Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7324

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-04-2013
Datum publicatie
18-04-2013
Zaaknummer
11-5516 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering uitkering krachtens de Wet WIA. Zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat, ondanks het vervallen van de functie productiemedewerker voedingsmiddelenindustrie, er voldoende functies resteren waarop de schatting gebaseerd kan worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/5516 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 26 augustus 2011, 11/906 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 17 april 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. E.D.B. Groeneweg, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Schalkwijk.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 12 augustus 2010 heeft het Uwv geweigerd appellant per 12 augustus 2010 in aanmerking te brengen voor een uitkering krachtens de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat hij per die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is geacht.

1.2. Bij besluit van 8 februari 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar gericht tegen het besluit van 12 augustus 2010 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Hiertoe is - samengevat - overwogen dat de rapportages van de verzekeringsarts van het Uwv zorgvuldig tot stand zijn gekomen. In dat kader acht de rechtbank van belang dat zowel de bezwaarverzekeringsarts als de verzekeringsarts appellant op hun spreekuur hebben gezien, waarbij anamnese, lichamelijk onderzoek en oriënterend psychisch onderzoek is afgenomen. Verder hebben beide artsen de beschikbare (medische) informatie bij hun beoordeling betrokken en zijn daar inhoudelijk op ingegaan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de bezwaarverzekeringsarts bovendien op inzichtelijke wijze gemotiveerd dat appellant niet voldoet aan de criteria van de standaard “geen duurzaam benutbare mogelijkheden”.

De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gezien voor het oordeel dat er door de verzekeringsartsen meer beperkingen hadden moeten worden aangenomen dan reeds zijn opgenomen in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 15 december 2010.

De rechtbank is vervolgens bij de beoordeling van de geschiktheid van de door het Uwv aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies tot het oordeel gekomen dat de functie productiemedewerker voedingsmiddelenindustrie (SBC 111172) niet aan de schatting ten grondslag gelegd had mogen worden. De drie resterende functies zijn, gelet op de bijbehorende functieomschrijvingen en de motivering van de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapportages van 29 maart 2011 en 14 juli 2011, naar het oordeel van de rechtbank wel in overeenstemming met de voor appellant vastgestelde belastbaarheid. Nu appellant met de resterende geduide functies op 12 augustus 2010 een zodanig inkomen kan verdienen dat hij niet in aanmerking komt voor een WIA uitkering, is deze hem door het Uwv terecht geweigerd.

3. Appellant heeft in hoger beroep zijn gronden, aangevoerd in bezwaar en beroep, herhaald. Samengevat heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat zowel zijn lichamelijk als zijn psychische beperkingen zijn onderschat. Vanwege zijn beperkingen kan hij niet in staat worden geacht duurzaam arbeid te verrichten. In dit kader heeft appellant de Raad verzocht een onafhankelijk psychiater te benoemen. Voorts heeft appellant aangevoerd dat in de drie resterende functies eveneens zijn belastbaarheid wordt overschreden en dat door de bezwaararbeidsdeskundige de in de resultaat functiebelasting van de geduide functies voorkomende signaleringen niet afdoende zijn toegelicht.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig is geweest. Er heeft zorgvuldig onderzoek plaatsgevonden en de in bezwaar ingebrachte medische stukken van de huisarts, neuroloog en het revalidatiecentrum De Hoogstraat zijn bij de besluitvorming betrokken. Appellant heeft in hoger beroep geen nieuwe medische gronden naar voren gebracht. Evenmin zijn er medische stukken in geding gebracht waaruit blijkt dat hij meer of anders beperkt is dan door de verzekeringsartsen is aangenomen.

4.3. De rechtbank heeft ook terecht geoordeeld dat, ondanks het vervallen van de functie productiemedewerker voedingsmiddelenindustrie, er voldoende functies resteren waarop de schatting gebaseerd kan worden. Ten aanzien van de in hoger beroep naar voren gebrachte grond dat de functie inpakker niet geschikt zou zijn omdat in deze functie de belastbaarheid van appellant overschreden wordt, verwijst de Raad naar de bijlage bij het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 4 februari 2011 en het in beroep overgelegde rapport van

14 juli 2011. In deze rapporten wordt door de bezwaararbeidskundige, per functie en de daarin voorkomende signaleringen, gemotiveerd waarom de functie voor appellant passend geacht kan worden. Deze toelichting is overtuigend.

5. Uit hetgeen is overwogen in 4.2 en 4.3 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 april 2013.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) H.J. Dekker