Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7292

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-04-2013
Datum publicatie
17-04-2013
Zaaknummer
11/4380 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening bijstand. Schending van de inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/4380 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 30 juni 2011, 11/383 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Zwolle (college)

Datum uitspraak 16 april 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E. Schriemer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 maart 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Schriemer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door A. van der Brug.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving, in aanvulling op haar uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, sinds 21 oktober 2003 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Naar aanleiding van een drietal anonieme tips dat appellante naast haar uitkering meerdere dagen per week ‘zwarte’ schoonmaak- en oppaswerkzaamheden zou verrichten, heeft de Unit Regionale Recherche Zwolle en omstreken (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In het kader van dat onderzoek is onder andere dossieronderzoek verricht, zijn waarnemingen verricht, getuigen gehoord en is appellante verhoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 13 juli 2010.

1.3. De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 24 augustus 2010 de bijstand van appellante over de periode van 1 januari 2009 tot en met 16 juni 2010 te herzien en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 2.724,70 van haar terug te vorderen. Aan dat besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante (in ieder geval) vanaf 1 januari 2009 tot en met 16 juni 2010 twee uur per week op geld waardeerbare schoonmaakwerkzaamheden heeft verricht tegen een uurloon van € 12,50. De inkomsten uit oppaswerkzaamheden in deze periode heeft het college berekend op in totaal € 100,--. Bij afzonderlijk besluit van 24 augustus 2010 heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 1 september 2010 voor de duur van twee maanden verlaagd met 20% wegens schending van de inlichtingenverplichting. Bij besluit van 3 september 2010 heeft het college bepaald dat met ingang van 1 november 2010 maandelijks een bedrag van € 48,43 op de bijstandsuitkering van appellante zal worden ingehouden ter aflossing van de schuld.

1.4. Bij besluit van 7 februari 2011 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 24 augustus 2010 en van 3 september 2010 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich op hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor de relevante wettelijke bepalingen verwijst naar de aangevallen uitspraak.

4.1. Appellante stelt zich op het standpunt dat zij haar buurvrouw [V.], die door illegaal vuurwerk tijdens de oudejaarsnacht van 2007/2008 onder meer blind is geworden aan haar rechteroog, als vriendendienst is gaan helpen in de huishouding, waarvoor zij geen betaling heeft ontvangen. Dit geldt eveneens voor de hulp die appellante aan het echtpaar [L.]) heeft geboden. Mevrouw L had in het ziekenhuis gelegen en was herstellende van een operatie. Naar de mening van appellante kan deze verleende hulp niet als op geld waardeerbare activiteiten worden beschouwd.

4.2. Op grond van de volgende overwegingen onderschrijft de Raad dit standpunt niet.

4.2.1. Appellante heeft op 16 juni 2010 tegenover de sociale recherche verklaard dat zij (ook) iedere middag schoonmaakt bij V. Voorts heeft appellante verklaard dat zij de buurvrouw is die wordt genoemd in het, naar aanleiding van het V overkomen ongeval op 1 januari 2008 door de advocaat van V opgemaakt, personenschaderapport van 20 februari 2009. In dat rapport wordt onder meer het volgende vermeld. V, die alleenstaand is en twee jonge kinderen heeft, is in de eerste periode na het ongeval veel geholpen door vrienden, familie en de buurvrouw. Inmiddels wordt V nog één keer per week geholpen door haar buurvrouw gedurende drie à vier uur per week voor de zwaardere werkzaamheden, zoals het schoonmaken van sanitair, opmaken van bedden en andere zwaardere klussen. Deze inspanningen dienen te worden gewaardeerd tegen een gangbaar uurtarief van € 12,50.

4.2.2. V heeft als getuige tegenover de sociale recherche verklaard dat appellante haar sinds het ongeluk met het vuurwerk helpt met het huishouden. Als het nodig is let appellante op haar kinderen. Appellante komt haar op vrijdag helpen met het zware werk, zoals bedden opmaken, stofzuigen op de eerste verdieping en de grove beurt van de badkamer. Zij betaalde appellante daar niets voor, het was een vriendendienst.

4.2.3.Wat betreft het echtpaar L heeft appellante tegenover de sociale recherche verklaard dat zij in principe elke vrijdag, meestal van 10.30 tot 12.30 uur, werkt bij het echtpaar L, dat zij dit ongeveer twee à drie maanden doet en dat zij dan bijvoorbeeld de badkamer doet en soms de wc. Uit het proces-verbaal van het getuigenverhoor van meneer L komt naar voren dat meneer L tegenover de sociale recherche de verklaring van appellante heeft bevestigd. Volgens dit proces-verbaal heeft meneer L verklaard dat appellante vanaf de zomer van 2009, sinds zijn echtgenote in het ziekenhuis heeft gelegen, iedere vrijdagochtend twee tot twee en een half uur komt schoonmaken. Appellante krijgt daarvoor € 25,-- contant betaald. Zij heeft ook een sleutel van hun huis.

4.2.4. Aan de in bezwaar door appellante overgelegde reactie van meneer L op zijn tegenover de sociale recherche afgelegde verklaring, waarbij meneer L die verklaring aanzienlijk heeft genuanceerd, kan niet de waarde worden gehecht die appellante daaraan gehecht wenst te zien. De op 15 juni 2010 door meneer L afgelegde verklaring is afgelegd tegenover twee sociaal rechercheurs en vastgelegd in een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal. De enkele omstandigheid dat meneer L zijn verklaring tegenover de sociale recherche niet heeft ondertekend, brengt niet met zich dat niet kan worden uitgegaan van de juistheid van de in dat proces-verbaal opgenomen verklaring.

4.2.5. De Raad is van oordeel dat de beschikbare gegevens, waarvan in het bijzonder de verklaringen van appellante, V en meneer L, een toereikende grondslag bieden voor de conclusie van het college dat de werkzaamheden die appellante ten tijde in geding verrichtte voor V en het echtpaar L, gelet op de aard, de omvang en het terugkerende karakter daarvan, zijn te kwalificeren als in het economisch verkeer op geld waardeerbare activiteiten en bepaald kunnen worden op twee uur per week. Niet kan worden staande gehouden dat het hier louter gaat om een vriendendienst. Dat appellante naar haar zeggen voor deze werkzaamheden geen vergoeding ontving, doet daar niet aan af. Voor deze werkzaamheden had appellante een uurloon kunnen bedingen. Het college heeft een fictief inkomen van € 12,50 per uur in aanmerking genomen, waartegen appellante geen zelfstandige gronden heeft gericht.

4.3. Appellante heeft eerder in haar levensonderhoud voorzien door middel van soortgelijk werk. Mede gelet hierop moet het appellante redelijkerwijs duidelijk zijn geweest dat deze activiteiten van invloed kunnen zijn op (de omvang van) het recht op bijstand. Door daarvan aan het college geen mededeling te doen heeft appellante, anders dan zij heeft aangevoerd, de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden.

4.4. Gelet hierop was het college bevoegd de bijstand van appellante over de periode van

1 januari 2009 tot en met 16 juni 2010 te herzien.

4.5. Appellante heeft geen zelfstandige gronden aangevoerd tegen de wijze waarop het college van de bevoegdheid tot herziening van de bijstand gebruik heeft gemaakt. Zij heeft evenmin zelfstandige beroepsgronden aangevoerd tegen de terugvordering en de maatregel. Deze punten behoeven dus geen bespreking.

4.6. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en W.F. Claessens en A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 april 2013.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) A.C. Oomkens

HD