Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7033

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-04-2013
Datum publicatie
12-04-2013
Zaaknummer
11/6319 AW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2011:5434, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nu de inkomsten uit het AAOP vallen onder het begrip ‘alle overige inkomsten uit uitkeringen’ en er geen aanleiding bestaat deze inkomsten te scharen onder de mogelijkheid van bijverdienen, faalt het betoog van appellante dat zij de AAOP-uitkering niet hoeft af te dragen. Het dagelijks bestuur heeft in redelijkheid gebruik mogen maken van de in artikel 117 van de Ambtenarenwet geregelde bevoegdheid om het van appellante te ontvangen bedrag te verrekenen met zijn toekomstige verplichtingen jegens appellante.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/6319 AW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 september 2011, 10/5417 AW (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het dagelijks bestuur van de deelgemeente Prins Alexander te Rotterdam(dagelijks bestuur)

Datum uitspraak: 11 april 2013

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 februari 2013. Appellante is verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.I. Siem en K.J. Bolt.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is vanaf 1 september 2003 als [naam functie] in dienst geweest van de deelgemeente [naam deelgemeente]. Vanaf februari 2004 heeft zij vanwege ziekte niet meer gewerkt voor de deelgemeente. Na een lange periode van arbeidsongeschiktheid en pogingen tot re-integratie is het dienstverband in verband met arbeidsongeschiktheid beëindigd met ingang van 1 januari 2007.

1.2. In oktober 2007 hebben appellante en het dagelijks bestuur een vaststellingsovereenkomst gesloten over de financiële afwikkeling van de beëindiging van het dienstverband. In de brieven van 16 februari 2010 en 8 maart 2010 heeft appellante het dagelijks bestuur verzocht haar een aantal bedragen te vergoeden dan wel terug te betalen en om gedeeltelijke aanpassing van de afspraken in de overeenkomst. Bij brieven van 25 maart 2010 en 1 april 2010 heeft het dagelijks bestuur op de brieven van appellante gereageerd en tevens een voorstel gedaan tot beëindiging van de vaststellingsovereenkomst. Appellante kon zich niet vinden in dat afkoopvoorstel en heeft bezwaar gemaakt tegen de genoemde brieven.

1.3. Bij het bestreden besluit van 1 december 2010 heeft het dagelijks bestuur de bezwaren deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank gronden, die appellante eerst in beroep heeft aangevoerd, onder meer met betrekking tot te veel betaalde ziekenfondspremie over 2009, buiten de beoordeling van het beroep gelaten, omdat het dagelijks bestuur hierover (nog) geen besluit had genomen.

3. In hoger beroep heeft appellante haar standpunt gehandhaafd met betrekking tot de inkomsten uit het ABP Arbeidsongeschiktheidspensioen (AAOP) en de terugbetaling van in 2008 door haar betaalde bedragen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In de vaststellingsovereenkomst is onder meer het volgende neergelegd:

1. (…) de deelgemeente keert aan mw. [appellante] gedurende 33 maanden een maandelijks bedrag uit van 80% van haar laatstverdiende salaris en vervolgens gedurende 33 maanden 70%. (…) De regeling gaat in met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2007.

2. Het onder 1. gestelde is onlosmakelijk verbonden aan de bereidheid van mw. [appellante] om afstand te doen, gedurende de hiervoor genoemde periode, van de loongerelateerde uitkering die zij nu geniet in verband met haar gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid. (…)

3. Naast de loongerelateerde uitkering die mw. [appellante] nu geniet in verband met haar gedeeltelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering worden alle overige inkomsten uit uitkeringen na 8 februari 2008 door haar overgedragen aan de deelgemeente [naam deelgemeente]. Het is de bedoeling dat mw. [appellante] in deze periode opnieuw werk vindt met daaraan verbonden inkomsten en daartoe maximale inspanning toont (…) Zij mag gedurende de looptijd van de regeling bijverdienen tot het bedrag van het laatst verdiende salaris bij de deelgemeente te weten schaal 10 periodiek 11 voor 32 uur per week. Indien het bedrag van 80%, respectievelijk 70% vermeerderd met verworven inkomsten het laatst bij de deelgemeente genoten salaris te boven gaat dient het meerdere te worden verrekend met de uitkering van de deelgemeente. (…)

4.2. De Raad volgt de rechtbank in het oordeel dat inkomsten uit het AAOP vallen onder het in de vaststellingsovereenkomst gebruikte begrip ‘alle overige inkomsten uit uitkeringen’. Het AAOP betreft een uitkering aan appellante vanwege arbeidsongeschiktheid. Of de uitkering afkomstig is van een particuliere verzekering of van overheidswege is niet relevant, nu dienaangaande in de vaststellingsovereenkomst geen onderscheid is gemaakt. Van partijen had mogen worden verwacht dat als zij bepaalde inkomsten van genoemd begrip hadden willen uitsluiten, zij dit uitdrukkelijk in de vaststellingsovereenkomst hadden opgenomen.

4.3. Dit geldt evenzeer voor de omstandigheid dat bij besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) van 28 juli 2008 is vastgesteld dat appellante met terugwerkende kracht tot 1 januari 2006 volledig arbeidsongeschikt is. De Raad volgt het oordeel van de rechtbank dat dit geen bijzondere omstandigheid is die maakt dat onverkorte nakoming van de vaststellingsovereenkomst in redelijkheid niet kan worden verlangd.

4.4. Nu de inkomsten uit het AAOP vallen onder het begrip ‘alle overige inkomsten uit uitkeringen’ en er geen aanleiding bestaat deze inkomsten te scharen onder de mogelijkheid van bijverdienen, faalt het betoog van appellante dat zij de AAOP-uitkering niet hoeft af te dragen. Het dagelijks bestuur heeft in redelijkheid gebruik mogen maken van de in artikel 117 van de Ambtenarenwet geregelde bevoegdheid om het van appellante te ontvangen bedrag te verrekenen met zijn toekomstige verplichtingen jegens appellante.

4.5. Appellante meent voorts dat het dagelijks bestuur haar geld verschuldigd is, namelijk de op 30 oktober 2008 en 4 november 2008 door haar betaalde bedragen in verband met het uitkeringsbedrag dat zij met terugwerkende kracht van het UWV had ontvangen en het bedrag dat zij in 2008 heeft terugbetaald aan het ABP vanwege een terugvordering van de AAOP-uitkering, terwijl dit bedrag reeds door het dagelijks bestuur was verrekend. De Raad stelt met de rechtbank vast dat deze bedragen betrekking hebben op het jaar 2008. Niet is gebleken dat appellante dienaangaande rechtsmiddelen heeft aangewend, zodat sprake is van rechtens onaantastbare besluiten. Evenmin is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden op grond waarvan de rechtbank alsnog een beoordeling over de gestelde verschuldigde bedragen betreffende 2008 diende te geven.

4.6. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 april 2013.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) M.R. Schuurman

HD