Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7116

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-04-2013
Datum publicatie
16-04-2013
Zaaknummer
10/5917 AOW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2010:5107, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:720
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant is begin augustus 1994 vanuit Oman naar Nederland. Hij is werkzaam geweest op een mijnbouwinstallatie op het Nederlandse deel van het continentale plat. Zijn werktijden waren, met toestemming van het Staatstoezicht op de Mijnen, twee weken op, twee weken af. Op verzoek van appellant heeft de Svb hem een pensioenoverzicht gezonden. De Svb neemt aan dat appellant vanaf 4 augustus 1997 verzekerd is, omdat hij vanaf die datum geacht wordt ingezetene van Nederland te zijn.

Appellant meent ten eerste dat hij op grond van art. 6, lid 1, onder b, van de AOW verzekerd is voor de AOW vanaf 4 augustus 1994, omdat hij vanaf die datum onderworpen was aan de loonbelasting ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid.

De Raad kan appellant hierin niet volgen. Het Nederlandse deel van het continentale plat vormt geen onderdeel van het Nederlands grondgebied. Dit volgt onder meer uit het Verdrag inzake het continentale plateau van 29 april 1958, Trb. 1959, 126. Ook het beroep dat appellant heeft gedaan op het arrest van HvJEU van 17 januari 2012 (C-347/10, Salemink, LJN: BV2498) kan niet slagen. In genoemd arrest stelt het Hof weliswaar dat het continentale plateau gelijkgesteld moet worden met het grondgebied van Nederland, maar die gelijkstelling geldt bij de toepassing van het Unierecht, in het bijzonder Verordening (EEG) nr. 1408/71 (Vo 1408/71), in het licht van het vrij verkeer van werknemers en de regulering van de gemeenschappelijke markt. Het Unierecht was ten tijde in geding niet van toepassing op appellant, nu hij vanuit Oman naar Nederland was gekomen en hij niet binnen de Unie als werknemer gebruik had gemaakt van zijn recht op vrij verkeer. Bovendien had appellant destijds de Filippijnse nationaliteit en was Verordening (EG) nr. 859/2003 (Vo 859/2003), waaraan hij mogelijk rechten zou kunnen ontlenen, nog niet in werking getreden.

Voorts kan de Raad appellant niet volgen in zijn standpunt dat, indien het arrest Salemink zo uitgelegd wordt dat alleen voor EU-burgers, in het kader van de uitleg van Unierecht, het Nederlands continentaal plat aangemerkt moet worden als Nederlands grondgebied, dit leidt tot een ongerechtvaardigd onderscheid tussen EU-burgers en personen met een andere nationaliteit, zoals hijzelf.

Als derde voert appellant aan dat hij erop mocht vertrouwen dat hij voor de AOW verzekerd was, nu hem bij een besluit 7 mei 1997 is meegedeeld dat hij vanaf het eerste kwartaal van 1995 tot en met het tweede kwartaal van 1996 verzekerd was voor de AKW.

De Raad overweegt dat hoewel de beoordeling van de verzekeringsplicht voor de AKW en de AOW vrijwel gelijk is, uit de toekenning destijds van kinderbeslag niet volgt dat appellant over die periode ook geacht moet worden verzekerd te zijn geweest voor de AOW.

Tot slot stelt appellant dat hij al eerder dan 4 augustus 1997 aangemerkt moet worden als ingezetene van Nederland en op die grond verzekerd is voor de AOW.

De Raad overweegt dat uit de arresten van de Hoge Raad van 21 januari 2011 (LJN: BP1466) en 4 maart 2011 (LJN: BP6285) volgt dat het er bij de beoordeling naar de omstandigheden van ingezetenschap op aankomt of deze van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland.

