Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7278

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-04-2013
Datum publicatie
17-04-2013
Zaaknummer
11/5267 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Belastend besluit. Het college heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat appellante in de te beoordelen periode niet woonde op het uitkeringsadres en dat zij daarvan ten onrechte geen melding heeft gemaakt bij het college. Het rapport van de buitengewoon opsporingsambtenaar is geen proces-verbaal en is naar de tekst ervan ook niet op ambtseed opgemaakt. De zeer summiere samenvatting van de getuigenverklaringen in het rapport is onvoldoende om daaruit de conclusie te trekken dat appellante elders woonde. De afsluiting van gas en elektra vormt onvoldoende feitelijke grondslag voor het bestreden besluit Het waterverbruik van appellant is veel lager dan gemiddeld, maar niet zodanig laag dat daaruit de conclusie kan worden getrokken dat van bewoning geen sprake kan zijn geweest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2013/106

Uitspraak

11/5267 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 9 augustus 2011, 10/711 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Meppel (college)

Datum uitspraak 16 april 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S.J. Nijssen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 maart 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Nijssen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door H.D. van der Niet en B.T. Beekhuis.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving van 11 juni 2003 tot 24 juli 2009 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Vanwege een vermoeden dat appellante in die periode niet meer woonde op het door haar opgegeven adres [uitkeringsadres], heeft een buitengewoon opsporingsambtenaar (rapporteur) op verzoek van het college een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. De bevindingen van het onderzoek heeft de rapporteur neergelegd in een rapport gedateerd 28 januari 2009 (lees: 2010). In het rapport wordt verwezen naar gegevens die zijn verkregen van de leveranciers van gas en elektra. Uit die gegevens, die bij het rapport zijn gevoegd, blijkt dat het uitkeringsadres in de periode van 22 juli 2008 tot 6 oktober 2009 afgesloten is geweest van gas en in de periode van 17 juli 2008 tot 28 september 2009 van elektriciteit. In het rapport wordt ook verwezen naar getuigenverklaringen van buren en van de klantmanager, informatie van de politie en een verklaring die appellante op 19 januari 2010 heeft afgelegd. De conclusie van de rapporteur in het rapport is dat appellante in de periode van 22 juli 2008 tot en met 30 juni 2009 niet haar hoofdverblijf heeft gehad op het uitkeringsadres, zonder daarvan melding te maken bij het college. Hierdoor is aan appellante ten onrechte bijstand verstrekt.

1.3. Bij besluit van 20 mei 2010 heeft het college de bijstand van appellante over de periode van 22 juli 2008 tot en met 30 juni 2009 (te beoordelen periode) herzien (lees: ingetrokken) en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 12.829,68 van haar teruggevorderd. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellante door niet te melden dat zij haar hoofdverblijf niet had op het uitkeringsadres, gedurende deze periode niet heeft voldaan aan haar inlichtingenverplichting, met als gevolg dat het recht op bijstand niet meer kan worden vastgesteld. Bij besluit van 16 september 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 20 mei 2010 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daarbij heeft zij in het bijzonder aangevoerd dat de afsluiting van gas en elektra verband hield met een betalingsachterstand. Dit was bij de gemeente bekend. Appellante leed in de periode in geding aan een depressie en sloot zich af voor haar omgeving. Dit verklaart ook waarom de buren haar niet zagen. Zij verbleef in haar slaapkamer, waar ze primitief heeft geleefd met behulp van een petroleumstelletje en kaarsen. Af en toe ging ze een paar dagen naar haar partner in Zeeland, maar haar hoofdverblijfplaats bleef Meppel tot ze in augustus 2009 naar Zeeland verhuisde. Voorts heeft appellante erop gewezen dat zij in de strafzaak is vrijgesproken.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij voor de toepasselijke wet- en regelgeving wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak.

4.1. Een besluit tot intrekking van bijstand is een belastend besluit waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis te vergaren over relevante feiten en omstandigheden. Dit betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het college rust.

4.2. De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie te verstrekken over zijn woonadres, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.

4.3. Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het college in dit geval aannemelijk dient te maken dat appellante in de te beoordelen periode niet woonde op het uitkeringsadres en dat zij daarvan ten onrechte geen melding heeft gemaakt bij het college.

