Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7142

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-04-2013
Datum publicatie
16-04-2013
Zaaknummer
11/5497 + 11/6212 AKW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening recht op kinderbijslag, omdat betrokkene is verhuisd naar Turkije en sindsdien geen ingezetene meer is.

Raad: Bepalend voor het antwoord op de vraag of een betrokkene ingezetene is in de zin van de AKW is de maatstaf neergelegd in de arresten van de Hoge Raad van 21 januari 2011 (LJN: BP1466) en 4 maart 2011 (LJN: BP6285).

In een aantal uitspraken van de Raad van 4 mei 2012 (zie onder meer LJN: BW6264 en LJN: BW5741) is geoordeeld dat het de exclusieve taak van de rechter is om in procedures als de onderhavige het wettelijk begrip ingezetene uit te leggen. Daarmee is niet gezegd dat de Svb geen wetsinterpreterende beleidsregels mag opstellen maar deze regels kunnen de rechter niet binden. Zij zijn in het algemeen dus niet van doorslaggevende betekenis voor het antwoord op de vraag of een betrokkene als ingezetene moet worden aangemerkt, met dien verstande dat wel steeds beoordeeld moet worden of betrokkene zijn beleidsregels ter zake, voor zover daarin sprake is van een begunstigende uitleg van de wet, ook stelselmatig heeft toegepast. (…)

De Raad is i.c.- met de Svb - van oordeel dat betrokkene op de peildatum van het vierde kwartaal van 2005 geen ingezetene van Nederland meer was. Betrokkene had de intentie te remigreren naar Turkije en uit de feiten en omstandigheden blijkt dat hij die intentie ten uitvoer heeft gelegd. Dat betrokkene na de peildatum van het vierde kwartaal van 2005 nog eigenaar was van een huis in Nederland, kan daar niet aan afdoen daar deze woonruimte vooruitlopend op de verkoop niet meer ingericht was voor duurzaam verblijf. Niet is gebleken dat de Svb zijn beleid niet stelselmatig heeft toegepast.

Daaraan kan niet afdoen dat de belastingdienst in een brief van 4 november 2009 over een ander onderwerp, heeft gesteld dat betrokkene het gehele jaar 2006 en 2007 nog in Nederland heeft gewoond. Dit standpunt van de belastingdienst is blijkens die brief gebaseerd op de door betrokkene verstrekte gegevens en die van de gemeente, inhoudende dat betrokkene op 29 mei 2008 is vertrokken. Betrokkene heeft ter zitting verklaard zijn verhuizing naar Turkije in juli 2005 niet aan de belastingdienst te hebben gemeld.

De Svb heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat betrokkene vanaf de peildatum van het vierde kwartaal van 2005 niet verzekerd was ingevolge de AKW omdat hij toen geen ingezetene meer was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/5497 en 11/6212 AKW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

9 september 2011, 10/1881 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Betrokkene] te [woonplaats], Turkije (betrokkene)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens betrokkene heeft mr. C.J. Driessen, advocaat, hoger beroep ingesteld. De Svb heeft eveneens hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 maart 2013. Betrokkene is verschenen bijgestaan door mr. Driessen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.Y. van den Berg. Ter zitting is gehoord - daartoe door betrokkene als getuige meegebracht - [naam getuige A.].

OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 9 maart 2006 is aan betrokkene met ingang van het vierde kwartaal van 2005 kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) toegekend voor zijn twee minderjarige kinderen. Bij besluit van 5 november 2008 heeft de Svb het recht op kinderbijslag van betrokkene herzien met ingang van het vierde kwartaal van 2005. Daartoe is onder meer overwogen dat betrokkene in juli 2005 is verhuisd naar Turkije en sindsdien geen ingezetene meer is.

1.2. Het bezwaar van betrokkene tegen de herziening van het recht op kinderbijslag met ingang van het vierde kwartaal van 2005 is bij besluit van 13 april 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat vanaf het vierde kwartaal van 2005 niet langer sprake was van een juridische, economische en sociale binding met Nederland. Tegen dit besluit heeft betrokkene beroep ingesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover het betrekking heeft op het vierde kwartaal van 2005 tot het tweede kwartaal van 2006 en het primaire besluit van 5 november 2008 herroepen voor zover dit betrekking heeft op deze kwartalen. Voorts heeft de rechtbank beslissingen gegeven inzake de proceskosten en het griffierecht. De rechtbank heeft overwogen dat betrokkene het ingezetenschap van Nederland niet reeds vanaf het vierde kwartaal van 2005 heeft verloren doch eerst op 6 februari 2006, de datum waarop de leveringsakte van het huis is opgemaakt.

