats verschenen.

1.4. Bij besluit van 2 december 2008 heeft het Uwv aan appellant een maatregel opgelegd bestaande uit een verlaging van zijn ZW-uitkering van 3 november 2008 tot en met 3 maart 2009 met 25%. Appellant heeft tegen deze maatregel bezwaar gemaakt. Bij besluit van 4 maart 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.

Het Uwv heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat appellant de verplichtingen die zijn opgenomen in het Plan van Aanpak niet is nagekomen door op 3 november 2008 niet te verschijnen bij De Werkplaats, terwijl de arbeidsdeskundige hem zowel telefonisch als schriftelijk heeft verzocht te komen en gewaarschuwd heeft voor de gevolgen van het niet komen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank onder meer het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv terecht heeft geconcludeerd dat appellant zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht.

3. Appellant is in hoger beroep gekomen voor zover de rechtbank zijn beroep tegen het bestreden besluit ongegrond heeft verklaard. Appellant heeft evenals in bezwaar en beroep aangevoerd dat hij zich op 28 oktober 2008 met fysieke en psychische klachten heeft ziek gemeld. De klachten waren dusdanig hevig dat hij zich bij zijn huisarts heeft gemeld, waar hij passende medicatie kreeg. Hij was daarom op 3 november 2008 nog niet in staat om de deelname aan het traject te hervatten. Ten onrechte heeft het Uwv hem niet medisch laten onderzoeken ten einde vast te stellen of hij daadwerkelijk niet in staat was om aan het traject deel te nemen. Het niet verschijnen bij De Werkplaats op 3 november 2008 kan hem daarom niet worden verweten. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft hij gewezen op de conclusie van het Rapport Einde traject zonder plaatsing van 2 april 2009 dat de psychische draagkracht van appellant momenteel te beperkt is voor werk en re-integratie.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of appellant een verschoonbare reden van medische aard heeft om geen gevolg te geven aan de oproep om zich op 3 november 2008 bij De Werkplaats te melden.

4.2. De Raad stelt vast dat aan de oplegging van de maatregel geen medisch onderzoek is vooraf gegaan. Evenmin heeft in bezwaar een beoordeling van de medische gronden door een bezwaarverzekeringsarts plaatsgevonden. Dit betekent dat het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in stand kan blijven. De Raad ziet aanleiding de aangevallen uitspraak te vernietigen voor zover het betreft het bestreden besluit, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond te verklaren en dat besluit te vernietigen.

4.3. Het Uwv heeft hangende de procedure in hoger beroep alsnog de bezwaarverzekeringsarts medisch onderzoek laten verrichten naar de door appellant aangevoerde medische gronden tegen de opgelegde maatregel. De resultaten daarvan zijn neergelegd in het in rubriek I vermelde rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 15 oktober 2012. Gelet hierop zal de Raad beoordelen of de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand kunnen blijven.

