Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7299

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-04-2013
Datum publicatie
16-04-2013
Zaaknummer
11/6803 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellante is aangesteld als accountant bij de Belastingdienst. Zij is daarbij ingeschaald in de groepsfunctie I, trede 6.

Naar aanleiding van het verzoek van appellante heeft de Commissie Gelijke Behandeling geoordeeld dat de staatssecretaris jegens appellante bij de vaststelling van haar aanvangssalaris (de inschaling) verboden onderscheid heeft gemaakt op grond van geslacht en ras.

Raad: De Rb. heeft het bestreden besluit terecht beoordeeld met toepassing van art. 4:6 van de Awb. (…)

De commissie heeft geoordeeld dat de staatssecretaris er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat dezelfde beloningsmaatstaven - en dan gaat het om de beloningsmaatstaf arbeidsmarktoverwegingen waaronder begrepen het laatstgenoten loon en onderhandelingen - op dezelfde wijze zijn toegepast op appellante en de maatman. De staatssecretaris heeft niet inzichtelijk gemaakt welk systeem of beleid hij bij de toepassing van die maatstaf hanteert. Dat is te meer van belang nu de staatssecretaris dient te voorkomen dat er ongerechtvaardigde verschillen in beloning ontstaan op grond van onderhandelingsvaardigheden. De Raad is met de Rb. en anders dan de commissie van oordeel dat de staatssecretaris wel aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij de inschaling van appellante dezelfde beloningsmaatstaven op dezelfde wijze heeft toegepast op appellante en de maatman. De staatssecretaris is bij de inschaling van zowel appellante als de maatman onder meer uitgegaan van het laatstgenoten salaris, om te bereiken dat de betrokkene er in salaris niet op achteruit zal gaan. Het dossier bevat geen aanknopingspunt om te veronderstellen dat de staatssecretaris dat niet op een voor appellante en de maatman gelijke wijze heeft gedaan. Dat het gevolg van onderhandelingen over het aanvangssalaris en (verschillen in) onderhandelingsvaardigheden kan zijn dat het aanvangssalaris in meerdere of mindere mate afwijkt van het laatstgenoten salaris, hoeft op zich niet te betekenen dat de staatssecretaris de maatstaf arbeidsmarktoverwegingen met daaronder begrepen het aspect onderhandelingen niet gelijk heeft toegepast op appellante en de maatman. Dat is niet anders nu voor de stelling van appellante dat haar is meegedeeld dat er geen mogelijkheid was om over de inschaling te onderhandelen geen enkele ondersteuning is te vinden in de dossierstukken. Dat appellante niet de ruimte heeft genomen om over het aanvangssalaris te onderhandelen, maakt dat evenmin anders.

Appellante heeft gesteld dat een aantal van de gebruikte beloningsmaatstaven subjectief is en daarom niet gebruikt had mogen worden. Zoals de Rb. terecht heeft overwogen heeft de staatssecretaris bij de inschaling van zijn ambtenaren een grote beoordelingsvrijheid. Gelet daarop is het aan de staatssecretaris om te bepalen welke beloningsmaatstaven hij wil aanleggen voor de inschaling van zijn ambtenaren, dit uiteraard binnen de grenzen van wet- en regelgeving. Dat sommige beloningsmaatstaven mogelijk enige subjectieve elementen in zich dragen, is niet geheel uit te sluiten. Dat hoeft echter geen probleem te zijn, als ook die beloningsmaatstaven - en dat is in het geval van appellante en de maatman gebeurd - maar gelijkelijk worden toegepast en het subjectieve element als zodanig niet leidt tot wezenlijke verschillen in beloning. Van dat laatste is de Raad niet gebleken.

Gelet op het vorenstaande gaat het vervolgens om de vraag of de staatssecretaris er in is geslaagd om aannemelijk te maken dat de gelijke toepassing van dezelfde beloningsmaatstaven op appellante en de maatman het verschil in inschaling verklaart. De Raad is - wederom met de Rb. en anders dan de commissie - van oordeel dat de staatssecretaris dat voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Daarbij moeten de in het geval van appellante bepalende beloningsmaatstaven in onderling verband worden bezien. Gebleken is dat de opleiding van de maatman verder gevorderd was dan die van appellante. Appellante heeft dat niet betwist. Ook beschikte de maatman over meer en volgens de staatssecretaris relevantere werkervaring dan appellante. Uit hetgeen appellante over haar werkervaring heeft gesteld, inhoudende dat zij bij diverse grote(re) bedrijven heeft gewerkt, kan niet worden afgeleid dat haar werkervaring nagenoeg gelijk was aan die van de maatman althans dat de staatssecretaris in de werkervaring van appellante ten opzichte van de maatman onvoldoende onderscheid had mogen vinden om (een deel van) het verschil in salaris te rechtvaardigen. Verder is aannemelijk dat, gelet op het ten tijde van de aanstelling van appellante en de maatman beperkte aanbod van accountants, arbeidsmarktoverwegingen, waaronder het laatstgenoten salaris, een belangrijke rol hebben gespeeld bij de aanstelling en inschaling van appellante en de maatman. Het verbaast tegen die achtergrond dan ook niet dat onderhandelingen tot een hoger salaris konden leiden - en in het geval van de maatman ook daadwerkelijk hebben geleid - dan de staatsecretaris uitgaande van het laatstgenoten salaris voor ogen stond.