4.4. De rapporteur heeft in het onder 1.2 genoemde rapport als aanleiding voor het onderzoek het volgende gerelateerd. Vanaf 1 juli 2009 leverde appellante geen rechtmatigheidsformulieren meer in. Tweemaal is zij opgeroepen en niet verschenen. Bij een huisbezoek heeft de klantmanager appellante niet thuis getroffen maar wel een gesprek gevoerd met een met name genoemde buurvrouw. Deze verklaarde dat appellante al geruime tijd, waarschijnlijk meer dan een jaar verblijft in Limburg. Uit latere informatie bleek dat appellante is verhuisd naar Zeeland.

4.5. Voorts heeft de rapporteur als bevindingen vermeld dat van twee buren van appellante een getuigenverklaring is opgenomen. Daaruit zou blijken dat appellante vanaf de zomer van 2008 nagenoeg niet meer is gezien op het uitkeringsadres. Deze verklaringen zijn niet integraal opgenomen in het rapport en ook niet aangehecht. Voorts heeft de rapporteur vermeld dat de klantmanager van appellante een verklaring heeft afgelegd, maar over de inhoud daarvan wordt in het rapport niets vermeld. De rapporteur heeft verder vermeld dat van appellante op 19 januari 2010 een verdachtenverklaring is opgenomen, maar ook over de inhoud daarvan wordt in het rapport niets vermeld. Volgens het rapport zou het proces-verbaal van dit verhoor zijn bijgevoegd bij het rapport, maar het ontbreekt. Wel vermeldt de rapporteur het volgende als politie-informatie. Appellante heeft op 10 januari 2010 tegenover de politie verklaard dat zij al een hele tijd alleen post uit haar woning haalde en daar niet meer woonde. Een buurvrouw heeft op 6 juli 2009 verklaard dat zij appellante al vanaf april 2008 niet meer heeft gezien. Stukken waaruit deze politie-informatie blijkt zijn niet toegevoegd aan het rapport. De onderzoeksgegevens, zoals vastgelegd in het rapport, zijn verwerkt in een proces-verbaal dat is opgemaakt van het strafrechtelijk onderzoek tegen appellante. Het college heeft dit proces-verbaal bij de officier van justitie opgevraagd, maar niet gekregen. De reden daarvan is volgens het college dat appellante is vrijgesproken.

4.6. De rechtbank heeft de van appellante opgenomen verklaring buiten beschouwing gelaten omdat over de inhoud daarvan niets bekend is. Volgens de rechtbank moet doorslaggevende betekenis worden toegekend aan de verklaringen van de leveranciers van gas en elektra, waaruit blijkt dat appellante in de in geding zijnde periode was afgesloten van deze voorzieningen. Volgens de rechtbank is niet aannemelijk dat appellante zonder deze voorzieningen op het uitkeringsadres woonde. De conclusie dat appellante kennelijk geen verblijf had op het uitkeringsadres vindt volgens de rechtbank voorts steun in de door de buurtbewoners afgelegde verklaringen, die wijzen op een verblijf elders. Deze verklaringen zijn weliswaar niet aan het rapport gehecht, maar in het rapport is weergegeven wat uit de verklaringen is gebleken. Nu het rapport op ambtseed is opgemaakt, dient uitgegaan te worden van de juistheid van de in het rapport weergegeven verklaringen van de buurtbewoners.

4.7. Dit oordeel van de rechtbank over de bewijskracht van de verklaringen in het rapport kan niet worden gevolgd. Het rapport is geen proces-verbaal en is naar de tekst ervan ook niet op ambtseed opgemaakt. De zeer summiere samenvatting van de getuigenverklaringen in het rapport is onvoldoende om daaruit de conclusie te trekken dat appellante elders woonde. Slechts van één van de buren die zijn ondervraagd, is een naam bekend. De verklaring van deze buurvrouw heeft de rapporteur van horen zeggen en is bovendien gedeeltelijke onjuist, omdat appellante niet in Limburg heeft verbleven. Onduidelijk is of de getuigenverklaring van één van de buren en de politie-informatie van één van de buren dezelfde persoon en dezelfde informatie betreffen als hetgeen de klantmanager had gehoord. Nu uit het rapport niet kan worden opgemaakt van wie de andere getuigenverklaringen afkomstig zijn, wat daarbij precies is gevraagd en wat het antwoord was, kan ook aan die verklaringen niet de waarde worden gehecht die het college en de rechtbank daaraan hebben toegekend. Ditzelfde geldt voor de verklaring die appellante op 10 september 2009 tegenover de politie heeft afgelegd. Volgens het rapport van de sociale recherche blijkt daaruit niet meer dan dat appellante heeft gezegd dat ze al een hele tijd alleen nog haar post afhaalde op het uitkeringsadres en daar niet meer woonde, zonder dat daarbij is aangegeven wat onder “een hele tijd” moet worden verstaan. Hierdoor is niet duidelijk of de verklaring ook betrekking heeft op de periode vóór 1 juli 2009. Hieruit volgt dat de verklaringen, weergegeven in het rapport, niet kunnen bijdragen aan de feitelijke grondslag van het bestreden besluit.