3. Betrokkene heeft in hoger beroep aangevoerd - kort gezegd - dat hij recht op kinderbijslag heeft zolang hij ingeschreven heeft gestaan bij de gemeente Oss. Het ingezetenschap is niet met de verhuizing geëindigd maar geleidelijk. Voorts heeft een medewerker van de Svb hem uitgelegd dat hij recht op kinderbijslag zou behouden, zolang hij ingeschreven bleef in Nederland.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Voorop moet worden gesteld dat het bestreden besluit berust op een onjuist beoordelingskader. Bepalend voor het antwoord op de vraag of een betrokkene ingezetene is in de zin van de AKW is de maatstaf neergelegd in de arresten van de Hoge Raad van 21 januari 2011 (LJN BP1466) en 4 maart 2011 (LJN BP6285). De door de Svb in het bestreden besluit gehanteerde maatstaf van juridische, economische en sociale binding is hiermee achterhaald. Daarvan uitgaande is in dit geding aan de orde of de rechtbank met recht heeft geoordeeld dat betrokkene vanaf 6 februari 2006 niet meer als ingezetene kan worden aangemerkt.

4.2. In artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de AOW is bepaald dat verzekerd krachtens die wet degene is die ingezetene is. Ingevolge artikel 2 van de AOW is ingezetene in de zin van die wet degene die in Nederland woont. Waar iemand woont, wordt op grond van artikel 3, eerste lid, van de AOW naar de omstandigheden beoordeeld.

4.3. In het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad van 21 januari 2011 heeft de Hoge Raad overwogen dat het er bij de beoordeling van het ingezetenschap op aankomt of de feiten en omstandigheden van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland.

4.4. In een aantal uitspraken van de Raad van 4 mei 2012 (zie onder meer LJN BW6264 en LJN BW5741) is geoordeeld dat het de exclusieve taak van de rechter is om in procedures als de onderhavige het wettelijk begrip ingezetene uit te leggen. Daarmee is niet gezegd dat de Svb geen wetsinterpreterende beleidsregels mag opstellen maar deze regels kunnen de rechter niet binden. Zij zijn in het algemeen dus niet van doorslaggevende betekenis voor het antwoord op de vraag of een betrokkene als ingezetene moet worden aangemerkt, met dien verstande dat wel steeds beoordeeld moet worden of betrokkene zijn beleidsregels ter zake, voor zover daarin sprake is van een begunstigende uitleg van de wet, ook stelselmatig heeft toegepast.

4.5. Ten aanzien van deze beoordeling kan worden uitgegaan van de volgende feiten en omstandigheden. Betrokkene ontving van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) sinds 1998 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Betrokkene heeft het Uwv op 2 juli 2005 een brief gestuurd waarin hij heeft meegedeeld van plan te zijn op 18 juli 2005 te remigreren naar Turkije. Hij heeft het Uwv tevens verzocht hem toestemming te verlenen voor definitieve vestiging in Turkije. Op 18 oktober 2005 heeft betrokkene zijn huis in Nederland verkocht. De leveringsakte is in aanwezigheid van betrokkene opgemaakt op 3 februari 2006. Uit de door betrokkene overgelegde stukken blijkt dat hij op 31 juli 2005 Turkije is binnengereisd. Van 20 januari 2006 tot 13 februari 2006 is hij buiten Turkije geweest. Niet is vast te stellen dat betrokkene na juli 2005 langdurig in Nederland heeft verbleven. Op 29 mei 2008 is betrokkene uitgeschreven uit de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) van de gemeente Oss. Op 2 mei 2008 heeft betrokkene jegens een medewerker van de sociaal attaché te Turkije verklaard dat hij en zijn echtgenote sinds het schooljaar 2005-2006, waarin zijn kinderen onderwijs in Turkije zijn gaan volgen, het merendeel van het jaar in Turkije doorbrengen met toestemming van het Uwv. Sinds september 2005 brengt hij gemiddeld tien maanden per jaar door in Turkije en twee maanden per jaar in Nederland. Hij heeft nog wel een adres in Nederland, te Oss, maar dit is slechts een correspondentieadres. Op dat adres woont een gezin en als hij in Nederland is, logeert hij daar, aldus betrokkene. Ter zitting heeft betrokkene verklaard in de zomer van 2005 te zijn verhuisd naar zijn geboorteplaats in Turkije waar familie van hem en zijn echtgenote wonen. Hij verbleef aldaar met zijn gezin in een appartement dat destijds zijn eigendom was. Het huisraad uit zijn woning in Nederland is deels naar Turkije getransporteerd; wat overbleef in Nederland is verkocht.