Er is ook anderszins geen grond voor het oordeel dat appellante met haar inschaling tekort is gedaan. Met de Rb. en de commissie betwijfelt de Raad of de inschaling van de maatman wel geschikt is om als maatstaf te dienen, nu het aanvangssalaris van de maatman niet alleen beduidend hoger is dan dat van appellante, maar ook significant hoger is dan de salarissen van collega’s uit dezelfde functiegroep zoals blijkt uit het in opdracht van de commissie uitgevoerde onderzoek. Daarbij is van belang dat niet is gesteld of gebleken dat voor die collega’s andere beloningsmaatstaven hebben gegolden dan wel dat dezelfde beloningsmaatstaven bij hen niet op dezelfde wijze zijn toegepast als bij appellante. Het heeft er dan ook alle schijn van dat de maatman uitzonderlijk hoog, zo niet te hoog is ingeschaald en dat zijn salarispositie daarom ongeschikt is om een conclusie over de inschaling van appellante op te baseren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2013/141
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/6803 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

13 oktober 2011, 10/2320 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellante)

de Minister van Financiën, thans de Staatssecretaris van Financiën (staatssecretaris)

Datum uitspraak: 11 april 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.S.A. Vegter, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 februari 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Vegter. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door [L.] en mr. M.C. Bak-van Soelen.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is per 1 augustus 2005 aangesteld als accountant bij de Belastingdienst, [naam regiokantoor]. Zij is daarbij ingeschaald in de groepsfunctie I, trede 6.

1.2. Op 30 november 2007 heeft appellante de Commissie Gelijke Behandeling (commissie) verzocht te oordelen of er bij haar inschaling een verboden onderscheid op grond van geslacht en/of ras - appellante is van Chinese afkomst - is gemaakt. Daartoe heeft appellante er op gewezen dat een mannelijke collega - de maatman - die na dezelfde selectieronde en

-procedure in dezelfde functie is aangenomen in trede 13 is ingeschaald, hetgeen een salarisverschil van ongeveer € 1.200,- bruto per maand betekent. Naar aanleiding van het verzoek van appellante heeft de commissie op 20 juli 2009 geoordeeld dat de staatssecretaris jegens appellante bij de vaststelling van haar aanvangssalaris (de inschaling) verboden onderscheid heeft gemaakt op grond van geslacht en ras.

1.3. Bij besluit van 16 december 2009 heeft de staatssecretaris het oordeel van de commissie verworpen en geweigerd om de inschaling van appellante aan te passen.

1.4. Bij besluit van 27 juli 2010 (bestreden besluit) heeft de staatssecretaris het bezwaar tegen het besluit van 16 december 2009 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, omdat niet kan worden gezegd dat de staatssecretaris bij de inschaling van appellante verboden onderscheid op grond van geslacht en ras heeft gemaakt. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen. Appellante heeft tegen haar aanstellingsbesluit geen rechtsmiddelen aangewend; dat besluit is daarom in rechte onaantastbaar geworden. Dat heeft tot gevolg dat het tot herziening van de inschaling strekkende verzoek van appellante moet worden beoordeeld aan de hand van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De staatssecretaris heeft het oordeel van de commissie terecht aangemerkt als een nieuw gebleken feit in de zin van artikel 4:6 van de Awb. De staatssecretaris heeft bij de inschaling van zijn ambtenaren een grote beoordelingsvrijheid. Dat neemt echter niet weg dat de beloning voor arbeid van gelijke waarde voor mannen en vrouwen op grond van artikel 9 van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (Wgb) dient te worden berekend op grond van dezelfde maatstaven. Appellante en de maatman verrichten dezelfde werkzaamheden. Dat de beloningsmaatstaven gelijkelijk zijn toegepast op appellante en de maatman is niet in geschil. De staatssecretaris heeft aannemelijk gemaakt dat het verschil in inschaling voortvloeit uit het op gelijkwaardige wijze toepassen van dezelfde beloningsmaatstaven. Daarbij zijn opleiding, eerder opgedane relevante werkervaring en arbeidsmarktoverwegingen waaronder het laatstgenoten loon en onderhandelingen bepalend geweest. Het blijkt dat de maatman relatief hoog is ingeschaald ten opzichte van zowel zijn mannelijke als vrouwelijke collega’s in de referentiegroep; de inschaling van de maatman is daarom wellicht niet representatief.

