Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7287

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-04-2013
Datum publicatie
17-04-2013
Zaaknummer
11/7490 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing herhaalde aanvraag bijstand. Niet kan worden gezegd dat het college tekort is geschoten in de nakoming van zijn onderzoeksverplichting. Appellant heeft voldoende gelegenheid gehad duidelijkheid te verschaffen over zijn woon- en leefsituatie sinds de afwijzing van de eerdere aanvraag, maar dat hij die gelegenheid niet (voldoende) heeft benut. De conclusie is dat appellant geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden naar voren heeft gebracht op grond waarvan moet worden geoordeeld dat hij nu wel aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten tijde hier van belang zijn hoofdverblijf had op het opgegeven woonadres. De vaststelling dat appellant nog steeds niet zijn hoofdverblijf heeft op het opgegeven woonadres levert evenwel onvoldoende grondslag op om de aanvraag met toepassing van artikel 40, eerste lid, van de WWB af te wijzen. De rechtbank heeft dat niet onderkend. De aangevallen uitspraak dient om die reden te worden vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/7490 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van

18 november 2011, 11/425 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Weert (college)

Datum uitspraak 16 april 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.H.A. Bos, advocaat, hoger beroep ingesteld en een nader stuk aan de Raad gezonden.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is aan de orde gesteld ter zitting van 5 maart 2013. Partijen zijn, zoals vooraf bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 24 juli 2009 heeft het college de aanvraag van appellant van 4 juni 2009 om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) afgewezen. Na bezwaar en beroep, heeft de Raad in hoger beroep bij uitspraak van 27 december 2011, LJN BU9967, beslist dat het college deze aanvraag terecht heeft afgewezen. De Raad heeft het college gevolgd in zijn standpunt dat appellant ten tijde van de aanvraag niet woonachtig was op het opgegeven adres [opgegeven adres] (opgegeven adres). Daarbij is het volgende van belang geacht. Bij een in het kader van de afhandeling van de aanvraag afgelegd huisbezoek zijn er, buiten een tas met kleding, geen persoonlijke bezittingen van appellant aangetroffen. Zijn administratie lag bij zijn vriendin in Nederweert. Appellant heeft verklaard niet vaak op het opgegeven adres te zijn. Een buurvrouw heeft verklaard dat er slechts één persoon naast haar woont, te weten de hoofdbewoner [S.] (S). De Raad heeft evenwel geen toereikende grondslag gezien voor het standpunt van het college dat dit met zich brengt dat appellant geen woonplaats had in de gemeente Weert, maar wel voor het oordeel dat appellant zijn wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen juiste informatie te verschaffen over zijn woonadres met als gevolg dat zijn recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

1.2. Appellant heeft op 29 december 2009 opnieuw een aanvraag om bijstand ingediend. Bij besluit van 2 februari 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 11 februari 2011 (bestreden besluit), heeft het college deze aanvraag afgewezen op de grond dat na de eerdere afwijzende beslissing niet is gebleken van een wijziging van feiten en/of omstandigheden waardoor appellant nu wel zou voldoen aan de vereisten voor toekenning van bijstand in de gemeente Weert. In beide besluiten heeft het college verwezen naar artikel 40, eerste lid, van de WWB.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De in dit geding te beoordelen periode loopt in beginsel van 29 december 2009 tot 11 februari 2010. De rechtbank heeft vastgesteld dat met de aanvraag is beoogd de toekenning van bijstand per 5 december 2009. Partijen hebben die vaststelling niet bestreden.

4.2. Indien een eerdere aanvraag om periodieke bijstand is afgewezen en de betrokkene een nieuwe aanvraag indient gericht op het verkrijgen van bijstand met ingang van een later gelegen datum, ligt het op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat sprake is van een wijziging van omstandigheden in die zin dat hij op dat latere tijdstip wel voldoet aan de voorwaarden voor het recht op bijstand.

4.3. Appellant heeft in de eerste plaats aangevoerd dat, anders dan het college en de rechtbank hebben aangenomen, sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden. Daartoe heeft hij het volgende naar voren gebracht. In de eerste plaats is de LAT-relatie met zijn vriendin per 5 december 2009 beëindigd, zodat in ieder geval vanaf die datum geen sprake kan zijn van inwoning bij zijn vriendin in Nederweert. Verder heeft hij gewezen op een vernieuwde huurovereenkomst met S betreffende de woonruimte op het opgegeven adres. Ten derde heeft hij vermeld dat na de afwijzing van de eerdere aanvraag meer meubels in het gehuurde zijn geplaatst.