Voor de beoordeling is het volgende van belang. Appellant is met een retourticket naar Nederland gekomen om te werken op het Nederlandse deel van het continentale plat. Daarvoor werkte hij in Oman. Hij beschikte niet over zelfstandige woonruimte, maar huurde een kamer bij particulieren. Zijn gezin verbleef in de periode in geding in de Filippijnen. Hij had destijds zelf ook de Filippijnse nationaliteit. Appellant beschikte steeds over een visum voor een half jaar, dat hij elke keer moest verlengen. Uit gegevens van de belastingdienst blijkt dat op zijn salaris destijds geen premies volksverzekeringen zijn ingehouden. Uit een mededeling van de Belastingdienst van 23 oktober 1997 blijkt dat appellant over de jaren 1994 tot en met 1996 aan de loonbelasting onderworpen is geweest tegen het tarief “buitenlanders” en dat appellant in deze jaren werd aangemerkt als niet-ingezetene. Over het jaar 1997 waren nog geen gegevens voorhanden. Uit dit alles blijkt niet de intentie destijds zich al blijvend in Nederland te vestigen. Bij zijn aanvraag om een pensioenoverzicht heeft appellant ook zelf aangegeven naar Nederland te zijn gekomen met als doel een tijdelijk verblijf.

Hier doet niet aan af dat appellant een belangrijk deel van zijn vrije tijd in Nederland doorbracht en sociaal actief was. Evenmin is daarbij doorslaggevend dat hij gedetacheerd was bij een werkgever die gevestigd was in Nederland en dat appellant hier belastingen betaalde en sinds augustus 1994 legaal in Nederland heeft verbleven. Ook het gegeven dat appellant in het kader van zijn werkzaamheden onderworpen was aan Nederlandse regelgeving inzake medische keuringen en werktijden, is niet doorslaggevend in deze. Voor de beoordeling van het ingezetenschap in de periode in geding is niet van belang dat appellant naderhand de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen en dat zijn gezin in Nederland is komen wonen. Deze feiten hebben zich voorgedaan na 4 augustus 1997. Aangevallen uitspraak bevestigd.

Wetsverwijzingen
Algemene Ouderdomswet 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2013/182
PJ 2013/121
RSV 2013/209
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5917 AOW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 september 2010, 10/912 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.A. Bouwman, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend. Met een brief van 1 mei 2012 heeft de Svb geantwoord op vragen van de Raad. Mr. Bouwman heeft hier, bij brief van 27 juni 2012, op gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 maart 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bouwman. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door H. van der Most en J.Y. van den Berg.

OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2. Appellant is begin augustus 1994 vanuit Oman naar Nederland gekomen en in dienst getreden van [werkgever A.] en door dit bedrijf gedetacheerd bij [werkgever B.] te [plaatsnaam]. Hij is werkzaam geweest op een mijnbouwinstallatie op het Nederlandse deel van het continentale plat. Zijn werktijden waren, met toestemming van het Staatstoezicht op de Mijnen, twee weken op, twee weken af.

1.3. Op verzoek van appellant heeft de Svb hem, op 15 juni 2009, een pensioenoverzicht gezonden. Uit dit overzicht blijkt dat de Svb hem voor de Algemene Ouderdomswet (AOW) verzekerd acht vanaf 1 september 2002. Na bezwaar heeft de Svb dit, in de beslissing op bezwaar van 2 februari 2010 (bestreden besluit), in zoverre gewijzigd dat de Svb nu aanneemt dat appellant vanaf 4 augustus 1997 verzekerd is, omdat hij vanaf die datum geacht wordt ingezetene van Nederland te zijn.

2. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien het bestreden besluit voor onjuist te houden en heeft dan ook het beroep ongegrond verklaard.

3.1. In hoger beroep bestrijdt appellant de aangevallen uitspraak op een viertal punten, grotendeels als herhaling van hetgeen al eerder is aangevoerd.

3.2. Ten eerste meent appellant dat hij op grond van artikel 6, eerste lid, onder b, van de AOW verzekerd is voor de AOW vanaf 4 augustus 1994, omdat hij vanaf die datum onderworpen was aan de loonbelasting ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid.