3. Appellante heeft in hoger beroep haar standpunt dat bij de inschaling sprake is geweest van verboden onderscheid op grond van ras en/of geslacht gehandhaafd. Zij heeft daartoe gesteld dat de beloningsmaatstaven niet gelijkelijk op haar en de maatman zijn toegepast en dat een aantal beloningsmaatstaven subjectief is en daarom buiten beschouwing had moeten worden gelaten. Appellante heeft haar stellingen dat de rechtbank een volle toets had moeten aanleggen dan wel het besluit van 16 december 2009 als een zelfstandig schadebesluit had moeten aanmerken ter zitting ingetrokken.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De rechtbank heeft het bestreden besluit terecht beoordeeld met toepassing van artikel 4:6 van de Awb. Dat betekent dat er sprake moet zijn van een nieuw gebleken feit of omstandigheid en dat dat feit of die omstandigheid aanleiding moet geven tot een ander besluit. De Raad is van oordeel dat - nog daargelaten dat hij in eerdere uitspraken heeft geoordeeld dat oordelen van de commissie niet zijn aan te merken als nieuw gebleken feit of omstandigheid in de zin van artikel 4:6 van de Awb (onder andere CRvB 19 november 2009, LJN BK4775, TAR 2010, 43) - de staatssecretaris in het oordeel van de commissie terecht geen reden heeft gezien om tot een ander besluit over de inschaling van appellante te komen. Daartoe overweegt de Raad het volgende.

4.2.1. De artikelen 1, eerste lid, en 5, eerste lid, aanhef en onder a en e, van de Algemene wet gelijke behandeling (Awgb) verbieden het maken van onderscheid op grond van onder meer ras en geslacht bij de aanbieding van een betrekking en de behandeling bij de vervulling van een openstaande betrekking, en bij arbeidsvoorwaarden.

4.2.2. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Wgb wordt bij de toepassing van artikel 7:646 van het Burgerlijk Wetboek voor de vergelijking van de in dat artikel bedoelde arbeidsvoorwaarden met betrekking tot het loon uitgegaan van het loon dat in de onderneming waar de werknemer in wiens belang de loonvergelijking wordt gemaakt werkzaam is, door een werknemer van de andere kunne voor arbeid van gelijke waarde dan wel, bij gebreke daarvan, voor arbeid van nagenoeg gelijke waarde pleegt te worden ontvangen.

4.2.3. Op grond van artikel 9, eerste lid, van de Wgb moet de beloning voor arbeid van (nagenoeg) gelijke waarde zijn berekend op grondslag van gelijkwaardige maatstaven.

4.3. De commissie heeft geoordeeld dat de staatssecretaris er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat dezelfde beloningsmaatstaven - en dan gaat het om de beloningsmaatstaf arbeidsmarktoverwegingen waaronder begrepen het laatstgenoten loon en onderhandelingen - op dezelfde wijze zijn toegepast op appellante en de maatman. De staatssecretaris heeft niet inzichtelijk gemaakt welk systeem of beleid hij bij de toepassing van die maatstaf hanteert. Dat is te meer van belang nu de staatssecretaris dient te voorkomen dat er ongerechtvaardigde verschillen in beloning ontstaan op grond van onderhandelingsvaardigheden. De Raad is met de rechtbank en anders dan de commissie van oordeel dat de staatssecretaris wel aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij de inschaling van appellante dezelfde beloningsmaatstaven op dezelfde wijze heeft toegepast op appellante en de maatman. De staatssecretaris is bij de inschaling van zowel appellante als de maatman onder meer uitgegaan van het laatstgenoten salaris, om te bereiken dat de betrokkene er in salaris niet op achteruit zal gaan. Het dossier bevat geen aanknopingspunt om te veronderstellen dat de staatssecretaris dat niet op een voor appellante en de maatman gelijke wijze heeft gedaan. Dat het gevolg van onderhandelingen over het aanvangssalaris en (verschillen in) onderhandelingsvaardigheden kan zijn dat het aanvangssalaris in meerdere of mindere mate afwijkt van het laatstgenoten salaris, hoeft op zich niet te betekenen dat de staatssecretaris de maatstaf arbeidsmarktoverwegingen met daaronder begrepen het aspect onderhandelingen niet gelijk heeft toegepast op appellante en de maatman. Dat is niet anders nu voor de stelling van appellante dat haar is meegedeeld dat er geen mogelijkheid was om over de inschaling te onderhandelen geen enkele ondersteuning is te vinden in de dossierstukken. Dat appellante niet de ruimte heeft genomen om over het aanvangssalaris te onderhandelen, maakt dat evenmin anders.