4.6. De Raad is - met de Svb - op grond van de feiten en omstandigheden vermeld in 4.5 van oordeel dat betrokkene op de peildatum van het vierde kwartaal van 2005 geen ingezetene van Nederland meer was. Betrokkene had de intentie te remigreren naar Turkije en uit de in 4.5 vermelde feiten en omstandigheden blijkt dat hij die intentie ten uitvoer heeft gelegd. Dat betrokkene na de peildatum van het vierde kwartaal van 2005 nog eigenaar was van een huis in Nederland, kan daar niet aan afdoen daar deze woonruimte vooruitlopend op de verkoop niet meer ingericht was voor duurzaam verblijf. Niet is gebleken dat de Svb zijn beleid niet stelselmatig heeft toegepast.

4.7. Daaraan kan niet afdoen dat de belastingdienst in een brief van 4 november 2009 over een ander onderwerp, heeft gesteld dat betrokkene het gehele jaar 2006 en 2007 nog in Nederland heeft gewoond. Dit standpunt van de belastingdienst is blijkens die brief gebaseerd op de door betrokkene verstrekte gegevens en die van de gemeente, inhoudende dat betrokkene op 29 mei 2008 is vertrokken. Betrokkene heeft ter zitting verklaard zijn verhuizing naar Turkije in juli 2005 niet aan de belastingdienst te hebben gemeld.

4.8. De Svb heeft zich derhalve in het beroepschrift terecht op het standpunt gesteld dat betrokkene vanaf de peildatum van het vierde kwartaal van 2005 niet verzekerd was ingevolge de AKW omdat hij toen geen ingezetene meer was.

4.9. Betrokkene heeft voorts gesteld van een medewerker van de Svb te hebben vernomen dat hij recht op kinderbijslag zou hebben, als hij maar ingeschreven zou blijven in de GBA. Een medewerker van de Svb zou dit hebben gesteld in een onderhoud dat betrokkene en Irsik in 2005 zouden hebben gehad over zijn voorgenomen remigratie. Getuige Irsik heeft dienaangaande ter zitting verklaard betrokkene te hebben bijgestaan bij zijn remigratie en de verklaring van betrokkene onderschreven. Wanneer en met wie dit onderhoud heeft plaatsgevonden, is onduidelijk gebleven. De Svb beschikt niet over een verslag van dit onderhoud. Een beroep op het vertrouwensbeginsel kan volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 19 november 2009, LJN BK4735) alleen slagen als van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Er is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat in het onderhavige geval van een dergelijke toezegging sprake is geweest.

4.10. Uit hetgeen in 4.1 is overwogen vloeit voort dat de rechtbank het bestreden besluit ten onrechte slechts ten dele heeft vernietigd. De aangevallen uitspraak moet daarom worden vernietigd, behalve voor zover de rechtbank beslissingen heeft gegeven inzake de proceskosten en het griffierecht. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad, gezien de overwegingen 4.2 tot en met 4.9, de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand laten.

5. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 944,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak, behalve de beslissingen over proceskosten en griffierecht;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 13 april 2010 in stand blijven;

- bepaalt dat het Uwv aan betrokkene het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 112,- vergoedt;

- veroordeelt het Uwv in de kosten van betrokkene tot een bedrag van € 944,-.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van D. Heeremans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 april 2013.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) D. Heeremans

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip ingezetene.

ew