4.4. De bezwaarverzekeringsarts heeft een zorgvuldig onderzoek ingesteld naar de lichamelijke als ook de psychische klachten van appellant. Appellant heeft op 30 augustus 2012 het spreekuur van de bezwaarverzekeringsarts bezocht. De bezwaarverzekeringsarts heeft de dossiergegevens bestudeerd en bij de huisarts informatie opgevraagd en gekregen over klachten en bevindingen rond 3 november 2008. Op grond van de verzamelde gegevens kan volgens de bezwaarverzekeringsarts gesteld worden dat appellant op 3 november 2008 in staat was om aan de re-integratie-inspanningen te voldoen omdat de belastbaarheid op dat moment ongeveer vergelijkbaar moet zijn geweest met eerdere beoordelingen in augustus 2008. Dat hij kort voor en na 3 november 2008 met klachten bij de huisarts is geweest doet hier niet aan af. Hij is op 28 oktober 2008 gezien met een rood oog, waarbij de huisarts de diagnose episcleritis heeft gesteld. Dit is een aandoening die meestal geen klachten geeft en binnen enkele dagen (soms wat langer) spontaan geneest. Op grond van het feit dat hierover op 6 november 2008 niets meer wordt vermeld, mag aangenomen worden dat er vlot herstel is opgetreden. Vermoedelijk was de aandoening al vrijwel genezen op 3 november 2008 en als dit niet zo was dan zou dit ook geen belemmering zijn geweest om aan re-integratie-inspanningen te voldoen. Op 6 november 2008 werd appellant gezien met een ontstoken blaar op de rechterbil. Er is geen enkel bewijs dat hij dit ook al had op 3 november 2008. En zelfs als dit wel aan de orde zou zijn geweest dan is een ontstoken plekje op de bil ook geen reden om niet te kunnen voldoen aan de re-integratieverplichtingen. De bezwaarverzekeringsarts heeft ten slotte in haar rapport geconcludeerd dat appellant op 3 november 2008 geen verschoonbare reden van medische aard had waardoor hij niet kon voldoen aan de re-integratieafspraken. Het Uwv heeft de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts onderschreven. De Raad volgt het Uwv hierin.

4.5. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Anders dan appellant aanvoert heeft de bezwaarverzekeringsarts kennisgenomen van het rapport van Four Star van 21 november 2008 nu dit rapport zich in het dossier bevindt en de bezwaarverzekeringsarts het dossier heeft bestudeerd. Bij dit rapport is als bijlage gevoegd het verslag van het op 19 november 2008 door psycholoog S. Bryant verricht psychosociaal en medisch/functioneel onderzoek. Op basis van dit onderzoek heeft Bryant het advies gegeven dat appellant in staat is het arbeidstrainingstraject te volgen. Nu dit onderzoek heeft plaatsgevonden kort na de datum hier in geding gaat de Raad voorbij aan de conclusie van het Rapport Einde traject zonder plaatsing van 2 april 2009 dat de psychische draagkracht van appellant momenteel te beperkt is voor werk en re-integratie, aangezien dat rapport geen gegevens bevat over de datum hier in geding. Ook overigens heeft de Raad in de beschikbare medische gegevens geen aanwijzing gevonden om te twijfelen aan de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts dat appellant geen verschoonbare reden van medische aard had waardoor hij niet kon voldoen aan de re-integratieafspraken.

4.6. Gelet op de in artikel 45, eerste lid, aanhef en onder p, van de ZW opgenomen verplichting van het Uwv om aan appellant een maatregel op te leggen omdat hij onvoldoende zijn plichten die zijn opgenomen in het bijgestelde Plan van Aanpak is nagekomen, is de bij het bestreden besluit opgelegde maatregel in overeenstemming met artikel 2, eerste lid, aanhef onder c, in samenhang met artikel 5 van het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten. Van verminderde verwijtbaarheid als bedoeld in artikel 45, tweede lid, van de ZW, dan wel van dringende redenen als bedoeld in het vierde lid van artikel 45 van de ZW, op grond waarvan kan worden afgezien van het opleggen van een maatregel, is niet gebleken.

4.7. Hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 4.6 leidt tot de slotsom dat de met het bestreden besluit opgelegde maatregel in rechte standhoudt. De Raad zal bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb geheel in stand worden gelaten.

5. De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten van beroep en hoger beroep van appellant. Deze kosten worden begroot op € 944,- in beroep (een punt voor het beroepschrift en een punt voor het bijwonen van de zitting) en op € 1.416,- in hoger beroep (een punt voor het hoger beroepschrift, een punt voor het bijwonen van de zitting, een halve punt voor het indienen van een zienswijze en een halve punt voor het bijwonen van de nadere zitting) wegens verleende rechtsbijstand, in totaal € 2.360,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 4 maart 2010 gegrond en vernietigt dat besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.360,-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 152,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en J.J.T. van den Corput en A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 april 2013.

(getekend) C.P.J. Goorden

(getekend) D.E.P.M. Bary