Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7043

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-04-2013
Datum publicatie
15-04-2013
Zaaknummer
12/2167 WUBO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo. Er zijn geen nieuwe feiten en gegevens naar voren gekomen die tot een andere beslissing zouden moeten leiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/2167 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

Datum uitspraak: 11 april 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft S. Vermeer RA beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 5 maart 2012, kenmerk BZ01307284 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 februari 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door Vermeer. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante, geboren in 1942 in het toenmalige Nederlands-Indië, heeft in augustus 1994 bij verweerder een aanvraag ingediend om op grond van de Wubo te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer. Verweerder heeft die aanvraag afgewezen bij besluit van 16 maart 1995 en die afwijzing na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluit van 29 maart 1996 op de grond dat niet is gebleken dat appellante oorlogsgeweld in de zin van de Wubo heeft meegemaakt. Het tegen het besluit van 29 maart 1996 ingestelde beroep is door de Raad bij uitspraak van 18 juni 1998 (nummer 96/3343 WUBO) ongegrond verklaard. Daartoe is, kort gezegd, overwogen dat de aanvraag van appellante hoofdzakelijk steunt op ervaringen die als algemene oorlogsomstandigheden moeten worden aangemerkt en dat van een directe betrokkenheid bij bombardementen op haar woonplaats niet is gebleken.

1.2. In september 2010 heeft appellante opnieuw verzocht om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo. In dat verband heeft zij een verklaring overgelegd van haar broer [naam broer]. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen bij besluit van 25 februari 2011 en die afwijzing is na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit. Daartoe is overwogen dat – samengevat – appellante geen nieuwe feiten of gegevens heeft vermeld die aanleiding zouden kunnen geven het eerdere besluit te herzien.

2. De Raad overweegt als volgt.

2.1. De onder 1.2 genoemde aanvraag heeft het karakter van een verzoek om herziening van de onder 1.1 genoemde besluiten.

2.2. Op grond van artikel 61, derde lid, van de Wubo is verweerder bevoegd op daartoe door de belanghebbende gedane aanvraag een door hem gegevens beschikking in het voordeel van de bij die beschikking betrokkene te herzien. Gelet op het karakter van deze discretionaire bevoegdheid kan de Raad het bestreden besluit slechts met terughoudendheid toetsen. Daarbij staat centraal de vraag of er nieuwe feiten en gegevens naar voren zijn gekomen die tot een andere beslissing zouden moeten leiden.

2.3. Van dergelijke gegevens is ook de Raad niet gebleken. De overgelegde verklaring van haar broer [naam broer] is wel uitgebreider dan die welke door hem bij de eerdere aanvraag is verstrekt, maar ook die biedt geen houvast voor het oordeel dat appellante betrokken is geweest bij oorlogsgeweld in de zin van de Wubo. Zo is in de onder 1.2 genoemde uitspraak onderkend dat appellante bombardementen heeft meegemaakt, maar werd vastgesteld dat een betrokkenheid van appellante daarbij ontbrak. De nu overgelegde verklaring van broer [naam broer] laat geen ander beeld zien. Dat het in historische zin aannemelijk is dat bepaalde gebeurtenissen hebben plaatsgevonden is onvoldoende om vast te stellen wat appellante zelf (lijfelijk) heeft meegemaakt, dan wel te kunnen oordelen dat zij heeft verkeerd in levensbedreigende omstandigheden. In het licht van wat appellante en haar broer [naam broer] bij de eerdere aanvraag van appellante hebben verklaard, is met de huidige verklaring van [naam broer] verder onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij getuige is geweest van het door haar bedoelde schietincident in de Boeloegevangenis.

2.4. Gezien het voorgaande kan het besluit van verweerder om niet tot herziening over te gaan de onder 2.2 omschreven terughoudende toets doorstaan.

2.5. Het voorgaande betekent dat het bestreden besluit in rechte stand houdt en dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

3. De Raad ziet tot slot geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 april 2013.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) P.J.M. Crombach

KR