3.3. De Raad kan appellant hierin niet volgen. Het Nederlandse deel van het continentale plat vormt geen onderdeel van het Nederlands grondgebied. Dit volgt onder meer uit het Verdrag inzake het continentale plateau van 29 april 1958, Trb. 1959, 126. Ook het beroep dat appellant heeft gedaan op het arrest van (thans) het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 17 januari 2012 (C-347/10, Salemink) kan niet slagen. In genoemd arrest stelt het Hof weliswaar dat het continentale plateau gelijkgesteld moet worden met het grondgebied van Nederland, maar die gelijkstelling geldt bij de toepassing van het Unierecht, in het bijzonder Verordening (EEG) nr. 1408/71 (Vo 1408/71), in het licht van het vrij verkeer van werknemers en de regulering van de gemeenschappelijke markt. Het Unierecht was ten tijde in geding niet van toepassing op appellant, nu hij vanuit Oman naar Nederland was gekomen en hij niet binnen de Unie als werknemer gebruik had gemaakt van zijn recht op vrij verkeer. Bovendien had appellant destijds de Filippijnse nationaliteit en was Verordening (EG) nr. 859/2003 (Vo 859/2003), waaraan hij mogelijk rechten zou kunnen ontlenen, nog niet in werking getreden.

3.4. Ten tweede meent appellant dat, indien het arrest Salemink zo uitgelegd wordt dat alleen voor EU-burgers, in het kader van de uitleg van Unierecht, het Nederlands continentaal plat aangemerkt moet worden als Nederlands grondgebied, dit leidt tot een ongerechtvaardigd onderscheid tussen EU-burgers en personen met een andere nationaliteit, zoals hijzelf.

3.5. De Raad kan appellant hierin evenmin volgen. In het licht van de vrije markt en het recht op vrij verkeer voor onder andere werknemers binnen de Europese Unie zijn er regelingen tot stand gebracht. Om hier een beroep op te kunnen doen moet een burger vallen onder de personele werkingssfeer van de betreffende regeling. Over het algemeen vallen

niet-EU-burgers niet onder de personele werkingssfeer van regelingen die betrekking hebben op het recht op vrij verkeer van werknemers. Hieruit volgt dat niet gesproken kan worden van een gelijke situatie van EU-burgers en niet-EU-burgers, zodat een verschil in behandeling tussen de verschillende groepen niet ongerechtvaardigd is.

3.6. Als derde voert appellant aan dat hij erop mocht vertrouwen dat hij voor de AOW verzekerd was, nu hem bij een besluit 7 mei 1997 is medegedeeld dat hij vanaf het eerste kwartaal van 1995 tot en met het tweede kwartaal van 1996 verzekerd was voor de Algemene Kinderbijslagwet (AKW).

3.7. Uit de stukken in het dossier blijkt dat aan appellant vanaf het vierde kwartaal van 1994 tot en met het derde kwartaal van 1997 kinderbijslag is uitbetaald. De grondslag voor de verzekering was, volgens de Svb destijds, het onderworpen zijn aan de loonbelasting wegens werkzaamheden in dienstbetrekking in Nederland. De Svb is naderhand tot de conclusie gekomen dat dit een onjuist standpunt was, maar heeft de toegekende kinderbijslag niet teruggevorderd. Hoewel de beoordeling van de verzekeringsplicht voor de AKW en de AOW vrijwel gelijk is, volgt uit de toekenning destijds van kinderbeslag niet dat appellant over die periode ook geacht moet worden verzekerd te zijn geweest voor de AOW. In de toekenningsbeslissing over de kinderbijslag worden geen toezeggingen gedaan over de AOW, terwijl ook duidelijk is dat de grondslag voor het besluit tot toekenning van kinderbijslag destijds evident onjuist was. Daarnaast is het besluit tot toekenning van kinderbijslag genomen op 7 mei 1997. Zo appellant al verwachtingen kon ontlenen aan dit besluit, dan in ieder geval niet voor die datum.