4.4. Om de volgende redenen slaagt deze beroepsgrond niet.

4.4.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de enkele omstandigheid dat de LAT-relatie per 5 december 2009 is beëindigd niet kan leiden tot de gevolgtrekking dat daarmee aannemelijk is geworden dat appellant vanaf die datum op het opgegeven adres woont.

4.4.2. Aan de (vernieuwde) huurovereenkomst komt om de volgende redenen geen zwaarwegende betekenis toe voor de beoordeling van de feitelijke woonsituatie van appellant. Deze huurovereenkomst is ingegaan op 28 december 2009, met terugwerkende kracht. Dienaangaande is geen datum vermeld. Wel vermeldt de huurovereenkomst dat appellant inwonend is sinds 2 februari 2009. S heeft in dit verband op 28 juni 2010 schriftelijk verklaard dat appellant al vanaf 2 februari 2009 bij hem woonachtig was, maar uit de onder 1.1 genoemde uitspraak van de Raad blijkt al dat niet kan worden vastgesteld of appellant in de periode van 4 juni 2009 tot en met 24 juli 2009 op het opgegeven adres woonachtig was. Overigens is bij de behandeling van de aanvraag van 29 december 2009 gebleken dat appellant al vanaf juli 2009 geen huur aan S had betaald.

4.4.3. Ook aan de stelling dat in de woonruimte op het opgegeven woonadres meer meubels zijn geplaatst komt niet de betekenis toe die appellant daaraan gehecht wil zien. Het gaat hier, zo blijkt uit het huurcontract, om een half gemeubileerde woonruimte. Gelet op de in 1.1 genoemde uitspraak was niet zozeer van belang hoeveel meubels zich in de woonruimte bevonden, maar of zich daarin ten tijde van belang nu wel persoonlijke bezittingen van appellant, waaronder begrepen zijn administratie, bevonden. Appellant heeft daarover echter niets naar voren gebracht.

4.4.4. Gelet op 4.4.1 tot en met 4.4.3 kan niet worden gezegd dat het college tekort is geschoten in de nakoming van zijn onderzoeksverplichting. De Raad tekent hierbij aan dat, zoals ook uit de aanvraagrapportage van 27 januari 2010 kan worden afgeleid, appellant voldoende gelegenheid heeft gehad duidelijkheid te verschaffen over zijn woon- en leefsituatie sinds de afwijzing van de eerdere aanvraag, maar dat hij die gelegenheid niet (voldoende) heeft benut.

4.5. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat appellant geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden naar voren heeft gebracht op grond waarvan moet worden geoordeeld dat hij nu wel aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten tijde hier van belang zijn hoofdverblijf had op het opgegeven woonadres.

4.6. Niettemin kan de aangevallen uitspraak niet in stand blijven. Appellant heeft aangevoerd, onder verwijzing naar de in 1.1 genoemde uitspraak van de Raad, dat de afwijzing van de eerdere aanvraag ten onrechte was gebaseerd op het standpunt van het college dat hij geen woonplaats had in de gemeente Weert en dat, aangezien het thans bestreden besluit op die onjuiste beslissing is gebaseerd, het bestreden besluit eveneens berust op een ondeugdelijke motivering. Deze beroepsgrond treft doel. In het bestreden besluit is immers overwogen dat de aanvraag van 29 december 2009 terecht en op goede gronden is afgewezen op grond van artikel 40, eerste lid, van de WWB, omdat niet is gebleken dat appellant thans wel zijn hoofdverblijf in de gemeente Weert heeft. De vaststelling dat appellant nog steeds niet zijn hoofdverblijf heeft op het opgegeven woonadres levert evenwel onvoldoende grondslag op om de aanvraag van 29 december 2009 met toepassing van artikel 40, eerste lid, van de WWB af te wijzen. De rechtbank heeft dat niet onderkend. De aangevallen uitspraak dient om die reden te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen.

4.7. Het geschil kan definitief worden beslecht met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht. Uit 4.4 en 4.5 volgt dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand kunnen worden gelaten op de grond dat appellant geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden sinds de eerdere afwijzing van een aanvraag om bijstand naar voren heeft gebracht op grond waarvan kan worden vastgesteld dat hij ten tijde hier van belang in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde.

5. De Raad ziet aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 944,-- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 11 februari 2011;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 944,--;

- bepaalt dat het college het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 153,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en W.F. Claessens en A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 april 2013.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) A.C. Oomkens

HD