Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7316

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-04-2013
Datum publicatie
18-04-2013
Zaaknummer
12/5577 WW + 12/5597 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Oplegging boete. Appellant heeft zijn inlichtingenplicht geschonden door zijn activiteiten als zelfstandige te verzwijgen. Daarvan kan appellant zowel objectief als subjectief een verwijt worden gemaakt. De boete is evenredig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/5577 WW, 12/5597 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van

5 september 2012, 10/744 en 10/853 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 17 april 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft drs. R.J. Dobbelaar hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. M.P. de Witte, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is met ingang van 1 maart 2005 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). In verband met het bereiken van de uiterste termijn is de WW-uitkering met ingang van 1 maart 2007 geëindigd.

1.2. Uit van de belastingdienst ontvangen gegevens is gebleken dat appellant in 2006 zelfstandigenaftrek heeft genoten. Het Uwv heeft onderzoek verricht en in dat verband is appellant op 19 mei 2009 gehoord. Appellant heeft toen verklaard dat hij op 1 juli 2005 is gestart met een eigen bedrijf, maar pas in oktober 2005 inkomsten heeft genoten. Op grond van de uitkomsten van dat onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 15 juni 2009 de WW-uitkering van appellant beëindigd met ingang van 1 juli 2005. Het Uwv heeft daartoe overwogen dat appellant met ingang van die datum volledig als zelfstandige werkzaam was. Hetgeen door appellant over de periode van 1 juli 2005 tot en met 28 februari 2007 aan WW-uitkering heeft ontvangen, € 34.812,26 bruto, is door het Uwv als onverschuldigd betaald van appellant teruggevorderd.

1.3. Bij besluit van 31 augustus 2009 heeft het Uwv appellant een boete van € 2.269,- opgelegd.

2.1. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 15 juni en 31 augustus 2009. Bij besluit van 18 december 2009 heeft het Uwv het bezwaar tegen de intrekking en terugvordering van de WW-uitkering ongegrond verklaard. Het Uwv heeft daartoe onder meer overwogen dat appellant zich vanaf 1 juli 2005 had ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en dat hij vanaf die datum acquisitieactiviteiten heeft verricht. Verder overwoog het Uwv dat appellant een bedrijfsvoering in stand heeft gehouden, dat hij beschikte over reële bedrijfsmiddelen, casu quo diverse bedrijfspanden en dat hij een boekhouding heeft gevoerd.

2.2. Bij besluit van 23 december 2009 heeft het Uwv het bezwaar tegen de boete ongegrond verklaard. Het Uwv heeft daartoe overwogen dat appellant niet aan zijn informatieverplichting had voldaan omdat hij zijn werkzaamheden als zelfstandige niet had gemeld.

3.1. Appellant heeft beroep ingesteld tegen de besluiten van 18 en 23 december 2012. Hangende het beroep heeft een herbeoordeling plaatsgevonden door de zogenoemde toetsingscommissie ZZP. Bij besluit van 15 februari 2012 heeft het Uwv, na advies van de toetsingscommissie ZZP, de eerdere besluiten over de intrekking en terugvordering van de WW-uitkering en de oplegging van de boete van € 2.269,- gehandhaafd.

3.2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank onderschreef het standpunt van het Uwv dat appellant door het werken als zelfstandige in het geheel geen recht had op een WW-uitkering. Het Uwv heeft ervan mogen uitgaan dat appellant aan het opzetten van zijn bedrijf een volledige dagtaak had. Voor zover er twijfel was over de omvang van de werkzaamheden kon dit niet werken in het voordeel van appellant, als degene die geen volledige openheid heeft betracht over de in zijn onderneming verrichte werkzaamheden. De rechtbank oordeelde dat het Uwv het in de Handleiding opgenomen beleid consistent had toegepast.