4.4. Appellante heeft gesteld dat een aantal van de gebruikte beloningsmaatstaven subjectief is en daarom niet gebruikt had mogen worden. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen heeft de staatssecretaris bij de inschaling van zijn ambtenaren een grote beoordelingsvrijheid. Gelet daarop is het aan de staatssecretaris om te bepalen welke beloningsmaatstaven hij wil aanleggen voor de inschaling van zijn ambtenaren, dit uiteraard binnen de grenzen van wet- en regelgeving. Dat sommige beloningsmaatstaven mogelijk enige subjectieve elementen in zich dragen, is niet geheel uit te sluiten. Dat hoeft echter geen probleem te zijn, als ook die beloningsmaatstaven - en dat is in het geval van appellante en de maatman gebeurd - maar gelijkelijk worden toegepast en het subjectieve element als zodanig niet leidt tot wezenlijke verschillen in beloning. Van dat laatste is de Raad niet gebleken.

4.5. Gelet op het vorenstaande gaat het vervolgens om de vraag of de staatssecretaris er in is geslaagd om aannemelijk te maken dat de gelijke toepassing van dezelfde beloningsmaatstaven op appellante en de maatman het verschil in inschaling verklaart. De Raad is - wederom met de rechtbank en anders dan de commissie - van oordeel dat de staatssecretaris dat voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Daarbij moeten de in het geval van appellante bepalende beloningsmaatstaven in onderling verband worden bezien. Gebleken is dat de opleiding van de maatman verder gevorderd was dan die van appellante. Appellante heeft dat niet betwist. Ook beschikte de maatman over meer en volgens de staatssecretaris relevantere werkervaring dan appellante. Uit hetgeen appellante over haar werkervaring heeft gesteld, inhoudende dat zij bij diverse grote(re) bedrijven heeft gewerkt, kan niet worden afgeleid dat haar werkervaring nagenoeg gelijk was aan die van de maatman althans dat de staatssecretaris in de werkervaring van appellante ten opzichte van de maatman onvoldoende onderscheid had mogen vinden om (een deel van) het verschil in salaris te rechtvaardigen. Verder is aannemelijk dat, gelet op het ten tijde van de aanstelling van appellante en de maatman beperkte aanbod van accountants, arbeidsmarktoverwegingen, waaronder het laatstgenoten salaris, een belangrijke rol hebben gespeeld bij de aanstelling en inschaling van appellante en de maatman. Het verbaast tegen die achtergrond dan ook niet dat onderhandelingen tot een hoger salaris konden leiden - en in het geval van de maatman ook daadwerkelijk hebben geleid - dan de staatsecretaris uitgaande van het laatstgenoten salaris voor ogen stond.

4.6. Er is ook anderszins geen grond voor het oordeel dat appellante met haar inschaling tekort is gedaan. Met de rechtbank en de commissie betwijfelt de Raad of de inschaling van de maatman wel geschikt is om als maatstaf te dienen, nu het aanvangssalaris van de maatman niet alleen beduidend hoger is dan dat van appellante, maar ook significant hoger is dan de salarissen van collega’s uit dezelfde functiegroep zoals blijkt uit het in opdracht van de commissie uitgevoerde onderzoek. Daarbij is van belang dat niet is gesteld of gebleken dat voor die collega’s andere beloningsmaatstaven hebben gegolden dan wel dat dezelfde beloningsmaatstaven bij hen niet op dezelfde wijze zijn toegepast als bij appellante. Het heeft er dan ook alle schijn van dat de maatman uitzonderlijk hoog, zo niet te hoog is ingeschaald en dat zijn salarispositie daarom ongeschikt is om een conclusie over de inschaling van appellante op te baseren.

5. Het vorenstaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en G.F. Walgemoed als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 april 2013.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) M.R. Schuurman

HD