3.8. Tot slot stelt appellant dat hij al eerder dan 4 augustus 1997 aangemerkt moet worden als ingezetene van Nederland en op die grond verzekerd is voor de AOW. Hij wijst er daarbij op dat hij zich vrijwel direct na binnenkomst in Nederland heeft aangesloten bij een kerkgenootschap en hierin ook actief was. De twee weken waarin hij vrij was, bracht hij altijd door in Nederland. Hij ontwikkelde hier zijn sociale leven. De eerste twee jaren van zijn verblijf in Nederland is hij niet terug geweest naar de Filippijnen. Hij heeft vrij snel getracht Nederlandse les te volgen, maar door zijn werktijden was dat niet goed mogelijk. Door de destijds heersende woningnood kon hij niet meteen beschikken over zelfstandige woonruimte. Wel heeft hij zich per 29 oktober 1996 geregistreerd als zoekende naar zelfstandige woonruimte.

3.9. Uit de arresten van de Hoge Raad van 21 januari 2011 (LJN BP1466) en 4 maart 2011 (LJN BP6285) volgt dat het er bij de beoordeling naar de omstandigheden van ingezetenschap op aankomt of deze van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland. Die duurzame band hoeft niet sterker te zijn dan de band met enig ander land, zodat voor een woonplaats hier te lande niet noodzakelijk is dat het middelpunt van iemands maatschappelijk leven zich in Nederland bevindt. Uit de parlementaire geschiedenis van het fiscale woonplaatsbegrip volgt volgens de Hoge Raad dat de wetgever geen bijzondere betekenis heeft willen toekennen aan bepaalde (categorieën) omstandigheden, zoals iemands sociale of economische binding met een land.

3.10. Voor de beoordeling is het volgende van belang. Appellant is met een retourticket naar Nederland gekomen om te werken op het Nederlandse deel van het continentale plat. Daarvoor werkte hij in Oman. Hij beschikte niet over zelfstandige woonruimte, maar huurde een kamer bij particulieren. Zijn gezin verbleef in de periode in geding in de Filippijnen. Hij had destijds zelf ook de Filippijnse nationaliteit. Appellant beschikte steeds over een visum voor een half jaar, dat hij elke keer moest verlengen. Uit gegevens van de belastingdienst blijkt dat op zijn salaris destijds geen premies volksverzekeringen zijn ingehouden. Uit een mededeling van de Belastingdienst van 23 oktober 1997 blijkt dat appellant over de jaren 1994 tot en met 1996 aan de loonbelasting onderworpen is geweest tegen het tarief “buitenlanders” en dat appellant in deze jaren werd aangemerkt als niet-ingezetene. Over het jaar 1997 waren nog geen gegevens voorhanden. Uit dit alles blijkt niet de intentie destijds zich al blijvend in Nederland te vestigen. Bij zijn aanvraag om een pensioenoverzicht heeft appellant ook zelf aangegeven naar Nederland te zijn gekomen met als doel een tijdelijk verblijf.

3.11. Hier doet niet aan af dat appellant een belangrijk deel van zijn vrije tijd in Nederland doorbracht en sociaal actief was. Evenmin is daarbij doorslaggevend dat hij gedetacheerd was bij een werkgever die gevestigd was in Nederland en dat appellant hier belastingen betaalde en sinds augustus 1994 legaal in Nederland heeft verbleven. Ook het gegeven dat appellant in het kader van zijn werkzaamheden onderworpen was aan Nederlandse regelgeving inzake medische keuringen en werktijden, is niet doorslaggevend in deze. Voor de beoordeling van het ingezetenschap in de periode in geding is niet van belang dat appellant naderhand de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen en dat zijn gezin in Nederland is komen wonen. Deze feiten hebben zich voorgedaan na 4 augustus 1997.

4. Uit 3.1 tot en met 3.11 volgt dat de Svb terecht heeft aangenomen dat er geen aanleiding is aan te nemen dat appellant eerder dan na drie jaar verblijf in Nederland als ingezetene aangemerkt moet worden. De aangevallen uitspraak zal dan ook bevestigd worden.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van D. Heeremans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 april 2013.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) D. Heeremans

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip ingezetene.

JvC