4. In hoger beroep heeft appellant gesteld dat hij door het Uwv onvoldoende is voorgelicht zodat het hem niet kan worden verweten dat hij informatie niet, of niet volledig zou hebben verstrekt. Hij heeft altijd open kaart gespeeld. Volgens appellant was het Uwv volledig op de hoogte.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Voor het wettelijk kader wordt verwezen naar de onderdelen 4.1 en 6 van de aangevallen uitspraak. Daaraan worden nog toegevoegd de artikelen 8 en 20 van de WW. Op grond van artikel 8, eerste lid van de WW behoudt een persoon wiens dienstbetrekking is geëindigd, de hoedanigheid van werknemer voor zover hij geen werkzaamheden verricht uit hoofde waarvan hij op grond van deze wet niet als werknemer wordt beschouwd. Op grond van artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW eindigt het recht op uitkering voor zover de werknemer zijn hoedanigheid van werknemer verliest.

5.2. Het besluit van 15 februari 2012 is aan te merken als een nieuw besluit op de bezwaren tegen de besluiten van 18 en 23 december 2009 dat die besluiten vervangt (zie ook CRvB 15 maart 2011, LJN BP7501). De rechtbank had het besluit van 15 februari 2012, gelet op de artikelen 6:18, eerste lid, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, nu dit besluit niet geheel tegemoet komt aan appellant, bij haar beoordeling moeten betrekken. De rechtbank heeft dit ten onrechte niet gedaan. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd.

5.3. Anders dan appellant heeft gesteld, heeft hij het Uwv niet op de hoogte gesteld of gehouden van zijn werkzaamheden als zelfstandige. Op alle zogenoemde werkbriefjes heeft hij de vraag of hij werkzaamheden als zelfstandige verrichtte steeds met “nee” beantwoord. In maart 2006 heeft hij in het kader van de re-integratie in een gesprek met een medewerker van het Uwv aangegeven dat hij bezig was met het opzetten van een eigen bedrijf, terwijl op dat moment zijn bedrijf al negen maanden bestond. Bij brief van appellant van 15 februari 2007, dertien dagen voor het einde van zijn WW-uitkering, heeft appellant gemeld dat hij in een voortgangsgesprek op 23 januari 2007 had aangegeven dat hij op 1 februari 2007 een eigen bedrijf zou openen. Dat appellant in verband met zijn werkzaamheden als zelfstandige door het Uwv verkeerd is voorgelicht, blijkt nergens uit.

5.4. Ter zitting heeft appellant toegelicht dat zijn activiteiten divers waren. Aanvankelijk betrof zijn bedrijf een administratiekantoor dat hij in samenwerking met een ex-collega opzette. Daarna heeft hij zich met een kennis gericht op de verkoop van huishoudelijke artikelen en toen dat geen succes bleek, is hij zich gaan richten op de verkoop van tassen. Zoals hij zelf toelichtte was hij daar dag en nacht mee bezig. Daarmee is de conclusie dat appellant door die werkzaamheden vanaf de start van het eigen bedrijf geen recht meer had op WW-uitkering juist. Het oordeel van de rechtbank op dat punt wordt onderschreven.

5.5. Aangezien wordt onderschreven wat de rechtbank heeft overwogen omtrent de beschikbaarheid van appellant, de geringe inkomsten uit zijn bedrijf en de toets aan de Handleiding wordt volstaan met te verwijzen naar de onderdelen 6 en 7 van de aangevallen uitspraak.

5.6. Appellant heeft zijn inlichtingenplicht geschonden door zijn activiteiten als zelfstandige te verzwijgen. Daarvan kan appellant zowel objectief als subjectief een verwijt worden gemaakt. De boete is evenredig. Het oordeel van de rechtbank over de boete wordt dan ook onderschreven.

6. Er is aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Met toepassing van het Besluit proceskosten worden de kosten voor verleende rechtsbijstand begroot op € 472,- in beroep en op € 944,- in hoger beroep, in totaal € 1.416,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

-vernietigt de aangevallen uitspraak;

-verklaart het beroep tegen de besluiten van 18 en 23 december 2009 gegrond en vernietigt die besluiten;

-verklaart het beroep tegen het besluit van 15 februari 2012 ongegrond;

-veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.416,-;

-bepaalt dat het Uwv het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 197,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun als voorzitter en H.G. Rottier en R.P.T. Elshoff als leden, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 april 2013.

(getekend) B.M. van Dun

(getekend) Z. Karekezi

NW