4.8. Ter zitting heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de afsluiting van gas en elektra een voldoende feitelijke grondslag vormt voor het bestreden besluit. Ook dit standpunt kan niet worden gevolgd. Appellante heeft uitleg gegeven over de wijze waarop zij, weliswaar onder primitieve omstandigheden, in haar woning heeft verbleven. Die uitleg kan niet terzijde worden geschoven met de enkele stelling van het college dat die uitleg niet geloofwaardig is. Het is immers aan het college om aannemelijk te maken dat appellante niet in haar woning heeft verbleven en het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat het voor appellante feitelijk onmogelijk was om de gehele periode zonder gas en licht in haar woning te verblijven.

4.9. Uit het voorgaande volgt dat het rapport geen toereikende grondslag biedt voor het in het bestreden besluit verwoorde standpunt van het college dat appellante in de in geding zijnde periode niet daadwerkelijk woonde op het uitkeringsadres.

4.10. Het college heeft in zijn verweerschrift in hoger beroep nog een nadere motivering aan het bestreden besluit toegevoegd. Hiertoe is een berekening van het waterverbruik op het uitkeringsadres overgelegd over de periode van 8 maart 2007 tot 29 oktober 2009. In die periode is 56 m³ water verbruikt. Het college wijst erop dat het gemiddelde waterverbruik van een eenpersoonshuishouden 45 m³ per jaar bedraagt. Over de periode van 8 maart 2007 tot 22 juli 2008, toen appellante op het uitkeringsadres verbleef, zou dus ongeveer 56 m³ zijn verbruikt. Hieruit is volgens het college af te leiden dat in de periode van 22 juli 2008 tot 28 september 2009 geen water is verbruik op het uitkeringsadres. In combinatie met de afsluiting van gas en elektra betekent dit dat appellante in de periode van 22 juli 2008 tot en met 30 juni 2009 niet haar hoofdverblijf op het uitkeringsadres kan hebben gehad. Het is immers onmogelijk om in een huis te wonen zonder enig gebruik van gas, elektra en water.

4.11. Deze nadere onderbouwing van het bestreden besluit kan niet worden gevolgd. Het verbruik van 56 m³ water kan niet uitsluitend op grond van een gemiddelde waterverbruik van eenpersoonshuishoudens worden toegerekend aan de periode 8 maart 2007 tot 22 juli 2008, zoals het college wil. Indien het waterverbruik wordt toegerekend aan de gehele periode

8 maart 2007 tot 29 oktober 2009 is dit waterverbruik inderdaad veel lager dan gemiddeld, maar niet zodanig laag dat daaruit de conclusie kan worden getrokken dat van bewoning geen sprake kan zijn geweest. Daarbij is van belang dat appellante gesteld heeft dat zij in de periode dat het gas en elektra was afgesloten ook weinig water gebruikte. Zij had geen warm water, zodat ze zich niet kon douchen en ze kon haar wasmachine niet gebruiken. Na haar verhuizing in augustus 2009 heeft zij geen water meer verbruikt.

4.12. De rechtbank heeft hetgeen in 4.9 is overwogen niet onderkend. Daarom slaagt het hoger beroep. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Nu de nadere onderbouwing van het bestreden besluit, zoals onder 4.11 overwogen, faalt, kunnen de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit niet in stand gelaten worden. De Raad zal het besluit van 20 mei 2010 herroepen, aangezien dit besluit op dezelfde onjuist gebleken feitelijke grondslag berust als het bestreden besluit en, mede gezien het tijdsverloop, niet aannemelijk is dat dit gebrek nog kan worden hersteld.

5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze worden begroot op € 944,-- in beroep en € 944,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

-vernietigt de aangevallen uitspraak;

-verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 16 september 2010;

-herroept het besluit van 20 mei 2010 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 16 september 2010;

-veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.888,--, waarvan € 944,-- te betalen aan de griffier van de Raad;

-bepaalt dat het college aan appellante het door haar betaalde griffierecht van in totaal € 153,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en J.F. Bandringa en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 april 2013.

(getekend) J.J.A. Kooijman

(getekend) J. de Jong

HD